De rode reuzenkangoeroe (Osphranter rufus, voorheen Macropus rufus) is 's werelds grootste levende buideldier en het grootste inheemse zoogdier van Australië. De kop-romplengte van de vrouwtjes is tot 1,1 m met een staart tot 0,9 m. De vacht van de meeste vrouwtjes is blauwgrijs, bleker aan de buikkant. Bij de volwassen mannetjes zijn de kop en romp samen 1,4 m met een staart tot 1 m. De meeste mannetjes hebben een overwegend roodbruine vacht, bleker op de voor- en achterpoten, het gezicht en de staart. Beide geslachten hebben een brede lichtere streep op het gezicht. Bij de geboorte kruipt de blinde, haarloze baby naar de buidel van zijn moeder, waar deze zich verder ontwikkelt voordat het jong bijna acht maanden later permanent de buidel verlaat als een joey. Rode reuzenkangoeroes zijn actief van zonsondergang tot zonsopgang in kleine groepen, maar voeden zich vaak in grotere groepen. De dieren eten uitsluitend planten. Gemiddeld kan een individuele rode reuzenkangoeroe onder goede omstandigheden 15 tot 20 jaar oud worden. Ze worden door sommige boeren als een plaag beschouwd omdat ze met het vee concurreren om het gras. Deze soort is inheems in het binnenland van het vasteland van Australië, waar hij voorkomt in droge graslanden, bossen en struikgewas. Hoewel het dier regelmatig wordt geschoten voor zijn vlees en huid, is de rode reuzenkangoeroe een veel voorkomende soort waarvan het voortbestaan op dit moment niet bedreigd is en die door de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources wordt vermeld als veilig. In het Gamilaraay, een taal van aboriginals die wordt gesproken in New South Wales, wordt deze soort "Bawurra" genoemd.

Beschrijving thumb|Kop met kenmerkende witte gezichtsstreep thumb|Kleurentekening van de kop uit Mammals of Australia, Vol. II Plaat 6 uit 1863 van John Gould De rode reuzenkangoeroe heeft een korte vacht met de textuur van zachte wol, een kleine kop, grote, puntige oren, grote, zwarte ogen en een puntige staart die wordt gebruikt als steun en voor evenwicht. Nabij de punt van de staart zijn vier of meer vage donkere ringen zichtbaar. Bij beide geslachten is de snuit grotendeels licht van kleur met een opvallende zwarte vlek in het gebied van de snorharen en een brede streep die fel wit is bij de mondhoek en van daar af vervaagd tot aan het oog en verder tot het oor nog nauwelijks zichtbaar is. De neus is grotendeels haarloos en de huid is intens zwart van kleur. Zwart haar bedekt de poten en tenen. Het skelet van de rode reuzenkangoeroe heeft de relatieve afmetingen die kenmerkend zijn voor kangoeroes. De relatief kleine voorpoten hebben ongelijke tenen met sterke, matig lange, gebogen en scherpe klauwen. Bij alle kangoeroes zijn de achterpoten aangepast om te springen en zijn ze aanzienlijk langer dan de voorpoten. De smalle voet van de rode reuzenkangoeroe is de langste van alle kangoeroes en heeft vijf tenen. De grote, zware staart wordt gebruikt als evenwichtsorgaan tijdens het springen of vechten, en als een vorm van hulpledemaat als de dieren zich langzaam bewegen, waarbij eerst op beide achterpoten wordt gesteund en vervolgens op de voorpoten en staart. Bij alle kangoeroes bewegen de tanden over de jaren langzaam naar voren in de kaken en is er een brede ruimte tussen de snijtanden en de kiezen. Gemeenschappelijke kenmerken met de andere klimbuideldieren (Diprotodontia) zijn onder meer het bezit van slechts een paar, liggende snijtanden in de onderkaak en de gelijke lengte van de tweede en derde teen. Vrouwtjes zijn kleiner en lichter, gewoonlijk tussen 18 en 36 kg, 75 tot 110 cm lang met een staart van 65 tot 90 cm. De lengte van de achterpoten bij vrouwtjes is 26-33 cm, terwijl de oren met 12-15 cm bijna even groot zijn als die van de mannetjes, evenals de schedel van 15-17 cm. Bij de vrouwtjes heeft de buidel een horizontale opening aan de buikkant van het lichaam en bevat vier tepels. De melkklieren van de rode reuzenkangoeroe hebben de meest ingewikkelde bouw en