miniatuur|Detail van de school van Athene, Rafaël, 1509

Hypatia (Oudgrieks: , Alexandrië, ca. 350-370 – aldaar, maart 415) was een Griekse wiskundige, filosofe en astronome. Ze wordt ook wel de eerste vrouwelijke wiskundige genoemd. Ze leefde in Alexandrië, in Egypte, en doceerde wiskunde en neoplatonische filosofie.

Hypatia werd door de eeuwen heen op verschillende manieren gezien. Voor de klassieke oudheid stierf Hypatia als de kampioen van traditionele religie en filosofie, die het slachtoffer werd van een vijandig gezind, christelijk regime.E.J. Watts (2017), Hypatia, p.4 Tijdens de Verlichting werd ze gezien als de laatste verdediger van de antieke wereld, toen de klassieke rationaliteit werd overheerst door bijgeloof. In de twintigste eeuw werd ze, bij het dagen van een nieuwe tijd, gezien als voorvechtster van de onafhankelijkheid van vrouwen, tegen een patriarchaat dat de sociale rol van vrouwen en hun carrièremogelijkheden beperkte.

Zij werd aan stukken gereten door een menigte christenen, waarschijnlijk Parabolani. Sommigen beweren dat de patriarch Cyrillus van Alexandrië daar de hand in had.

Cyrillus kwam in conflict met de Romeinse gouverneur Orestes, nadat Cyrillus jarenlang tegenstanders onder Alexandrijnse groeperingen probeerde uit te schakelen.E.J. Watts (2017), Hypatia, p.1-3 Een poging om de gouverneur te intimideren met 'de taal van de straat' door een menigte monniken naar Alexandrië te sturen, was mislukt en bracht de stad op de rand van chaos. Hypatia was al bijna vijfendertig jaar de 'leidende denker' in Alexandrië. Met alleen de waarheid voor ogen en zonder eigenbelang, zonder 'formele autoriteit', waren filosofen het van oudsher gewoon zich alleen met het politieke leven van een stad in te laten, als dit het rechtvaardig regeren ten goede kwam. Met Hypatia aan zijn zij, leek gouverneur Orestes de redelijke partij in dit conflict. Cyrillus' christelijke getrouwen zagen in haar echter een heks, die met haar bezweringen voorkwam dat Orestes en Cyrillus tot een oplossing kwamen. Petrus, een lid van de Alexandrijnse kerk, leidde in maart 415 een menigte aanhangers van Cyrillus door de stad. Zij kwamen Hypatia op het spoor en vermoordden haar op brute wijze. De hele christelijke en niet-christelijke, klassieke wereld reageerde geschokt. Weinig mensen buiten de kring van Petrus en zijn volgelingen begrepen waarom de bende het op Hypatia had gemunt.

Bronnen Over Hypatia's leven is slechts weinig bekend en niet alle bronnen zijn even betrouwbaar.

In de eerste plaats moet het aan haar gewijde artikel in de Suda, een encyclopedie uit de tiende eeuw, de tijd van het Byzantijnse Rijk, worden vermeld. Veel hierin komt echter uit tweede hand en is geromantiseerd.

Betrouwbaarder is mogelijk de informatie, die haar tijdgenoot Socrates Scholasticus biedt in zijn Kerkgeschiedenis, Historia ecclesiastica, VII 15. Volgens Scholasticus had het conflict tussen Cyrillus en Orestes, dat leidde tot de moord op Hypatia in 415, te maken met Cyrillus' aanpak van de novatianen. Hij zag daarin een parallel met Innocentius I, bisschop van Rome, die de novatianen hun kerken afnam, waarna Alarik I in 410 Rome veroverde. Constantinopel was een dergelijk rampzalig lot bespaard gebleven, omdat bisschop Atticus zich mild tegenover de novatianen gedroeg.

Rond het midden van de zesde eeuw werd Scholasticus' verhaal over Hypatia door Cassiodorus opgenomen in de Latijnse Historia Tripartita. Rond dezelfde tijd vermeldde Johannes Malalas uit Antiochië en Constantinopel de moord op Hypatia, die hij 'een oude vrouw' noemde. Zijn tekst werd slechts in een 'epitome', een uittreksel, bewaard. De 6e-eeuwse historicus Hesychius van Miletus volgde deze traditie in zijn Onomatologus over de belangrijkste Griekse denkers.

