Het hertogdom Brabant vormde, vanaf de hoge middeleeuwen tot aan de negentiende eeuw, een in grootte wisselend grondgebied in de Lage Landen. Op basis van het feodale stelsel was het in bezit van, en werd bestuurd door, leenheren van de Duitse keizer, de Franse koning of keizer of het aartsbisdom Keulen. Door de eeuwen heen ontwikkelde zich hier een belangrijke en invloedrijke bestuurlijke en culturele eenheid in de Nederlanden.

In 977 kreeg Karel, een jongere zoon van Lodewijk IV van West-Frankrijk, het hertogdom Neder-Lotharingen als benificium van de Duitse keizer Otto II.

Waar een heerweg uit de Romeinse tijden langs rivier de Zenne liep, bouwde hij een verdedigingspost van het Rijk der Oostelijke Franken. Hij zocht steun bij Reinier van Henegouwen en diens broer Lambert I die graaf in Leuven werd. In de elfde eeuw bestond het gebied uit talloze hertogdommen en graafschappen, het graafschap Leuven zou uitgroeien tot het hertogdom Brabant. Hendrik I van Brabant legde de basis voor de ontwikkeling en bloei van de middeleeuwse Brabantse steden. Hij verleende ‘s-Hertogenbosch, Oisterwijk, Sint-Oedenrode, Eindhoven, Helmond en Brussel stadsrechten.

Het hertogdom Brabant besloeg op een gegeven moment het grondgebied van de drie huidige Belgische provincies Vlaams-Brabant, Waals-Brabant, Antwerpen plus het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en het overgrote deel van de hedendaagse Nederlandse provincie Noord-Brabant. Verder stonden ook de zogenaamde Landen van Overmaas (ongeveer het huidige Nederlandse Zuid-Limburg) onder het gezag van de hertog van Brabant, alsook het nu Duitse Herzogenrath.

De vlag van België is gebaseerd op de kleuren van het wapen van de hertog van Brabant: zwart, geel en rood. Het nationaal volkslied staat in België bekend als De of La Brabançonne.

Het hertogdom bestond van 1183 tot 1795 en vormde het hart van de Nederlanden. De belangrijkste steden in het hertogdom waren Brussel, Antwerpen, Leuven, 's-Hertogenbosch, Tienen, Diest en Lier. De stad Mechelen maakte deel uit van de heerlijkheid Mechelen, een enclave in het hertogdom Brabant. Na de Nederlandse Opstand tegen het Habsburgse gezag en de vorming van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd Staats-Brabant afgesplitst van het hertogdom.

Naam Brabant was oorspronkelijk de naam van de Karolingische gouw (pagus Bracbatensis), die zich uitstrekte tussen de Schelde en de Dijle. De naam Brabant is een afgeleide van braecbant. Dit is een samenstelling van braec, wat 'broek' of 'drassig land' betekent, en bant, wat 'streek' betekent.Ons Baarle, een bijzonder dorp. Bouwstenen voor de geschiedenis van Baarle. Henricus Joosen. 1946 Een latere legende vermeldt dat de naam Brabant is afgeleid van de Romeinse soldaat Silvius Brabo, die in Antwerpen de reus Antigoon (tegenstrever) zou hebben gedood.

De Brabantgouw bestond mogelijk al in de 7e eeuw. Zij was onderdeel van het hertogdom Lotharingen en vanaf 959 van Neder-Lotharingen. Het landgraafschap Brabant was van 1085 tot 1183 een Duits rijksleen dat zich ruwweg tussen de Dender en de Zenne situeerde. Hoewel dit gebied niet de oorsprong en de kern van het latere hertogdom vormde, was het wel de naamgever ervan. Het landgraafschap zou opgedeeld worden in Rijks-Vlaanderen (waaronder het land van Aalst), West-Brabant (waaronder het Pajottenland) en het noorden van Henegouwen. Vanaf 1183 is Brabant de naam van een hertogdom in het westen van het Heilige Roomse Rijk.