functie van alle zoogdieren. De vier melkklieren en hun respectievelijke tepels reageren individueel op de ontwikkelingsfase van de bijbehorende jongen door hun anatomie en het volume en de samenstelling van de melk te veranderen. Mannetjes wegen van 45 tot 85 kg, en zijn 94-160 cm lang, exclusief de staart van 70-115 cm. De lengte van de achterpoten is 30-38 cm, de oren zijn 13-16 cm, terwijl de schedel 15-21 cm lang is. De mannetjes hebben aanzienlijk bredere schouders dan vrouwtjes en verhoudingsgewijs grotere voorpoten. Mannetjes hebben geen buidel of tepels. Er is ook variatie in lichaamsgrootte op verschillende plaatsen in het verspreidingsgebied, waarbij individuen gemiddeld groter zijn in het zuidoosten dan in de rest van Australië en houdt verband met de gemiddelde grotere neerslag en de grotere beschikbaarheid van het voedsel voor de rode reuzenkangoeroe. Zoals bij alle soorten in het geslacht Osphranter, is er verschil in de kleurpatronen van de vacht tussen mannetjes en vrouwtjes. In New South Wales en in aangrenzende gebieden van Queensland en Zuid-Australië zijn mannetjes voornamelijk rijk roodbruin, terwijl vrouwtjes meestal blauwgrijs zijn. Dit in tegenstelling tot West-Australië, waar mannetjes een lichtere roodachtige kleur hebben. De mannetjes in het noordelijke deel van de verspreiding van de soort zijn voornamelijk bleek zandrood en in Centraal-Australië, samen met sommige delen van West-Australië, heeft de meerderheid van de rode reuzenkangoeroes dezelfde roodbruine kleur, ongeacht het geslacht. Soms zijn individuen echter de kleur die normaal is voor het andere geslacht. Vrouwtjes zijn over het algemeen vuilwit op hun buikoppervlak, terwijl mannetjes vaak bleker zijn op hun buikoppervlak dan op hun rug, vooral op de keel, bovenborst en liesstreek. Bij mannetjes zijn de ledematen en staart ook bleker dan het lichaam, terwijl die bij vrouwtjes meestal vuilwit van kleur zijn.

Anatomie De algemene vorm en functie van de hormoonklieren zijn vergelijkbaar met die van andere buideldieren. Bij de rode reuzenkangoeroe is de bijnier, net als bij de mens, echter peervormig en wijkt dus of van de ovale vorm bij andere zoogdieren. Het snijvlak met de hersenschors is duidelijk geelachtig. Ernstige droogte veroorzaakt een krimp van de bijnier en de hypofyse. Vrouwtjes hebben gepaarde eierstokken, eileiders en baarmoeders, die via afzonderlijke baarmoederhalsen in de vagina uitkomen. Bij maagdelijke vrouwtjes scheidt een vlies de rechter en linker vaginale kanalen gedeeltelijk, maar dit kan verdwijnen tijdens het paren. Een geboortekanaal verbindt de vagina en de geslachtsopening om de doorgang van de foetus mogelijk te maken. In tegenstelling tot andere buideldiersoorten wordt het geboortekanaal niet afgebroken en bij elke geboorte opnieuw gevormd, maar blijft het open. In tegenstelling tot placentale zoogdieren, hebben mannelijke buideldieren de balzak voor de penis, in plaats van erachter. De penis is gevorkt, passend bij de twee vaginale kanalen van het vrouwtje. De enige bijkomende voortplantingsklieren bij de mannetjes zijn de prostaat en de Cowperse klieren. De teelballen zijn 2,5–5 °C koeler dan het lichaam doordat het bloed door een kluwen van slagaderen en aderen (een zogenoemde rete mirabile) stroomt en zo het bloed richting teelballen gekoeld wordt aan het bloed dat vanuit de teelballen weer terugstroomt naar het lichaam. Dit kluwen van vaten bestaan uit ongeveer 95 slagaders en zo’ n 75 aders. Het sperma stolt kort na de ejaculatie tot een plug om bevruchting door andere mannetjes te voorkomen. De huid van de rode reuzenkangoeroe bestaat bijna volledig uit een papillaire laag, terwijl de reticulaire laag bijna afwezig is. Haarzakjes zijn voorzien van talg- en zweetklieren en worden gescheiden van de huidspier door een dunne laag bindweefsel. De vacht heeft ongeveer 60 vezels per mm2 en isoleert het dier effectief tegen zowel warme als koude temperaturen. De haardichtheid is het hoogst midden op