De Rijksdagbrandverordening (Reichstagsbrandverordnung), officieel: Verordening van de Rijkspresident ter bescherming van volk en staat (Duits: Verordnung des Reichspräsidenten zum Schutz von Volk und Staat), was een noodverordening van 28 februari 1933 waarmee de Duitse president Paul von Hindenburg de belangrijkste grondrechten uit de Grondwet van Weimar buiten werking stelde in de nasleep van de Rijksdagbrand. Hindenburg nam de maatregel op initiatief van kanselier Adolf Hitler, die de verordening mee ondertekende, net als minister van Justitie Franz Gürtner. Volgens het kabinet-Hitler was de Rijksdagbrand, aangestoken door de Nederlandse communist Marinus van der Lubbe, het bewijs van een communistische samenzwering en was de noodverordening noodzakelijk om een communistische revolutie tegen te gaan. Een eerdere noodverordening van 4 februari 1933 had reeds de persvrijheid en de vrijheid van vergadering aan banden gelegd. Nu volgden ruimere politieke en burgerrechten uit de constitutie, in de aanloop naar de rijksdagverkiezingen van 5 maart.
Aangezien de nazi's sleutelposities in de regering innamen, konden zij de Rijksdagbrandverordening als juridische basis gebruiken om hun tegenstanders gevangen te zetten en publicaties die als gericht tegen het nationaalsocialisme werden beschouwd, te verbieden. De verordening wordt samen met de Machtigingswet van 24 maart 1933 door historici gezien als een essentiële stap naar het einde van de democratie en de volledige machtsovername door Adolf Hitler en zijn NSDAP. De verordening maakte mee de weg vrij voor de Gleichschaltung en het vestigen van een totalitaire dictatuur.
miniatuur|Rijksdagbrandverordening
Achtergrond In de constitutie van de Weimar-republiek was de mogelijkheid voor de rijkspresident opgenomen om tijdelijke noodverordeningen uit te vaardigen (artikel 48). De achtereenvolgende rijkspresidenten Friedrich Ebert (tot 1925) en vervolgens Paul von Hindenburg hadden meerdere malen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Voorbeelden zijn de verordening van 13 januari 1920, uitgevaardigd naar aanleiding van het Bloedbad voor de Rijksdag op 13 januari 1920Verordnung des Reichspräsidenten auf Grund des Artikel 48 Abs. 2 der Reichsverfassung, betreffend die zur Wiederherstellung der öffentlichen Sicherheit und Ordnung im Reichsgebiete mit Ausnahme von Bayern, Sachsen, Württemberg und Baden und der von ihnen umschlossenen Gebiete nötigen Maßnahmen, en die van 19 maart 1920, naar aanleiding van de Kapp-putsch.Verordnung des Reichspräsidenten auf Grund des Art. 48 Abs. 2 der Reichsverfassung, betreffend die zur Wiederherstellung der öffentlichen Sicherheit und Ordnung im Bezirke des Reichswehrgruppenkommandos I nötigen weiteren Maßnahmen.
Op 15 december 1932 dreigde Kurt von Schleicher, Hitlers voorganger als rijkskanselier, in een radiotoespraak met een "streng" decreet tegen de KPD:
In vertaling: „[…] Voor de noodzakelijke ongedaanmaking van opzettelijke verstoringen teneinde de economische rust te verzekeren, zijn in het verleden helaas een groot aantal uitzonderingsmaatregelen nodig geweest. Ik moet openlijk bekennen dat ik het rampzalig zou vinden als we in Duitsland op de lange termijn niet zonder deze strenge bepalingen zouden kunnen. Ik heb daarom mijnheer de Rijkspresident verzocht om, gezien de zonder twijfel ingetreden rust, dergelijke uitzonderingsmaatregelen op te heffen, om eindelijk weer een keer naar normale rechtsverhoudingen terug te kunnen keren. Mijnheer de Rijkspresident wil op dit voorstel ingaan in vertrouwen op de gezonde geest van de ordelievende bevolking, maar heeft wel tot uitdrukking gebracht dat hij niet zal aarzelen om een strenge verordening ter bescherming van het Duitse volk in te stellen, als hij in zijn verwachtingen wordt teleurgesteld. De professionele onruststokers, evenals het provocatieve en sfeervergiftigende deel van de pers, wil ik in verband hiermee waarschuwen dat een dergelijke verordening in de la ligt en inderdaad in haar grondigheid een excellent werk is.