Territoriale vorming van het hertogdom

Het hertogdom Brabant ontstond uit de vereniging van verscheidene graafschappen en voogdijgebieden: het graafschap Leuven, allodiaal stamgraafschap van de Reiniers het graafschap Brussel, deel van de Brabantgouw tussen Zenne en Dijle (bruidsschat van Gerberga van Neder-Lotharingen, dochter van hertog Karel van Neder-Lotharingen, voor huwelijk met Lambert I van Leuven, stamvader van de Leuvense gravendynastie, omstreeks 1000) het voogdijgebied van de abdij van Gembloers, wellicht al in de 10e eeuw onder voogdij van de Lambert I van Leuven het voogdijgebied van de abdij van Nijvel, mogelijk tijdens de 11e eeuw onder voogdij Lambert I van Leuven, maar pas begin 13e eeuw formeel bevestigd onder Hendrik I van Brabant. het landgraafschap Brabant, deel van de Brabantgouw tussen Dender en Zenne (na de dood van paltsgraaf Herman II van Lotharingen omstreeks 1085/1086 door Hendrik III van Leuven in rechtstreeks leen gekregen van keizer Hendrik IV, ontheven van het gezag van de hertog van Neder-Lotharingen). Dit rijksleen werd omstreeks 1183/1184 verheven tot hertogdom Brabant ten gunste van hertog Hendrik I van Brabant. het markgraafschap Antwerpen met de steden 's-Hertogenbosch en Breda die in 1106 verworven werden door Godfried I van Leuven als hertogelijke ambtslenen van keizer Hendrik V Maastricht, sinds 1204 half Brabants, verworven door Hendrik I van Brabant, half Luiks; vandaar: tweeherigheid van Maastricht het hertogdom Limburg en de landen van Overmaas 1244 het graafschap Dalhem veroverd van de graaf van Dalhem, Dirk van Hochstaden door Hendrik II van Brabant 1288 hertogdom Limburg en land van 's-Hertogenrade veroverd in de Slag bij Woeringen door Jan I van Brabant 1365-1378 het land van Valkenburg, verworven door Wenceslaus I van Luxemburg De Staten van Limburg en de Landen van Overmaas hadden vanaf 1473 een eigen delegatie in de Staten-Generaal van de Nederlanden. De meest oostelijke bezittingen Kerpen en Lommersum stonden onder direct Brussels bestuur.

De Brabantse ontstaanslegenden De Brabantse landsheerlijke kronieken (14e-15e eeuw) trachten de origines van de hertogen naar een voor hun politieke rivalen onovertrefbaar verleden te laten teruggrijpen. Op de (aanvaardbare) afstamming van Karel de Grote werd verder gebouwd om de hertogelijke genealogie in de oudheid te laten aanvangen: Volgens een 14e-eeuwse genealogie stammen de hertogen van Brabant af van koning Priamus van Troje. Als variant op die bron, ontstond een kroniek waarin een Romeins senator als de stamvader wordt beschouwd. Een kroniek uit de 15e eeuw wil dan weer dat de naam "Brabant" afkomstig is van de Romeinse soldaat Silvius Brabo.

Geschiedenis Voorgeschiedenis In de Romeinse tijd was het gebied gelegen in de Romeinse provincies Belgica en Germania Inferior en bewoond door de Belgae, die zowel van Keltische als Germaanse oorsprong waren. Aan het einde van de Romeinse periode werden ze veroverd door de Germaanse Franken. Toen dit rijk in 843 gesplitst werd door het Verdrag van Verdun, kwam het latere hertogdom in Midden-Francië te liggen. In 855 werd dit Frankische middenrijk opnieuw gedeeld. Het noordelijke deel werd het rijk van Lotharius II. Bij het Verdrag van Meerssen was er sprake van de Brabantgouw die hierbij aan West-Francië werd overgedragen (Karel de Kale). Hierbij was ook al sprake van vier deelgraafschappen, waarvan één Brussel (of Ukkel). Tien jaar later gaat het gebied bij het Verdrag van Ribemont (880) echter naar Oost-Francië, tezamen met de rest van Lotharingen. Het gebied zou tot 1549 deel blijven uitmaken van het Oostelijke Frankische Rijk (vanaf de tiende eeuw het Duitse Keizerrijk of Heilige Roomse Rijk).

Ontstaan van het hertogdom Brabant

Het hertogdom Brabant stamt af van het graafschap Leuven en het geslacht Reiniers met als stamvader Giselbert I van Maasgouw (825-885), een belangrijke adellijke familie die streed om de macht in het hertogdom Lotharingen. Nadat Reinier III van Henegouwen verslagen werd in zijn ambitie hertog van Lotharingen te worden en werd verbannen, slaagde zijn zoon Lambert I van Leuven (950-1015) samen met zijn broer Reinier IV de bezittingen te heroveren en werd door keizer Otto II als eerste graaf van Leuven aangesteld. Zijn broer werd graaf van Bergen. Rond het jaar 1000 komt het graafschap Brussel middels een huwelijk in handen van de graven van Leuven.

