Flavius Julius ValensIn Klassiek Latijn zou de naam Valens worden geschreven als FLAVIVS IVLIVS VALENS AVGVSTVS. (328 - 9 augustus 378) was van 28 maart 364 tot 9 augustus 378 keizer van het Romeinse Rijk.
Valens werd door zijn oudere broer Valentinianus op 28 maart 364 tot medekeizer benoemd, nadat deze kort daarvoor keizer was geworden. Hij zou het oosten van het rijk gaan besturen en Valentinianus het westen. Valens had een duidelijk ondergeschikte rol in deze overeenkomst. Valens werd in de zomer van 378 verslagen en gedood in de Slag bij Adrianopel.
Afkomst en familie Valens werd in 328 geboren in Cibalae, in het zuiden van Pannonia (het huidige Vinkovci in het tegenwoordige Kroatië)., Failure of empire: Valens and the Roman state in the fourth century A.D. zie hier, 2002, University of California Press, , blz. 88 Zijn vader was Gratianus de Oudere, een bekende en gerespecteerde Illyrische generaal. Zijn oudere broer Valentinianus was zeven jaar ouder. De jongens groeiden op op de landgoederen die hun vader in Africa en Brittania had gekocht. Terwijl Valentinianus voorafgaand aan zijn benoeming tot keizer een succesvolle militaire carrière had doorlopen, was dit voor Valens niet het geval. Valens bracht een groot deel van zijn jeugd op de landgoederen van zijn familie door. In de jaren 360 ging hij in het Romeinse leger. Samen met zijn broer nam hij deel aan de Perzische veldtocht van keizer Julianus de Afvallige.
Met zijn vrouw Domnica had hij twee dochters Anastasia en Carosa, alsmede een op 18 januari 366 geboren zoon en erfgenaam Valentinianus Galates. Deze zoon werd in 369 tot consul benoemd, maar stierf al kort daarna.
Valens wordt keizer In februari 364 kwam de regerend keizer Jovianus, die zich naar Constantinopel haastte om zijn claim op de troon veilig te stellen, door verstikking om het leven tijdens een overnachting in Dadastana, 100 mijl ten oosten van Ankara. Onder Jovianus' luitenants was Valentinianus, een tribunus scutariorum. Valentinianus werd op 26 februari 364 uitgeroepen tot Augustus. Valentinianus voelde dat hij hulp nodig had om het grote keizerrijk te regeren. Op 28 maart van hetzelfde jaar benoemde hij daarom zijn broer Valens tot medekeizer in het paleis van Hebdomon. De twee Augusti reisden samen via Adrianopel en Naissus naar Sirmium, waar zij hun personeel verdeelden. Valentinianus reisde vervolgens naar het Westen.
Valens verkreeg de oostelijke helft van het Rijk (Griekenland, Egypte, Syria en Anatolië tot aan de Perzische grens). Valens reisde in december 364 naar zijn hoofdstad Constantinopel.
Opstand van Procopius Valens erfde het oostelijk deel van een Romeins rijk dat zich onlangs had moeten terugtrekken uit de meeste van zijn provincies in Mesopotamië en Armenië. Dit als gevolg van een als smadelijk ervaren verdrag dat zijn voorganger Jovianus in ruil voor een veilige terugkeer van zijn leger had moeten sluiten met Shapur II van het Sassanidische Rijk. Na de winter van 365 was de eerste prioriteit van Valens om naar het oosten af te reizen in de hoop daar de situatie onder controle te krijgen en de oostelijke rijksgrens veilig te stellen. In de herfst van 365 had hij de Cappadocische stad Caesarea bereikt, toen hij vernam dat in Constantinopel een usurpator zich tot keizer had later uitgeroepen. Toen hij stierf had keizer Julianus de Afvallige één overlevend familielid achtergelaten, een neef van moederskant met de naam Procopius. Procopius was tijdens de Perzische expeditie belast met het toezicht op een noordelijke afdeling van het leger van Julianus de Afvallige. Hij was derhalve niet aanwezig geweest toen Jovianus tot diens opvolger werd benoemd. Hoewel Jovianus deze potentiële rivaal voor de troon tijdens zijn korte keizerschap tegemoet was gekomen, raakte Procopius tijdens het eerste jaar van Valens' regeerperiode steeds meer onder verdenking.
