Iguanodon is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Euornithopoda, dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het gebied van het huidige Europa.

Iguanodon werd in het begin van de negentiende eeuw in Engeland als een van de allereerste dinosauriërs ontdekt door Gideon Mantell en kreeg in 1825 zijn naam, die zoiets als 'leguaantand' betekent. Toen het begrip Dinosauria in 1842 door Richard Owen bedacht werd, was Iguanodon een van de eerste drie door hem erkende dinosauriërs. In 1829 werd de eerste soort benoemd van het geslacht: Iguanodon anglicus. Daarna zouden er nog vierentwintig andere soorten volgen. Van de meeste daarvan wordt tegenwoordig begrepen dat het om heel andere dinosauriërs gaat of om fossielen die te slecht bewaard zijn gebleven om nog aan te kunnen zien wat voor dier het precies betreft. Eigenlijk geldt dat ook voor I. anglicus waarbij met zekerheid alleen wat tanden horen. Daarom is in 2000 een Belgische soort aangewezen als de officiële typesoort van het geslacht: Iguanodon bernissartenis Boulenger, 1881. In België was namelijk in 1878 in een kolenmijn te Bernissart een van de rijkste dinosauriërvindplaatsen ter wereld aangetroffen, waaruit een dertigtal vrijwel complete nog in verband liggende iguanodonskeletten aan het licht gebracht werd. Die werden door Louis Dollo geprepareerd en worden tegenwoordig tentoongesteld in Brussel.

Behalve uit België is I. bernissartensis ook bekend van belangrijke vondsten uit Duitsland en verder misschien van fragmenten uit Frankrijk. Uiteindelijk hebben de wetenschappers zo een goed beeld gekregen van hoe het dier eruitzag maar dat inzicht is pas langzaam verworven. Mantell dacht eerst nog dat het om een reusachtige echte hagedis ging van wel dertig meter lang. Owen begreep dat Iguanodon recht op zijn poten stond. Dollo nam aan dat het dier een tweevoeter was. Pas op het eind van de twintigste eeuw werd duidelijk dat Iguanodon op twee poten rende, maar langzaam liep op vier poten.

Iguanodon kon acht meter lang worden en drie ton zwaar. De achterpoten waren zwaargebouwd en droegen een vrij lange stevige romp die in evenwicht gehouden werd door een stijve horizontale staart. Van de handen konden de drie middelste vingers het gewicht ondersteunen, de duim droeg een vervaarlijke stekel om zich tegen roofsauriërs te verdedigen en de vijfde vinger was lang en buigzaam om planten te grijpen. Die konden ook afgebeten worden door de snavel aan de voorkant van de langwerpige kop waarna lange tandenrijen het voedsel verder verknipten en kauwden.