De derde belangrijke bron zijn brieven van de bisschop Synesius van Cyrene, die haar leerling was en haar ook later nog graag raadpleegde. Er zijn 156 brieven van na zijn studietijd (390-395), uit de periode 395 tot aan zijn dood in 413 bewaard. Daarvan zijn er zeven aan Hypatia geadresseerd en vele anderen aan medeleden van de hechte kring om Hypatia.

Dan is daar het Leven van Isidore, samengesteld tussen 517 en 526, van de filosoof Damascius, waarin de schrijver Hypatia beschrijft om haar met zijn leermeester Isidore, die hij beter vindt, te vergelijken. De originele tekst is verloren gegaan en minder dan vijftig procent is in verspreide fragmenten bewaard in de Bibliotheke van de patriarch van Constantinopel Photius I en het Griekse lexicon Suda. Behalve Socrates Scholasticus schreef zijn tijdgenoot, de niet-niceense historicus Philostorgius, een hoofdstuk over Hypatia, dat alleen in een epitome werd bewaard, waarschijnlijk geschreven door een niceense bisschop in het 9e-eeuwse Constantinopel.

Johannes van Nikiu, de bisschop van Nikiu, schreef ten slotte in Egypte eind zevende eeuw een Kroniek, waarin hij Cyrillus van de moord op Hypatia vrijpleit en zegt dat het haar eigen schuld was. De tekst was compleet onbekend aan Byzantijnse schrijvers. De tekst is alleen in een Ethiopische vertaling overgeleverd, die op zijn beurt pas in 1879 werd vertaald en in Europa bekend werd. Hypatia werd in Koptische geschriften daarna nooit meer in verband met Cyrillus genoemd.

Alle latere artikelen over haar baseren zich op deze bronnen.

Leven en werk Geboorte en opleiding Hypatia werd rond 355 geboren als dochter van de wiskundige en filosoof Theoon van Alexandrië, die als geleerde aan het Mouseion, aan de Bibliotheek van Alexandrië was verbonden en een eigen school had. Haar vader Theoon leidde haar op in de wiskunde en literatuur. Ze zal ook grammatica en retorica hebben geleerd. De progymnasmata waren oefeningen, die die twee vakken overbrugden. Later breidde ze haar studie verder uit naar filosofie, astronomie en muziek.

De wiskunde en filosofie waren in de Oudheid aan elkaar verbonden. Platonische filosofen onderwezen vaak wiskunde om leerlingen op de studie van Aristoteles en Plato voor te bereiden. Filosofiestudenten bestudeerden Aristoteles' Organon en Plato's serie dialogen met als doel in de praktijk 'filosofische deugden' te ontwikkelen. Hetzelfde programma werd waarschijnlijk ook bij de studie wiskunde gevolgd. De wiskundige Pappus uit Alexandrië schreef begin vierde eeuw zijn Collectio in acht boeken, onder meer over de rekenkunde, meetkunde, astronomie en mechanica.

Filosoof en wiskundige De vierde eeuw was een revolutionaire tijd voor het intellectuele leven van Alexandrië. Wiskundigen en filosofen werkten aan een filosofisch systeem, dat filosofische ideeën over goddelijkheid met theorieën over 'nummers' verenigde, maar al sinds Ptolemaeus debatteerden zij er over of de wiskunde dan wel de filosofie leidde tot het hoogste niveau om de 'waarheid' te begrijpen. Bij de discussies was dan ook vereist dat beide partijen elkaars bronnen kenden. Nicomachus van Gerasa was een wiskundige en Numenius een filosoof uit het einde van de tweede eeuw, die het gesprek moeilijker maakten, door opnieuw belangstelling te wekken voor het Pythagorisme, de leer van Pythagoras, een filosofisch systeem met wiskundige wortels. Plato was volgens Numenius' filosofische geschiedenis een Pythagoreër en waren het Platonisme en de Academie sinds Plato's overlijden van haar Pythagorese principes afgedwaald. Numenius wilde het Platonisme weer naar zijn ware oorsprong terugbrengen.