Na ternauwernood aan arrestatie ontkomen te zijn, dook hij onder. Hij kwam weer boven water in Constantinopel, waar hij op 28 september 365 in staat bleek om twee militaire eenheden op doortocht door de hoofdstad te overtuigen om hem tot keizer uit te roepen. Hoewel de eerste reactie in de stad lauw lijkt te zijn geweest, steeg Procopius snel in de gunst door effectief gebruik te maken van propaganda: hij sloot de stad af van rapporten uit de buitenwereld en verspreidde het gerucht dat keizer Valentinianus zou zijn overleden; hij begon met het slaan van munten waarop hij zich liet voorstaan op zijn connecties met de Constantijnse dynastie; deze link buitte hij verder uit door het inzetten van de weduwe Faustina en de dochter van Constantius II als pronkstukken voor zijn regime. Hiermee boekte hij enig succes, met name onder soldaten die loyaal waren aan de Constantijnse dynastie en onder oosterse intellectuelen die zich onder de Valentinianen al snel vervolgd begonnen te voelen.
Toen het nieuws kwam dat Procopius in opstand was gekomen hem bereikte, stortte Valens in. Hij dacht erover na om afstand van de troon te doen en overwoog misschien zelfs om zelfmoord te plegen. Zelfs nadat hij besloten had toch te vechten, werden Valens' inspanningen om Procopius' opstand neer te slaan, bemoeilijkt door het feit dat de meeste van zijn troepen, toen hij van de opstand vernam, de Cilicischë poort al waren doorgetrokken op weg naar Syria. Niettemin stuurde Valens twee legioenen naar het westen om met Procopius af te rekenen. Tot Valens' frustratie slaagde Procopius er echter gemakkelijk in deze legioenen over te halen om naar hem over te lopen. Later dat jaar werd Valens zelf bijna gevangengenomen in een raid in de buurt van Chalcedon. De problemen werden nog verergerd door de weigering van Valentinianus om meer te doen dan zijn eigen grondgebied tegen de troepen van Procopius te beschermen. Door het ontbreken van significant keizerlijk verzet in 365 kon Procopius grote stukken van het rijk onder zijn controle brengen. Aan het einde van jaar had hij de controle over de diocesen van Thracië en Asia.
Pas in het voorjaar van 366 had Valens genoeg troepen verzameld om Procopius effectief te kunnen bestrijden. Hij marcheerde vanuit Ancyra naar Pessinus. Vandaar trok Valens Frygië binnen, waar hij Procopius' generaal Gomoarius wist te verslaan in de Slag bij Thyateira. Daarna ontmoette hij Procopius zelf in Nacoleia, waar hij diens troepen door omkoping ervan wist te overtuigen om Procopius in de steek te laten. Procopius werd op 27 mei 366 geëxecuteerd, waarna zijn afgehakte hoofd met als eindbestemming keizer Valentinianus in Augusta Treverorum (het huidige Trier) op tournee ging door het noordelijk deel van het Romeinse Rijk.
Oorlog tegen de Goten De Goten in de noordelijke regio hadden Procopius in zijn opstand tegen Valens gesteund. Ook was Valens ervan op de hoogte dat de Goten zelf bezig waren met de organisatie van een opstand. Valens was daar logischerwijs niet erg blij mee. Deze Goten, meer specifiek de Tervingi, stonden op dat moment onder leiding van de iudex Athanarik en hadden sinds hun nederlaag tegen Constantijn de Grote in 332 blijkbaar in vreedzame co-existentie met de Romeinen geleefd. In het voorjaar van 367 stak Valens de Donau over en marcheerde hij op in de richting van Athanariks Thervingi. Dezen wachtten dit niet af en namen de wijk in de richting van de Karpaten, waardoor zij erin slaagden Valens' opmars te ontwijken. Later in de zomer stak de legermacht van Valens de Donau weer over zonder dat het tot een groot treffen met de Thervingi was gekomen. De volgende lente voorkwam een overstroming van de Donau dat Valens’ legermacht de rivier kon oversteken. In plaats daarvan hield de keizer in 368 zijn troepen bezig met de bouw van vestingwerken. In 369 stak Valens bij Noviodunum opnieuw de Donau over. Hij viel nu eerst de noordoostelijke Gotische stam van de Greuthungi aan voordat hij Athanariks Thervingi in een gevecht wist te verslaan. Athanarik pleitte nu voor onderhandelingen om een einde aan de oorlog te maken en Valens kwam hem daarin graag tegemoet. Het gesloten verdrag lijkt de relaties tussen de Goten en Romeinen zoveel mogelijk te hebben willen minimaliseren. Valens probeerde de Goten te isoleren. De handel tussen Goten en Romeinen werd zoveel mogelijk beperkt tot een klein aantal grensplaatsen en ook aan het opnemen van Gotische troepen in het Romeinse leger kwam een einde. Valens zou in de komende jaren nog de wrange vruchten van dit verlies aan mankracht plukken, want de Goten hadden in de jaren ervoor een substantieel deel van de nieuwe rekruten van het Romeinse leger uitgemaakt.
