thumb|Nationale Strippenkaart De Nationale Strippenkaart (kortweg: "strippenkaart") was een vervoerbewijs dat van 8 mei 1980 tot 3 november 2011 gebruikt werd in het Nederlandse openbaar vervoer.

Intrede kaartintegratie thumb|Minister Tuijnman stempelt de eerste strippenkaart in Rotterdam. Tot de jaren zeventig was er geen gezamenlijk kaartsysteem in het Nederlandse stads- en streekvervoer. Elk vervoerbedrijf had zijn eigen kaartjes op basis van een eenheidstarief of sectietarief en de bedrijven (of de gemeenten) bepaalden zelf de tarieven. Wanneer reizigers overstapten op een bus, tram of metro van een andere exploitant dienden zij zich te voorzien van andere kaartjes of abonnementen.

De Nationale vierrittenkaart in de jaren zeventig maakte dit deels niet meer nodig. Deze kaart kon in Nederland worden gebruikt bij stadsvervoerbedrijven maar ook bij streekvervoerbedrijven die een stadsdienst exploiteerden. Alhoewel uitgegeven door de NS was de kaart niet geldig op de trein, maar alleen voor stadsritten en niet voor het streekvervoer. miniatuur|Strippenkaart met korting uit ca 2013. Toen in de jaren zeventig de Rijksoverheid de tekorten van de vervoersbedrijven overnam, eiste zij ook zeggenschap over de tarieven.Minister van Verkeer en Waterstaat. (1979, 7 mei). Tarievenplan openbaar vervoer. Brief nr. 2 aan de Tweede Kamer, dossier nr. 15572, vergaderjaar 1978-1979. Daarom werd in 1974 in Rotterdam en in 1977 in Amsterdam het zonetarief ingevoerd. De bedrijven hielden hun eigen vervoersbewijzen, maar de tarieven werden door het Rijk bepaald. Eind jaren zeventig schafte Rotterdam zijn eigen meerrittenkaarten af en werden die vervangen door de Nationale 4-rittenkaart. Ook bij het streekvervoer werd geleidelijk het sectietarief vervangen door het zonetarief.

In 1980 werden de kaartjes in het stads- en streekvervoer geheel geharmoniseerd: de toenmalige minister Tuijnman van Verkeer en Waterstaat van kabinet-Van Agt I voerde op 8 mei 1980 de Nationale Strippenkaart in. Aanvankelijk bestond alleen de 15-strippenkaart die voor vijf gulden kon worden aangeschaft.

Om het publiek kennis te laten maken met de strippenkaart was uitgebreide voorlichting noodzakelijk. Daarom werd er door Postbus 51 een voorlichtingsspotje uitgezonden waarin het komische duo De Mounties de strippenkaart probeerde. De leus van de reclamecampagne was Overal, Overal (met de strippenkaart kom je overal). Volkszanger Sjakie Schram bracht zelfs een single met de titel Overal met je strippenkaart uit om deze bij het publiek bekend te maken.

Op 1 oktober 1980 werd de strippenkaart landelijk ingevoerd - met uitzondering van Den Haag - en verdwenen de eigen kaartjes. De 15-strippenkaart kostte toen ƒ 5,35. Bij het streekvervoer kwam het retourtje te vervallen. Gelijktijdig werd het Sterabonnement ingevoerd. Samen vormden deze de Nationale vervoerbewijzen (NVB), voorheen bekend als het Nationaal Tarief Systeem (NTS).

Den Haag voerde de strippenkaart pas op 1 oktober 1981 in. Daarvoor kon men wel met een strippenkaart in Den Haag reizen, maar dan diende men altijd 2 zones, dus 3 strippen, af te stempelen en was men duurder uit (behalve op de buitenlijnen). Dit gold ook bij de nachtbus in Amsterdam en Rotterdam, waar het zonetarief niet gold. Hier was men voor een 1 zone rit duurder uit maar voor een 3 zone rit goedkoper.sinds eind jaren tachtig gold op de nachtbus in Rotterdam een apart tarief, in Amsterdam sinds 1997 waarbij het nog enkele jaren mogelijk was de strippenkaart te gebruiken met daarnaast een toeslag.