de rug, op de schouders en op de dijen, met zo'n 120 haren per mm2. In tegenstelling tot andere kangoeroes lijkt de vacht van de rode reuzenkangoeroe op de textuur van zachte wol. Er wordt over het algemeen twee keer per jaar geruid. De vacht reflecteert zonnestraling, wat beschermt tegen oververhitting in de zomer. Een roodbruine vacht zoals ongeveer 80% van de mannetjes die heeft reflecteert 30-60% meer zonnestraling dan een blauwgrijze vacht zoals twee derde van de vrouwtjes die heeft. De schedel van de rode reuzenkangoeroe is gemiddeld 14,6 cm lang, 7,4 cm breed en 7,1 cm hoog. De tandformule van de volwassen rode reuzenkangoeroe is , dat wil zeggen drie snijtanden, geen hoektanden, twee valse kiezen en vier ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en een snijtand, geen hoektanden, twee valse kiezen en vier ware kiezen in elke helft van de onderkaak. Dit is gelijk aan de tandformule van de andere kangoeroesoorten. Het enige paar onderste snijtanden staat recht naar voren gericht en niet naar boven, een gemeenschappelijk kenmerk van de klimbuideldieren. Eerst verschijnen twee melkkiezen, gevolgd door de voorste volwassen kies. Naarmate de kangoeroe ouder wordt, blijven kiezen doorkomen totdat het volledige aantal van vier (soms vijf) is bereikt. De twee melkkiezen vallen uiteindelijk ongeveer tegelijkertijd uit en worden vervangen door een valse kies, terwijl de hele rij kiezen daarachter naar voren schuift over de kaakrand. De wervelkolom bestaat uit 7 nekwervels, 13 borstwervels, 6 lendenwervels, 2 heiligbeenwervels en 21-25 staartwervels, 49-53 wervels in totaal. Het dier heeft lange, smalle achterpoten die zijn aangepast om te springen. Het dijbeen, scheenbeen, kuitbeen en de voetbeenderen zijn langwerpig. De pezen bij de enkel zijn in staat grote krachten te weerstaan en veel elastische spanningsenergie op te slaan, waardoor de achterpoten tijdens het springen als veren werken. De knieschijf is afwezig, terwijl het hielbeen goed ontwikkeld en langwerpig is. Door de vorm van de gewrichten van het enkelbeen met het scheenbeen en het hielbeen kan de voet alleen heen en weer bewegen, maar niet zijwaarts draaien. De grote teen is afwezig. De tweede en derde teen zijn met elkaar vergroeid en worden gebruikt bij de huidverzorging. De vierde teen is erg groot en heeft een zware klauw, terwijl de vijfde teen kleiner maar vergelijkbaar is met de vierde.

Ontwikkeling thumb|Pasgeboren jong dat naar de buidel klimt thumb|Jong aan het begin van het verblijf in de buidel thumb|Jong van ongeveer 50 dagen oud thumb|Joey thumb|Kleurentekening door C.E. Swan uit Frank Finn: The wild beasts of the world (1909) In tegenstelling tot bij placentadieren vindt bij buideldieren alleen de eerste fase van de ontwikkeling plaats in de baarmoeder, terwijl de verdere groei en ontwikkeling in de buidel plaatsvindt. Een vrouwtje dat geen buideljong draagt, begint 24 uur of langer voor de bevalling aan de buidel te likken om de bruinzwarte schubben die de binnenkant van de buidel bedekken te verwijderen. Vlak voor de bevalling wordt het likken van de buidel intenser. Bij de bevalling neemt de moeder een karakteristieke geboortehouding aan waarbij de geslachtsopening zich direct onder de buidel bevindt. De staart wordt tussen de achterpoten gehouden en het gewicht wordt op de basis van de staart gedragen, terwijl de romp naar voren helt. Het vrouwtje kan haar rug ook steunen tegen een boom, muur of ander hard voorwerp. Deze positie wordt aanvankelijk 2 tot 12 uur voor de geboorte ingenomen en kan meerdere keren worden aangenomen voordat de geboorte plaatsvindt. Het vrouwtje eet over het algemeen de dooierzak op die wordt uitgedreven na de babykangoeroe en likt ook alle vloeistof op die uit de geslachtsopening komt of die door de nieuwgeborene op de vacht is achtergelaten. Ze kan tot een uur na de geboorte in de geboortehouding blijven, rond de geslachtsopening en de aan de binnenkant van de buidel likken om de vacht schoon te maken.