Oorlog met de Sassaniden Onder Valens' redenen om in 369 snel een haastige, en vanuit Romeinse perspectief niet geheel bevredigende vrede met de Goten te sluiten was de verslechterende stand van zaken aan de Oostelijke grens. Jovianus had veel van Romes lang betwiste aanspraken op de controle over Armenië in 363 opgegeven in zijn verdrag met Shapur II. Deze stond te popelen om van deze nieuwe kans te profiteren. De Sassanidische heerser begon met een campagne om leden van de Armeense adel over te halen om naar zijn kamp over te lopen. Uiteindelijk dwong hij het overlopen van de Arsacidische Armeense koning, Arsaces II (Arshak II) af. Na zijn overlopen arresteerde hij hem snel en liet hem in een kerker opsluiten. Shapur zond vervolgens een invasiemacht om Kaukasisch Iberië te veroveren en een tweede om Arsaces II's zoon, Papas (Pap), in het fort van Artogerassa te belegeren. Deze gebeurtenissen vonden waarschijnlijk in 367 plaats. Tegen de volgende lente was Papas er echter in geslaagd uit dit fort te ontsnappen. Hij vluchtte vervolgens naar Valens, die hij waarschijnlijk eerder had ontmoet in Marcianopolis tijdens diens campagne tegen de Goten.
Al in de zomer na zijn verdrag met de Goten stuurde Valens zijn generaal Arinthaeus om Papas opnieuw op de Armeense troon te zetten. Dit was voor Shapur de aanleiding om nu zelf Armenië binnen te vallen. Papas wist echter wederom te ontsnappen en werd in 370 door de Romeinen onder begeleiding van een veel grotere legermacht opnieuw op de Armeense troon gezet. De volgende lente werden extra legeronderdelen onder leiding van Terentius naar het noordoosten gezonden om het koninkrijk Iberia te heroveren en om in Armenië in de buurt van de berg Npat een garnizoen achter te laten. Toen Shapur in 371 in Armenië een tegenaanval uitvoerde, werd zijn leger bij Bagavan afgetroefd door Valens' generaals Trajanus en Vadomarius. Valens had zich niet langer aan het verdrag uit 363 gehouden, maar was succesvol in het verdedigen van de behaalde winsten. Een wapenstilstand die na de Romeinse overwinning in 371 werd gesloten hield en bewerkte voor de komende vijf jaar een quasi-vrede, vooral omdat Shapur werd gedwongen eerst af te rekenen met een Kushan-invasie aan zijn oostelijke grenzen van het Sassanidische rijk.
Ondertussen braken er problemen uit met de jonge koning Papas, die wat al te wild om zich heen begon te slaan. Hij had de Armeense bisschop Nerses I laten executeren en eiste de controle over een aantal belangrijke Romeinse steden, waaronder zelfs Edessa. Dat was niet de bedoeling. Op aandrang van zijn generaals en vrezend dat Papas naar de Perzen zou overlopen, liet Valens een mislukte poging uitvoeren om de prins gevangen te nemen. Toen dat niet lukte liet hij hem later in Armenië executeren. In Papas plaats, voerde Valens een andere Arsacidische heerser Varasdates (Varazdat) ten tonele, die onder de regentschap van de sparapet Mushegh I Mamikonian, een bondgenoot van Rome, in naam over Armenië heerste.