Ik hoop dat de toepassing van deze verordening net zo min nodig is als de inzet van het leger. Ik wil er echter tevens ten opzichte van de staatsvijandige communistische beweging geen twijfel over laten bestaan dat de rijksregering ook niet voor draconische uitzonderingsmaatregelen tegen de communistische partij zal terugschrikken, als zij het laten vieren van de teugels zal misbruiken voor het voortzetten van de ophitsing van het volk.[…]“Originele tekst: „[…] Die zur wirtschaftlichen Beruhigung notwendige Ausschaltung aller absichtlichen Störungen hat in der Vergangenheit leider eine große Zahl von Ausnahmebedingungen nötig gemacht. Ich gestehe offen, dass ich es für verhängnisvoll halten würde, wenn wir in Deutschland auf die Dauer nicht ohne diese scharfen Bestimmungen auskommen könnten. Ich habe deshalb den Herrn Reichspräsidenten gebeten, die zweifellos eingetretene Beruhigung zum Anlass zu nehmen, um derartige Ausnahmebestimmungen aufzuheben, um endlich einmal wieder zu normalen Rechtsverhältnissen zurückzukehren. Der Herr Reichspräsident will diesem Vorschlag im Vertrauen auf den gesunden Sinn der ordnungsliebenden Bevölkerung entsprechen, hat dabei aber zum Ausdruck gebracht, dass er nicht zögern würde, eine scharfe Verordnung zum Schutze des deutschen Volkes zu erlassen, falls er sich in seinen Erwartungen getäuscht sieht. Den gewerbsmäßigen Unruhestiftern ebenso wie einer gewissen aufreizenden, die Atmosphäre vergiftenden Presse darf ich in diesem Zusammenhang warnend zur Kenntnis bringen, dass eine solche Verordnung fertig im Schubkasten liegt und in der Tat in ihrer Lückenlosigkeit eine ausgezeichnete Arbeit darstellt.
Ich hoffe, dass ihre Anwendung ebenso wenig nötig werden wird, wie der Einsatz der Reichswehr. Ich möchte aber auch die staatsfeindliche kommunistische Bewegung nicht im Zweifel darüber lassen, dass die Reichsregierung auch vor drakonischen Ausnahme-Bestimmungen gegen die kommunistische Partei nicht zurückschrecken wird, falls sie die Lockerung der Zügel zur vermehrten Verhetzung der Bevölkerung missbrauchen sollte. […]
Kort daarna werd Schleicher door machinaties van Von Papen aan de kant geschoven en op 30 januari 1933 werd Hitler benoemd tot rijkskanselier. President Hindenburg verzocht hem om een coalitieregering te gaan leiden. Hitler drong er bij Hindenburg op aan om de Rijksdag te ontbinden en op 5 maart nieuwe verkiezingen uit te schrijven.
In de geest van het door Schleicher aangekondigde decreet vaardigde Hindenburg op 4 februari 1933 de Verordnung des Reichspräsidenten zum Schutze des Deutschen Volkes uit. Deze mede door rijkskanselier Adolf Hitler, minister van Binnenlandse Zaken Wilhelm Frick (NSDAP) en minister van Justitie Franz Gürtner (DNVP) getekende verordening, die naar de opmerking van Schleicher ook wel "Schubladenverordnung" wordt genoemd, beknotte de vrijheid van vereniging en persvrijheid al aanzienlijk. Openbare politieke manifestaties en publicaties konden naar het oordeel van de lokale politie verboden worden. De Rijksdagbrandverordening ging daarentegen nog veel verder dan deze verordening.
Nog geen vier weken later, in de avond van 27 februari, zes dagen voor de parlementsverkiezingen, brak er brand uit in de vertrekken van de Rijksdag. Hoewel tot op de dag van vandaag de exacte omstandigheden van de brand onduidelijk zijn gebleven, was één ding wel duidelijk: Hitler en zijn kompanen benutten deze om hun macht versneld te consolideren. Hitler gaf direct de KPD de schuld van de brand en geloofde dat door de brand meer Duitsers de nazi's zouden gaan steunen. Volgens Rudolf Diels (hoofd van de politieke afdeling van de Pruisische politie, de voorloper van de Gestapo) riep Hitler tijdens de brand: "Deze ondermensen begrijpen niet hoezeer het volk aan onze kant staat. In hun muizenholen, waaruit ze nu willen komen, horen ze natuurlijk niets van het gejuich van de massa."