In 1106 kreeg Godfried van Leuven (Godfried met de Baard) na het verwerven van Antwerpen de hertogelijke waardigheid over Neder-Lotharingen en werd tegelijk markgraaf van Antwerpen en landgraaf van Brabant, een leen van de Rooms-Duitse keizer Hendrik V. De machtsuitbreiding ging niet zonder slag of stoot, want in 1139 braken de Grimbergse Oorlogen uit, een strijd tussen Brabant en de heren van Grimbergen en Berthout die zich uitstrekte over twintig jaar.

Pas na 1183 (inmiddels had ook de verwerving van het graafschap Aarschot plaatsgehad) werd het landgraafschap Brabant zelf een hertogdom onder Hendrik I van Brabant. Zijn vader Godfried, hertog van Neder-Lotharingen, onderscheidde zich bij de verdediging van de stad Jeruzalem tegen Saladin. Als beloning verhief keizer Frederik I Barbarossa het landgraafschap tot hertogdom. In 1190, enkele dagen na de dood van Godfried III van Leuven werd tijdens een landdag in de abdij Comburg (Schwäbisch Hall) het hertogschap van Neder-Lotharingen gezagsloos verklaard, maar behielden de graven van Leuven het recht om het hertogelijke gezag uit te oefenen enkel binnen de door hun gecontroleerde graafschappen en voogdijgebieden. Hendrik voerde pas vanaf 1235 ook daadwerkelijk de titel "hertog van Brabant".Doornmalen, A.G.J. (2017) De Herlaars in het Midden-Nederlandse rivierengebied (ca. 1075 - ca. 1400), p. 29 (proefschrift)

In de 12e en vooral de 13e eeuw kenden de hertogen stadsrechten toe (doorgaans 'vrijheden' genoemd) waardoor individuele steden verregaande bevoegdheden verwierven.Overzicht in Philippe Godding, "Le pouvoir urbain en Brabant au Moyen Age" in: Wavre, 1222-1972. 750e anniversaire des libertés communales, 1973, p. 95-122

13e eeuw thumb|Hertogdom Limburg en de Landen van Overmaas Verdere uitbreidingen gingen vooral naar het oosten, om controle te krijgen over de landweg tussen Brugge en Keulen. In 1204 sloot koning Filips van Zwaben vrede met Hendrik I van Brabant. Hendrik verkreeg voogdij over het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht en een gedeelte van Maastricht, het noordelijkste (vaste) bruggenhoofd over de Maas. Het andere gedeelte van Maastricht bleef in handen van de prins-bisschop van Luik. Zo was Maastricht tot aan de Franse tijd tweeherig; enerzijds stond het onder gezag van de hertog van Brabant en de latere Staten-Generaal, anderzijds dat van de prins-bisschop van Luik. In de eeuwen daarna vindt er geleidelijk meer gebiedsuitbreiding plaats in het gebied tussen Maas en Rijn. Dat Luik hier niet blij mee is, blijkt uit de bijna twee eeuwen voortslepende Luiks-Brabantse oorlogen. In 1239 versloeg Hendrik II van Brabant, de graaf van Dalhem, Dirk van Hochstaden, en in 1244 liet deze het graafschap Dalhem over aan de hertog.

In 1267 werd Jan I van Brabant de nieuwe hertog en verhuisde de hoofdstad van het hertogdom Brabant van Leuven naar Brussel. Jan I was een krachtige heerser die zijn gebied aanzienlijk vergrootte. Zijn pogingen de Brabantse invloed tussen Maas en Rijn te versterken brachten hem onder meer in botsing met de machtige aartsbisschop van Keulen. Zijn belangrijkste aanwinst was het hertogdom Limburg, (samenvallend met het noordoosten van de huidige Belgische provincie Luik en een deel van de Voerstreek, en genoemd naar de burcht Limburg aan de Vesder) en de Landen van Overmaas, samenvallend met het zuiden van de huidige Nederlandse provincie Limburg. Toen de kinderloze hertogin Irmgard van Limburg in 1283 overleed, kocht Jan I het opvolgingsrecht van een van haar erfgenamen. Dat was niet naar de zin van haar weduwnaar Reinoud I van Gelre. Het verzet werd echter tijdens de Slag bij Woeringen (nabij Keulen, 5 juni 1288) gebroken, waarna het hertogdom Limburg definitief aan Jan I werd toegewezen.

14e eeuw