Simon Johannes Carmiggelt was een Nederlands journalist, columnist, schrijver en dichter. Onder het pseudoniem Kronkel publiceerde hij bijna veertig jaar vrijwel dagelijks een column, cursiefje genoemd, in dagblad Het Parool, waarin hij gewone zaken op verrassende wijze omschreef, met oog voor humor in het verschil tussen ideaal en werkelijkheid. In de loop der jaren werd de schrijfstijl soberder en de humor treuriger. De selectie in jaarlijkse bundels en zijn voordrachten voor de televisie leverden hem een grote populariteit op. Cabaretteksten schreef hij voor onder meer Wim Kan en Wim Sonneveld, waaronder Sonnevelds conferences Croquetten en De jongens. In 1961 werd Carmiggelt de Constantijn Huygens-prijs toegekend en in 1977 de P.C. Hooft-prijs voor het jaar 1974.

In de jaren 70 genoot hij tevens enige bekendheid als tv-persoonlijkheid door zijn korte wekelijkse uitzendingen van de VARA van de serie Kronkels (tevens de titel van zijn cursiefjes in dagblad Het Parool), waarin hij voorlas uit eigen werk. Een aantal door hemzelf voorgelezen teksten is ook uitgegeven op vijf grammofoonplaten.

Kenmerkend voor Carmiggelt was dat hij graag de rol aannam van observator. Hij deed zich voor als de man die vanaf de zijlijn, minzaam peinzend, het menselijk tekort beschouwde en beschreef in fijnzinnige verhaaltjes met een tragikomische strekking. De ironie van zijn zinswendingen, de beeldende kracht van zijn metaforen en de melancholieke toonzetting van zijn humor maakten hem tot de afstandelijke waarnemer, die altijd alles in evenwicht leek te hebben. Pas de postume onthulling van zijn verhouding met Renate Rubinstein deed vermoeden dat hij ook een andere kant had, die grotendeels onbelicht bleef.

Loopbaan Carmiggelt leerde in zijn geboortestad Den Haag het journalistenvak als medewerker van de schoolkrant en van 1930-1932 als onbetaalde kracht (volontair) bij Het Vaderland. Eind 1931 werd hij aangenomen bij de Haagse editie van Het Volk. Daar werkte hij onder leiding van de latere hoofdredacteur Klaas Voskuil. Naast toneelrecensies en verslagen van kleine rechtszaken schreef hij vanaf 1936 de rubriek Kleinigheden, de voorloper van de Kronkels. Hij versloeg de bijeenkomsten van de NSB, omdat de krant de ware aard ervan wilde tonen. Op 6 september 1939 trouwde hij met Tiny de Goey, zwanger van dochter Marianne. In 1940, vlak voor het uitbreken van de oorlog, verscheen zijn eerste boek, Vijftig dwaasheden, een selectie uit Kleinigheden. Vanaf juli 1940 bepaalde de bezetter de koers van de krant en namen Carmiggelt en zijn broer Jan ontslag. Nog hetzelfde jaar werd hij persagent van het Residentie Tooneel. In juli 1941 accepteerde hij zijn ontslag als enige medewerker die weigerde de Ariërverklaring te tekenen. Hij schreef de detectiveroman Johan Justus Jacob om een uitgeverij te helpen waar Joden werkten die elders ontslagen zouden worden. Verder hield hij zich met allerlei baantjes in leven.

In 1942 werd zoon Frank geboren en begon de door vrienden opgerichte illegale krant Het Parool te verschijnen. Hoewel Carmiggelt een gezin had, werkte hij eraan mee. In 1943 kwam zijn in het verzet actieve broer Jan om in kamp Vught. Daarop raakte Carmiggelt nauwer betrokken bij de krant en nam hij de druktechnische verzorging op zich. Toen Den Haag hem te gevaarlijk werd, verhuisde hij naar de Amsterdamse Reguliersgracht en later naar de Egelantiersgracht, waar hij de hongerwinter en de bevrijding meemaakte. Omstreeks de bevrijding verhuisden de Carmiggelts naar een flat aan het Eerste Weteringplantsoen. Nadien bleef hij verbonden aan de nu legale krant. Vanaf 24 oktober 1946 verzorgde hij onder de naam Kronkel een dagelijks cursiefje dat snel populair werd en decennialang de identiteit van de krant mee bepaalde. Ook kreeg Carmiggelt de leiding over de kunstrubriek en hij schreef toneel- en filmrecensies. Zijn cursiefjes verschenen aanvankelijk drie keer per week, later elke dag. De eerste Kronkel verscheen op 25 oktober 1946 en tot aan zijn dood in november 1987 zijn er ruim 10 000 verschenen. Een selectie van 50 stukjes werd elk jaar door De Arbeiderspers in boekvorm uitgegeven. Soms werden de bundels geïllustreerd door vrienden-tekenaars als Peter Vos, Charles Boost, Otto Dicke en Peter van Straaten.