Ontdekkingsgeschiedenis en naamgeving Engeland De eerste vondsten thumb|Gideon Algernon Mantell miniatuur|De iguanodons in het Dinosauruspark van Christal Palace Iguanodon was vermoedelijk de eerste dinosauriër die als zodanig ontdekt werd — Streptospondylus werd al beschreven in 1808 maar als krokodil — hoewel Megalosaurus eerder benoemd zou worden. Vanaf het begin van de negentiende eeuw — de eerste exact te dateren vondst is een scheenbeen uit 1809 — werden in steengroeven bij het Zuid-Engelse Cuckfield in West Sussex, in het gebied van Tilgate Forest brokken zandsteen met fossielen, waaronder grote tanden en botten, aangetroffen in een laag die de Tilgate Grit heet. De beste stukken werden door de steenwerkers aan verzamelaars verkocht. In 1817 verwierf een jonge huisarts met interesse voor paleontologie, Gideon Mantell, daar een aantal van en na een wat grotere aankoop in juni 1819 van schoenmaker James Leney die als tussenhandelaar fungeerde, besloot hij eens een kijkje te nemen in de belangrijkste groeve bij het gehucht Whitemans Green. Vanaf augustus 1820 begon hij er zelf in zijn vrije tijd opgravingen te verrichten, waarbij hij aanwijzingen gaf aan de arbeiders. Al snel leidde hij uit fossiele plantenresten af dat de aardlaag 'secundair' was, dus uit wat wij nu het Mesozoïcum noemen. In dit tijdperk bestonden nog geen grote zoogdieren — in 1820 was zelfs geen enkel zoogdier uit dat tijdperk gevonden — en hij nam dus eerst aan dat de botten aan zeereptielen toebehoorden aangezien grote landreptielen nog onbekend waren. In de zomer van 1821 wijzigde hij zijn opvatting omdat de beenderen — hij had ondertussen, mede door te ruilen met andere verzamelaars, een aardig deel van het skelet weten te reconstrueren — niet overeenkwamen met de bekende skeletten van ichthyosauriërs. Sommige losse tanden uit de groeve kwamen van wat wij nu theropoden noemen, dus van vleesetende sauriërs. Vanwege een zekere overeenkomst met de tandvorm van krokodillen nam Mantell nu aan dat de botten die van een reusachtige krokodil waren. Datzelfde jaar nog vond zijn vrouw Mary Mantell, die de interesses van haar man deelde, echter een tand die duidelijk niet aan een vleeseter toebehoorde. Volgens het verhaal dat Mantell in zijn boek van 1822 vertelde, vond ze de tand toen ze steenslag bekeek die wegwerkers aanbrachten, terwijl ze naast hun rijtuig op Mantell wachtte die een doktersbezoek aflegde. In 1851 beweerde Mantell echter de herbivore tanden zelf gevonden te hebben. Vermoedelijk overzag Mary, die veel meer vrije tijd had en met Mantell getrouwd was vanuit een gedeelde passie voor geologie, een belangrijk deel van de opgravingen en wilde Mantell in 1822 haar reputatie beschermen: een respectabele vrouw van haar stand hield zich in die periode niet met zulke zaken bezig. Veel bronnen geven het publicatiejaar van het boek ten onrechte als het jaar van de vondst maar de tand wordt al in 1821 in Mantells notities vermeld — zonder de vermelding dat Mary de ontdekking gedaan zou hebben.

Uit de afgesleten tandkroon viel af te leiden dat het dier waarvan het afkomstig was een planteneter moest zijn geweest. De tanden deden Mantell nog het meest aan de snijtanden van een neushoorn denken. Met grote aarzeling trok hij de conclusie dat zijn fossiel skelet en de afwijkende tand bij elkaar hoorden en dat ze van een reusachtige plantenetende hagedis waren. Nu hij erop geattendeerd was, lukte het hem nog meer van dit soort tanden te vinden. Op 4 oktober 1821 werd hij bezocht door de geoloog Charles Lyell en die informeerde hem dat professor William Buckland bij Oxford ook een reusachtig dier uit het 'Secundaire Tijdperk' ontdekt had (wat later Megalosaurus genoemd zou worden) en dat dit door de gezaghebbende Georges Cuvier gedetermineerd was als een carnivoor, landbewonend reptiel. Dit sterkte Mantell in zijn opvattingen maar bracht hem ook op het foute idee dat de botten aan twee verschillende dieren toebehoorden, een carnivoor en de ander herbivoor.Dennis R. Dean, 1999, Gideon Mantell and the discovery of dinosaurs, Cambridge University Press thumb|Enkele exemplaren van de tanden, zoals getoond door Mantells publicatie van 1825, met onderaan ter vergelijking leguanentanden