Met het presenteren van de Rijksdagbrand als het begin van een communistische opstand wisten de nationaalsocialisten miljoenen Duitsers met angst voor communistische terreur te vervullen. Zo kwam het in het officiële verslag te staan: "Het afbranden van de Rijksdag was bedoeld als startsein voor een bloedige opstand en burgeroorlog. Er waren plannen om meteen op dinsdag 4 uur 's ochtends op grote schaal in Berlijn te gaan plunderen. Er is vastgesteld dat vanaf vandaag in heel Duitsland terreurdaden hadden moeten plaatsvinden tegen prominenten, tegen privé-eigendommen en tegen de levens en veiligheid van de vreedzame bevolking, en een algemene burgeroorlog had moeten worden ontketend."
Tientallen communisten zaten binnen enige uren na de brand al achter slot en grendel. De dag daarop bespraken functionarissen van het Pruisische ministerie van Binnenlandse Zaken, dat onder leiding stond van de nazi Hermann Göring, hoe deze arrestaties juridisch verantwoord konden worden. Ludwig Grauert, hoofd van de Pruisische politie, stelde een presidentiële noodverordening op basis van artikel 48 van de grondwet voor. Daarmee zou de president de bevoegdheid krijgen om zonder toestemming van de Rijksdag welke maatregel dan ook te treffen die noodzakelijk was om de openbare veiligheid te beschermen. Dit was al eerder binnen de regering geopperd, en op 27 februari 's middags had minister van Justitie Gürtner zelfs al een concept-verordening aan het kabinet voorgelegd.
Minister van Binnenlandse Zaken Wilhelm Frick, de enige nationaalsocialist in de regering met een portefeuille, voegde er een clausule aan toe waarmee de rijksregering de deelstaatregeringen kon overnemen als zij niet in staat bleken om de orde te handhaven. Opmerkelijk was dat de regering dit al zonder noodverordening mocht doen. Frick was zich er echter terdege van bewust dat de NSDAP juist het departement van Binnenlandse Zaken had gekregen omdat het bijna geheel machteloos was; in tegenstelling tot andere Europese landen had de minister van Binnenlandse Zaken geen zeggenschap over de politie. Hij zag hierin dan ook een kans om zijn macht naar de Länder uit te breiden en een begin te maken met de nazificatie van Duitsland.
Tijdens een ingelaste kabinetszitting verklaarde Hitler dat de brand de aanzet was geweest voor een "meedogenloze strijd met de KPD", een strijd die niet "afhankelijk mocht worden gemaakt van juridische overwegingen". Ondanks de bezwaren van vice-kanselier von Papen tegen de clausule waarin de rijksregering de bevoegdheid kreeg om de leiding van de deelstaten over te nemen, werd de verordening goedgekeurd. Kort daarop verleende president von Hindenburg met zijn handtekening de verordening kracht van wet.
Op de dag van afkondiging, 28 februari 1933, werd in delen van het Duitse Rijk vastenavond gevierd, waardoor het politieke leven deels stillag en de verordening relatief onopgemerkt bleef. Vijf dagen later vonden, terwijl de Rijksdagbrandverordening dus al van kracht was, de Rijksdagverkiezingen plaats.
Inhoud De verordening bestond uit zes artikelen. Artikel 1 schortte de meeste grondwettelijke burgerlijke vrijheden voor onbepaalde tijd op en luidde als volgt:
De vertaling luidt als volgt:
De artikelen 2 en 3 regelden dat het rijk de bevoegdheden van de deelstaten kon overnemen.
Artikelen 4 en 5 legden draconische straffen vast voor bepaalde overtredingen, waaronder de doodstraf voor het in brand steken van openbare gebouwen. Aan artikel 5 werd aan het "Gesetz über Verhängung und Vollzug der Todesstrafe" van 29 maart 1933 terugwerkende kracht toegekend tot 31 januari 1933, opdat Marinus van der Lubbe tot de doodstraf kon worden veroordeeld.
Artikel 6 stelde eenvoudigweg vast dat de verordening van kracht werd op de dag van publicatie.
thumb|De laatste uitgave van Das Andere Deutschland, waarin de aankondiging van het verbod van het weekblad door de politie op grond van de Rijksdagbrandverordening