Voor- en nadeel De reden voor de invoering was de wens vanuit de politiek om het reizen met het openbaar vervoer te vereenvoudigen door "kaartintegratie". Een voordeel voor de vervoerbedrijven was dat de verkoop van strippenkaarten en abonnementen hoofdzakelijk op andere plaatsen dan in de tram of bus plaatsvond. Hierdoor ontstond er tijdwinst in de dienstregeling waardoor de reistijden voor de reiziger verkort werden. Daarnaast bespaarde het kosten voor het vervoerbedrijf doordat bussen efficiënter konden worden ingezet.

De kaartintegratie was echter nadelig voor de bedrijfsvoering van de stads- en streekvervoerbedrijven omdat hierdoor belangrijke gegevens over gerealiseerde reizigerskilometers per vervoerbedrijf niet langer konden worden geproduceerd. Voor de strippenkaart werd immers één tarief gehanteerd en hij was landelijk geldig. Er waren alleen gegevens over kaartverkoop, maar niet over het gebruik van de kaarten. Hierdoor werd het moeilijk, zo niet onmogelijk, om prestaties van vervoerbedrijven te beoordelen. Daarom wilden de vervoerbedrijven weer van de strippenkaart af. In de jaren tachtig werd daarom gewerkt aan een elektronisch betaalsysteem onder de naam De MagneetKaart. Dat project mislukte echter.

Voor het meten van de door elk vervoerbedrijf gegenereerde kaartopbrengsten werd vanaf 1986 het zogenaamde WROOV-systeem gehanteerd. Dit systeem had als nadeel dat het geen informatie leverde over de prestaties van de vervoerbedrijven en over het aantal vervoerde reizigers. Om aan deze informatie te komen werd van 1984 tot 1994 het VIS-systeem gebruikt (VIS staat voor Vervoer Informatie Systeem). Door middel van teltredes die op een gedeelte van het tram en buswagenpark was of werd aangebracht, werd getracht aan te geven hoeveel reizigers in- en uitstappen. Zo kon de bezettingsgraad gemeten worden en deze wordt weer gebruikt om de inzet van trams en bussen vast te stellen. Met het VIS-systeem werd echter niet aangegeven hoeveel betalende reizigers worden vervoerd.

Berekeningsgrondslag thumb|right|Strippenkaart België De berekeningsgrondslag voor het tariefsysteem was de zone. In de steden is dit een geografisch gebied met een gemiddelde doorsnede van 4 à 4,5 km waardoor verschillende lijnen konden lopen. In de streek, buiten de steden, is de zone een lijngedeelte met een gemiddelde lengte van 4 à 4,5 km. Er bestond een relatie tussen het betaalde tarief en de met het openbaar vervoer afgelegde afstand. Naast dat de prijs van de strippenkaart later frequent werd verhoogd, werden de zones kleiner, zodat de strippenkaart over grotere afstanden meer ging kosten. De oude kaartjes verdwenen op 1 oktober 1980, behalve in Den Haag, waardoor het Becksonapparaat in streekbussen overbodig werd.

De zones die nog in gebruik zijn voor het sterabonnement waren van toepassing op de strippenkaart. Het aantal afgestempelde strippen bepaalde het gebied waarin men mocht reizen en de maximale reistijd: het was het nominale aantal zones plus 1 basisstrip. Dat betekent dat men na het stempelen van 3 strippen mocht reizen in de vertrekzone (waar gestempeld is) en in alle aangrenzende zones. Het maximaal af te stempelen strippen was 20.

Indien de strippenkaart onvoldoende lege strippen voor de reis had kon men verder strippen op een nieuwe kaart maar moest dan de laatste strip van de oude kaart stempelen en doorstempelen op de nieuwe kaart. Bij een 45-strippenkaart diende men op de voorzijde de laatste strip te stempelen en dan door te gaan op de achterzijde. Ook konden meerdere personen op één strippenkaart reizen maar men diende per persoon het juiste aantal strippen af te stempelen.

De geldigheidsduur was afhankelijk van het aantal strippen 1 tot 3½ uur. Zolang de gestempelde strippen geldig waren mocht de reiziger, in de zones waarvoor was gestempeld, onbeperkt reizen en overstappen. Hij mocht de kaart, zolang die geldig was, ook voor de terugreis gebruiken, hij bleef dan immers binnen het gebied waarvoor gestempeld was. Het stempel was dus een soort sterabonnement van korte tijdsduur. Met 20 strippen mocht men gedurende 3½ uur onbeperkt in het hele land reizen. Het stempel gaf de instapzone, de tijd, weeknummer en dag weer. Vóór het zonenummer stond (dwars) het stempelnummer. Iedere stempel (ook die van de automaten) had een uniek nummer. Geleidelijk werd in sommige gevallen de geldigheidsduur verlaagd. Zo kon men bijvoorbeeld met 4 strippen (3 zones) oorspronkelijk 2 uur na afstempeling reizen, maar dat werd in oktober 1981 ingekort tot 1 uur. In sommige gevallen kwam dat neer op een verkapte tariefsverhoging, naast de halfjaarlijkse prijsverhoging.