De eerste publicatie door Mantell In mei 1822 publiceerde Mantell een duur, door zijn vrouw geïllustreerd, boek over de fossielen van zijn streek, Fossils of the South Downs,Gideon Mantell, 1822, Fossils of the South Downs: or Illustrations of the Geology of Sussex, Thomas Davison: Londen en daarin vermeldde hij de vondst als een 'dier van enorme grootte uit de Hagedissentribus'. Maar hij benoemde het nog niet; het leek hem als amateur beter Buckland niet voor het hoofd te stoten door eerder dan hij de carnivoor te benoemen en hij wilde nog verdere informatie inwinnen voordat hij al te opzienbarende beweringen deed over een reusachtige planteneter. Hij vermeldde dus niet dat hij het bestaan daarvan aannam. Hij bracht het animal of the Lizard Tribe of enormous magnitude juist met de carnivore tanden in verband en andere grote botten vermeldde hij apart samen met de tand, zonder er een nadere bepaling van te geven of ze verder in relatie te brengen. Diezelfde maand bracht hij de herbivore tanden naar een vergadering van de Geological Society in Londen waar ook Buckland aanwezig was, maar dat liep op een teleurstelling uit. De leden meenden dat ze van een vis waren of misschien een vrij recente fossiele neushoorn. Het hoofdargument was dat ze aannamen dat de Weald-formatie waar de fossielen aangetroffen waren, uit het Tertiair stamde en dus geen grote reptielen kón bevatten. Mantell riep hierop het oordeel van Lyell in die na gezamenlijk onderzoek concludeerde dat het wel degelijk 'secundaire' gesteenten betrof. In een brief aan de Geological Society die op 17 januari 1823 werd voorgedragen op de vergadering verwees Mantell naar de nieuwe gegevens en openbaarde voor het eerst zijn hypothese dat hij een reusachtige herbivore hagedis had gevonden. Hij maakte echter zo weinig indruk dat het geschrift niet eens gepubliceerd werd in de handelingen.

Cuvier oordeelt dat het om een neushoorn gaat thumb|Klauwen van Iguanodon; onderaan de duimkegel die eerst voor een hoorn werd aangezien Op 23 juni 1823 liet Lyell in Parijs op een soirée van Cuvier de tand zien en die werd door de grote geleerde onmiddellijk afgedaan als de bovensnijtand van een neushoorn; wat middenhandsbeenderen als die van een nijlpaard. De volgende dag al verklaarde Cuvier dat hij daar bij nader inzien toch niet zo zeker van was maar Lyell gaf alleen het eerste oordeel aan Mantell door. Mantell trok de conclusie dat hij zichzelf voor de gek gehouden had en de relatie met zijn vrouw bekoelde aanzienlijk. Buckland concludeerde wat anders, namelijk dat als de tand niet bij het reptiel hoorde, Mantells ontdekking wellicht identiek was aan zijn carnivore hagedis en dat het dus tijd werd daarover eens te publiceren voordat de ander hem voor zou zijn. Begin februari 1824 benoemde hij tijdens een voordracht aan de Geological Society Megalosaurus. Mantell was een van de toehoorders; toen Buckland aangaf dat zijn hagedis gezien de grootte van het dijbeen weleens twaalf meter lang kon zijn, vertelde Mantell dat hij een fossiel dijbeen gevonden had van dubbele afmetingen. Nu werd Buckland toch wel heel nieuwsgierig en op 6 maart bezocht hij voor het eerst Mantell en raakte onder de indruk van diens fossielen. In de publicatie van de voordracht nam hij ook een verwijzing op naar Mantells vondst en schatte de lengte van het levende dier op twintig meter. Hiermee aanvaardde Buckland echter impliciet dat de aardlagen van Cuckfield 'secundair' waren en dat zette de identificatie van de herbivore tanden als die van een neushoorn op losse schroeven. Buckland probeerde die overeind te houden door aan te nemen dat de tanden vanuit een jongere laag in een oudere terecht waren gekomen; dat soort zaken is niet zeldzaam. De vondst van een grote hoorn zag hij als aanvullend bewijs dat dit inderdaad het geval was — die leek immers ook weer op een neushoorn te duiden.

Cuvier herroept zijn opvatting en Iguanodon wordt door Mantell benoemd