thumb|Een 'forehand' Tafeltennis of pingpong is een sport waarbij twee of vier spelers een licht en hol balletje met een batje heen en weer slaan over een tafel met een net in het midden. Het doel van dit spel is de bal over het net te slaan op de tafelhelft van de tegenstander, op zo'n manier dat deze de bal niet correct of helemaal niet kan terugslaan.

Als wedstrijdsport stelt tafeltennis hoge lichamelijke en mentale eisen aan de spelers, anderzijds is het voor miljoenen mensen in de hele wereld een ontspannende tijdspassering.

Geschiedenis De ontstaansgeschiedenis van tafeltennis is alleen te zien in samenhang met andere takken van sport, vooral tennis waarvan sinds de Middeleeuwen bepaalde vormen bestonden. Net als veel sporten begon tafeltennis als een sociaal verzetje; het werd vermoedelijk voor het eerst gespeeld – met geïmproviseerd materiaal – ergens aan het einde van de 19e eeuw in Engeland. Sommige bronnen beweren dat het eerst gespeeld werd door Britse militairen in India of Zuid-Afrika en vervolgens meegenomen naar Engeland.

In Engeland werd in 1884 octrooi verleend op de naam "Miniature-Indoor-Tennis-Game". In 1901 ontdekte de Engelse tafeltennisliefhebber James Gibb tijdens een reis naar de Verenigde Staten celluloidballen, die de tot dan toe gebruikelijke lichte, doch erg harde canvasbal vervingen. Daarmee kreeg het spel een nieuw, meer sportief accent.

Rond 1900 was het spel bekend onder de huidige namen (tafeltennis en "pingpong"). Het woord "pingpong" is een uit het Engels (ping-pong) overgenomen klanknabootsing van het geluid als het balletje en batje elkaar raken.Pingpong (tafeltennis) in de Nederlandse Etymologiebank; vergelijk ook ping (II) in het Woordenboek der Nederlandse Taal. Het woord pingpong en vooral de afleiding "pingpongen" wordt ook geassocieerd met het heen en weer gaan van het balletje tussen de spelers. Het woord werd begin 20e eeuw in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten geregistreerd als merknaam, waarna de betreffende fabrikanten tafeltennissers stimuleerden om voor het spel zelf het woord table tennis te gebruiken, om te voorkomen dat "ping-pong" als generieke term niet de erkenning als merk zou verliezen.Dean R. , Are there any trademark rights left in the term Ping-Pong?, artikel augustus 2008 op de website van Frederikson & Byron (door het Internet Archive op 30 mei 2011 gearchiveerde versie). In Engeland waren er zelfs enige tijd naast elkaar een Table Tennis Association en een Ping Pong Association. Andere merknamen in deze periode waren onder andere "Gossima" (van de Engelse fabrikant John Jaques, eind 19e eeuw), "Flim-Flam", "Pim-Pam" (Frankrijk) en "Whiff-Whaff" (Amerika).History of table tennis, website International Table Tennis Federation (ITTF)

In 1926 is de International Table Tennis Federation (ITTF) opgericht in Berlijn, met Denemarken, Duitsland, Engeland, Hongarije, India, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, Wales en Zweden als leden. Later dat jaar werd de Verenigde Staten ook lid.

In Nederland is de productie van tafeltennistafels in 1939 begonnen door Heemskerks Scheepsbouw en Timmerbedryf uit Roelofarendsveen, opgericht door de gebroeders Heemskerk. Nico en Wout, beide ex-tafeltenniskampioenen van Nederland, hielden zich eerst bezig met het maken van boten. Nadat zij, vanwege hun handigheid met hout, in opdracht van een lokale tafeltennisvereniging hun eerste tennistafel hadden geproduceerd, kwam er ook vraag van buiten Roelofarendsveen. In 1962 werd een fabriekspand speciaal voor sportartikelen betrokken en steeg de productie mede vanwege het toenemende aantal buitenlandse partners. Gedurende de recessie in de jaren 70 bleef Heemskerk als enige van vier Nederlandse tafeltennistafelproducenten over en wordt er nog steeds geproduceerd vanuit de fabriek in Alphen aan den Rijn.