Het aantal benodigde zones was vooraf te bepalen met een kaart die bij de meeste haltes hing, maar het systeem werd als vrij ingewikkeld ervaren. Bovendien pakte het systeem niet altijd rechtvaardig uit: wie bij een korte trip een zonegrens passeerde moest al voor twee zones stempelen (3 strippen), evenveel als voor een langere rit in een grote stad.

Merkwaardig was verder dat een kleine omweg toegestaan was in de buurt van het vertrekpunt, maar niet zonder bijbetaling in de buurt van het aankomstpunt. Bijvoorbeeld, een reis van Utrecht naar Zeist via Den Dolder kostte 5 strippen, een reis van Zeist naar Utrecht via Den Dolder slechts 4 strippen.

In 1985 werd in België een nationaal zonesysteem ingevoerd met een daarbij sterk op de Nederlandse lijkende strippenkaart, de Z-kaart (zie tarieven Belgische buurtspoorwegen).

Afschaffing strippenkaart Vanaf 2009 werd de strippenkaart geleidelijk vervangen door reizen op saldo met behulp van de OV-chipkaart.

De strippenkaart zou aanvankelijk op 1 oktober 2007 afgeschaft worden in de Rotterdamse metro, maar op 6 september dat jaar werd dat uitgesteld tot een op dat moment nog onbekende datum.Strippenkaart blijft langer in metro - Algemeen Dagblad, 6 september 2007 Uiteindelijk werd op 31 oktober 2008 aangekondigd dat de afschaffing in de Rotterdamse metro per 29 januari 2009 in zou gaan.Strippenkaart definitief weg uit metro Rotterdam. Dag, 31 oktober 2008 Een dag voordat de strippenkaart in de metro werd afgeschaft publiceerden journalisten van RTV Rijnmond een rapportage waarin ze lieten zien dat ze dagenlang onopgemerkt konden reizen met een gekraakte OV-chipkaart.

Op 27 augustus 2009 verloor de strippenkaart haar geldigheid in de Amsterdamse metro. Op 11 februari 2010 werd de strippenkaart in de rest van het Rotterdamse openbaar vervoer (bus en tram) afgeschaft en op 3 juni dat jaar volgde Amsterdam.

In de nacht van 27 op 28 januari 2011 nam de Tweede Kamer een motie aan om de afschaffing van de strippenkaart in Zuid-Holland, die gepland was voor 3 februari, een maand op te schorten. Reden was de fraudegevoeligheid van de OV-chipkaart. Enkele dagen eerder kwam aan het licht dat het heel eenvoudig is, met behulp van op internet te downloaden software en een leesapparaatje van enkele tientjes, het saldo op de kaart aan te passen. Ook kan men met dezelfde hulpmiddelen thuis de kaart zo manipuleren dat het bij controle in de trein lijkt of men heeft ingecheckt, zonder dat daadwerkelijk saldo wordt afgeboekt. Verkeersminister Melanie Schultz van Haegen kreeg van de Kamer een maand de tijd om de risico's van deze fraude in kaart te brengen.Kamer stemt voor voorlopig behoud strippenkaart, de Volkskrant, 28 januari 2011 De strippenkaart werd uiteindelijk op 19 mei 2011 afgeschaft in geheel Zuid-Holland.

Volgens plan zou de Stadsregio Arnhem/Nijmegen al op 18 november 2010 de strippenkaart afschaffen. Omdat de voorbereidingstijd te krap bleek werd dit opgeschort. Wel werden op 1 november 2010 de in de wagen verkochte dalurenkaartjes (KAN-kaartje Nijmegen en Dalkaartje Arnhem) afgeschaft, ondanks protesten van diverse consumentenorganisaties.Na ruim dertig jaar heeft Overijssel afscheid genomen van de strippenkaart, RTV Oost, 30 juni 2011Strippenkaart niet meer geldig, RTV Nijmegen, 30 juni 2011