Nicomachus van Gerasa vond ook dat wiskunde en Platonische filosofie 'inherent complementair' aan elkaar waren, de een kon niet zonder de ander. Hij had bewondering voor Pythagoras en schreef een biografie over hem. Intellectuelen uit de derde en vierde eeuw probeerden de nieuwe belangstelling voor Pythagoras' systeem uit te werken, maar de filosofen in Alexandrië hielden zich afzijdig. Plotinus kwam naar Alexandrië en was zeer teleurgesteld in het onderwijs dat hij er ontving en wendde zich daarom tot de buitenstaander Ammonius Saccas. Ammonius Saccas was een onconventionele filosoof die een wijsgerig stelsel onderwees, dat van Numenius was afgeleid. Aangezien het intellectuele establishment in Alexandrië, vooral de wiskundigen onder hen, niet open stond voor Ammonius Saccas' 'neoplatonisme', begon Plotinus zijn eigen school in Rome. Origenes, een student van Ammonius Saccas, schreef een werk dat door de wiskundige Pappus werd bekritiseerd. Theoon, Hypatia's vader, was een jongere tijdgenoot van Pappus met een eigen school, die eveneens filosofie een plek gaf onder het niveau van wiskunde. Hypatia was uitmuntend in de wiskunde, maar gaf in tegenstelling tot haar vader juist de prioriteit aan de filosofie! Dat maakt haar zo bijzonder in de tijd waarin zij leefde. Ze was op haar dertigste al een formidabele intellectuele kracht in Alexandrië.

Hypatia had meer talent dan haar vader en kon zich verder ontwikkelen dan hij. Ze nam op jonge leeftijd in de jaren 80 van de vierde eeuw zijn plaats aan zijn school in. Haar vader deed vrijwillig een stap terug, maar bleef als een soort professor emeritus aan de school verbonden. Hypatia verzamelde een kring van leerlingen om zich heen, die zij bij haar thuis onderwees. Wellicht ging het hierbij om een soort van filosofisch-literaire salon, zoals die ook in vooral de achttiende en negentiende eeuw bestonden. Haar tijdgenoot, de christelijke historicus Socrates Scholasticus, schetst het volgende portret van haar in zijn Kerkgeschiedenis:

Er wordt over haar onderricht meer dan eens vermeld, dat astronomische instrumenten of het gebruik ervan, het onderwerp van haar voordrachten waren. Het kan daarom worden vermoed dat zij op die manier, door visuele experimenten op haar toehoorders indruk maakte. Dit betekent dus dat zij eerder natuurwetenschap bedreef dan klassieke speculatieve filosofie.

School De school bood onder Hypatia een meer allesomvattende instructie in de leer van Plato, Aristoteles en andere filosofen aan. Het doel van een filosofische opleiding was in de vierde eeuw een goed georganiseerde ziel te vormen, zodat de filosoof een hechte band met het goddelijke kon krijgen. Het ging er om teksten te begrijpen en het leven te organiseren naar de deugden die ze onderwezen. Een student in Hypatia's school kon zowel wiskunde, astronomie, aristotelische logica als platonische theologie leren. Hierdoor werd het verband tussen wiskunde en filosofie beter begrepen. Het werk van Alexander van Aphrodisias hielp de leerlingen om Aristoteles in het licht van Plato te begrijpen en ze werden bekend gemaakt met pythagorese concepten. Het Leven van Plotinus, rond 300 door diens leerling Porphyrius geschreven, werd gelezen, ter introductie van Plotinus' verzamelde werken, waaronder waarschijnlijk ook de Enneaden.

Alexandrië was op dat moment het meest vooraanstaande centrum van wiskunde en wetenschappelijk onderzoek in het gebied om de Middellandse Zee en Hypatia wist er de balans ten gunste van de filosofie te verleggen. Zij combineerde de gestrengheid van de Alexandrijnse wiskunde met de verfijning van het neoplatonisme van Plotinus en Porphyrius. Ze was zowel de laatste wiskundige in de traditie van Pappus als de eerste neoplatonist, die door het Alexandrijnse, intellectuele establishment werd geaccepteerd. Door de nadruk op contemplatie van het goddelijke, was de school gewild onder christenen, zoals haar leerling Synesius getuigd. Christenen waardeerden het Iamblichaanse neoplatonisme niet, wegens de theürgische, heidense praktijken die er werden toegepast om dichter bij het goddelijke te komen.