In de jaren 50 van de 20e eeuw veranderde het spel drastisch, door het gebruik van rubbers met onderliggende spons op de batjes. De rubbers met spons zorgde voor meer spin en snelheid. De rubbers met spons waren geïntroduceerd door de Britse sportfabrikant S.W. Hancock Ltd. De introductie van snellijm in de midden jaren 80 zorgde wederom voor meer spin en snelheid in het spel. In 1988 werd tafeltennis toegevoegd aan de Olympische Spelen.

Regelwijzigingen Na de Olympische Spelen van 2000 in Sydney, voerde de ITTF een aantal regelwijzigingen door, die erop gericht waren om de tafeltennissport attractiever te maken als kijksport op televisie. Allereerst werd in oktober 2000, de 38 mm bal, vervangen door de 40 mm bal. Een grotere bal heeft meer luchtweerstand en geeft minder effect, met als gevolg dat het spel iets werd vertraagd.

In 2001 heeft het ITTF-congres op de wereldkampioenschappen in Osaka besloten (104:7 stemmen) om per 1 september 2001, het 21-puntensysteem te wijzigen, naar een 11-puntensysteem (en het serveren rotatie werd teruggebracht van vijf punten tot twee). Deze aanpassing was bedoeld om games sneller en spannender te maken. Op grote toernooien wordt sindsdien in teamverband gespeeld om drie gewonnen games ("Best-of-Five") en op individuele toernooien om vier gewonnen games ("Best-of-Seven").

In 2002 heeft de ITTF de spelregels rondom het serveren aangepast om het voordeel van de serveerder te verminderen. De opslag mocht vanaf 1 juli 2002, voor de ontvanger niet meer worden verborgen door enig deel van het lichaam of kleding van de serveerder.

Vanaf 2014 moet de bal tevens bij de opslag minimaal 16 cm in de lucht worden gegooid, zodat de ontvanger meer tijd heeft om de opslag te 'lezen'.

Vanaf 1 januari 2016 is de celluloid bal, vervangen door een plastic bal.

Spelvormen Tafeltennis kent zeven officiële spelvormen: mannen enkelspel vrouwen enkelspel gemengd enkelspel (waarin een man en een vrouw tegen elkaar spelen, wat dikwijls onder de reguliere mannencompetitie valt) mannen dubbelspel vrouwen dubbelspel gemengd dubbelspel (aan beide kanten van het net één man met één vrouw) teamwedstrijd (iedere gewonnen partij in welke eerdergenoemde spelvorm dan ook levert één punt op voor het team)

Spelregels Opslag Voor een goede opslag (service), dient de bal onbeweeglijk op de open en vlakke handpalm te liggen, waarna deze zo recht mogelijk ten minste 16 cm omhoog geworpen moet worden.

Nadat de bal het hoogste punt heeft bereikt moet deze zo geslagen worden dat hij eerst het eigen speelveld raakt, over of naast het net heen gaat zonder dit te raken, en daarna het speelvlak van de tegenstander raakt. In tegenstelling tot tennis, hoeft er bij de service geen rekening worden gehouden met waar de bal als eerste stuitert (eigen tafelhelft) en waar die vervolgens terechtkomt. De bal mag dus zowel diagonaal als parallel worden geserveerd. Indien de bal het net raakt, en deze toch nog juist terechtkomt, moet de service opnieuw gedaan worden. Bij een service die de overkant van de tafel niet correct haalt, wordt meteen een punt toegekend aan de tegenstander, zonder herkansing. Opslagen moeten van achter (het verlengde van de) eindlijn gebeuren en het zicht op de bal mag tijdens de opslag niet geblokkeerd worden voor de tegenstander.

Telkens wanneer er in een set twee punten gescoord zijn, wisselt de service van speler (of team).

Game of set De speler die als eerste 11 punten behaalt wint de game (in België spreekt men over set), mits het verschil met de tegenstander minimaal 2 punten is. Bij gelijke stand van 10-10 wordt er dus doorgespeeld tot een van beide spelers alsnog twee punten meer heeft dan de ander (bijvoorbeeld 12-10, 13-11, 14-12...). In deze fase wisselen de spelers na elk punt van opslag. Tot 2001 ging een game om 21 gewonnen punten en werd om de 5 punten de service gewisseld. Aan het eind van elke game ruilen de spelers van speelhelft. Diegene die in de vorige game als eerste serveerde, zal nu als eerste ontvangen. Doorgaans wordt gespeeld tot een speler drie of soms vier games heeft gewonnen, al naargelang het niveau van de competitie. In de laatste game (vijfde in best-of-five, zevende in best-of seven, ook wel "belle" genoemd) wordt nogmaals van speelhelft gewisseld wanneer een speler vijf punten heeft behaald.

Tot de invoering van het 11-puntensysteem, werd op grote toernooien op individuele niveau gespeeld om drie gewonnen games ("Best-of-Five") en in teamverband gespeeld om twee gewonnen games ("Best-of-Three"). Na de invoering van het 11-puntensysteem wordt op grote toernooien op individuele niveau gespeeld om vier gewonnen games ("Best-of-Seven") en in teamverband gespeeld om drie gewonnen games ("Best-of-Five").

Tijdregel Als een game na 10 minuten 'zuivere' speeltijd nog niet is afgelopen en beide spelers nog geen 9 punten hebben gescoord, treedt de tijdregel in werking. De scheidsrechter onderbreekt het spel. Als de tijdgrensregel wordt geïntroduceerd terwijl de bal niet in het spel is, zal de vorige ontvanger, de eerste keer mogen serveren. Wanneer de tijdregel in werking is wisselt de opslag na ieder punt. Ten tijde van de tijdregel, moet de serveerder het punt winnen voordat de tegenstander, de bal 13x achtereenvolgens heeft teruggeslagen. Indien de tegenstanders de bal 13x heeft teruggeslagen in een rally, verliest de serveerder het punt. Indien de tijdregel eenmaal is ingevoerd, blijft deze van kracht tot het einde van de wedstrijd. Alle nog te spelen games, worden in dat geval, vanaf het begin gespeeld met de tijdregel. De 10 minuten 'zuivere' speeltijd is de tijd zonder onderbrekingen, zoals een blessure, materiaalbeschadigingen, handdoekpauzes, time-outs of wanneer de bal het speelveld verlaat. Tijdens onderbrekingen wordt de klok stilgezet.

De tijdregel kan tevens op elk gewenst moment in werking treden op aanvraag van beide spelers of paren. Beide spelers of paren moeten hiermee instemmen. De spelers mogen er zelfs voor kiezen om de tijdregel vanaf het begin van de wedstrijd in werking te laten treden.

Tijdens de tijdregel krijgt de tweede scheidsrechter de taak van slagenteller. De scheidsrechter telt luid en duidelijk de succesvolle terugslagen van de ontvanger. Bij 13 terugslagen, onderbreekt de scheidsrechter de rally en kent het punt toe aan de ontvanger.

De tijdregel werd ingevoerd om de duur van een wedstrijd in te perken. In het bijzonder wanneer twee spelers zeer voorzichtig of passief spelen, kan het voorkomen dat de tijdregel in werking treedt. Op het wereldkampioenschap van 1936 was de eerste slagenwisseling tussen Alex Ehrlich en Farkas Paneth pas na 130 minuten beslist. In datzelfde toernooi had een toss de wedstrijd tussen Vasile Goldberger-Marin en Michel Haguenauer beslist, omdat beide na zevenenhalf uur compleet uitgeput waren - tot dat moment stond het 5:3 in de vijfde set. Deze wedstrijden waren aanleiding om in 1937 de tijdregel in te voeren - de duur van een set werd begrensd op een half uur. Later werd de regel aangepast naar 20 minuten per game, de speler die de game leidde zou de game winnen. Bij een gelijke stand werd er een beslissend punt gespeeld.

Op 1 oktober 1961 stelde de European Table Tennis Union evenals de Deutscher Tischtennis-Bund de maximale speeltijd per game (destijds tot 21 punten) op 15 minuten vast. Na 15 minuten trad de tijdregel in werking. Bij de navolgende games trad de tijdregel al na 10 minuten in. Op 1 januari 1966 werd de regel zodanig aangepast, dat na invoering van de tijdregel deze zou blijven gelden vanaf het begin van alle navolgende games. In feite komt dit overeen met de huidige regeling. Toen in 2001 het puntensysteem van een game werd veranderd van 21 in 11 punten, besloot de ITTF om de tijdregel na 10 minuten per game in te laten gaan, in plaats van 15 minuten zoals gold onder het 21-puntensysteem. De tijdregel zou ingaan indien beide spelers negen punten in een game hadden behaald. In 2010 werd de tijdregel iets aangepast: indien beide spelers gezamenlijk 18 punten hebben behaald, treedt de tijdregeling niet in werking. Dit is ook het geval bij 10:8.

Dubbel