Carmiggelt was goed bevriend met Wim Kan, maar de bekende, op zijn Kronkels gebaseerde conferences zijn van Sonneveld. In 1956 was Carmiggelt, die toen al aan het VARA-cabaret op de radio meewerkte, voor het eerst op de televisie te zien, waarop hij vanaf 1965 met regelmaat Kronkels voordroeg, die een allengs minder vrolijke en meer sombere aard kregen. Van 1971 tot 1975 onderhield hij een correspondentie met Gerard van het Reve. In 1972 stortte hij mentaal en fysiek ineen en moest hij stoppen met drinken. Toen hij zijn cursiefjes weer hervatte, bleek hij de pointe als vaste afsluiter te hebben losgelaten. In 1977 werd hem de P.C. Hooft-prijs voor 1974 toegekend en uitgereikt.

Na het behalen van de pensioengerechtigde leeftijd in 1978 bleef Carmiggelt aanvankelijk nog zes keer per week in de krant staan. In 1980 halveerde hij de frequentie en ten tijde van zijn laatste Kronkel, in 1983, stond hij nog maar eens per week in de krant. In deze periode bloeide een liefde op tussen Carmiggelt en columniste Renate Rubinstein van Vrij Nederland. In de laatste jaren van zijn leven schreef hij niet meer. In 1987 werd bij hem diabetes vastgesteld. Hij overleed in november van dat jaar aan een tweede hartaanval, enkele weken nadat een eerste hem al verzwakt had.

In de loop der jaren ontwikkelde Carmiggelt zich als prozaïst; volgens criticus Kees Fens gaf hij in zijn beste werk de schijnbaar eenvoudige verhaaltjes een geraffineerde constructie en afgewogen formuleringen mee. Het is aan het mededogen en inlevingsvermogen van de auteur te danken dat het contrast tussen ideaal en werkelijkheid waarmee zijn personages zich geconfronteerd zien, verhalen opleverde die in al hun treurigheid vaak – met name in de middenperiode van zijn oeuvre – 'verscheurend humoristisch' zijn.Fens (2004), 66-67 Carmiggelts meesterschap over de taal bleef gedurende zijn hele loopbaan groeien, hij had steeds minder woorden nodig om almaar meer te suggereren. De stad Amsterdam is de onuitgesproken, impliciete achtergrond van veel van zijn werk. Volgens zijn biografen Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh produceerde Carmiggelt “de meest gelezen en meest gewaardeerde column uit de Nederlandse dagbladhistorie.”Witteman en Van den Bergh (1998), 49

Levensloop Geboorte en afkomst Simon Johannes Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in een bovenwoning aan de Loosduinsekade 206 te Den Haag als tweede zoon van Herman Carmiggelt en Jeanne Carmiggelt-Bik. Zijn oudere broer Johannes Simon, roepnaam Jan, was op 1 januari 1909 geboren.Sylvia Witteman en Thomas van den Berg, S. Carmiggelt. Een levensverhaal. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam en Antwerpen, 1998, 12Van Gelder (1999), 14Geboren in 1910 (geb.akte 's-Gravenhage 02.01.1910 no.20) De kinderen werden beiden naar hun beide grootvaders genoemd, alleen de volgorde van hun geboortenamen is anders.

Vader Herman Carmiggelt, afkomstig uit een Gelders arbeidersgeslacht, was een weinig spraakzame man met een melancholieke en pessimistische inslag, soms zwaarmoedig.Van Gelder (1999), 13Van Verre (1978), 12 Herman, die een heel ander soort humor had dan Jeanne, drong zijn mening niet aan zijn kinderen op. Zijn invloed op het schrijverschap van zijn zoon zat volgens Carmiggelt vooral in de afwezigheid van een vadercomplex:

Hermans drang om zich geestelijk te ontwikkelen had geen effect op zijn broodwinning. Hij kon niet als intellectueel in zijn onderhoud voorzien en was decennialang vertegenwoordiger bij Stegeman & Co Vleeswarenfabriek te Deventer, waarvoor hij per fiets de slagerswinkels rond Den Haag bezocht. Zijn sociaaldemocratische overtuiging behelsde onder meer dat elk individu de taak had zich te ontwikkelen en daarom las het gezin dagblad Vooruit, de Haagse editie van het sociaaldemocratische dagblad Het Volk. Hierin trof Carmiggelt zijn eerste grote voorbeeld aan: Herman Heijermans' dagelijkse cursiefje, naar de ondertekening met S. Falkland Falklandjes genoemd.Van Gelder (1999), 11-12

Moeder Jeanne Bik, die een praktische ondernemingslust paarde aan een gevoel voor ironie, kwam uit een familie die werkzaam was in de kledingbranche. Haar vader, Simon Bik, ging als jongen langs de boerderijen rondom Gouda met artikelen uit de herenmodewinkel van zijn vader.Van Gelder (1999), 14-15 In haar meisjestijd was Jeanne lesjuffrouw bij Singer naaimachines. Over deze periode, toen de aanschaf van een naaimachine alleen nog voor rijkeren weggelegd was, wist ze smakelijk te vertellen.Van Verre (1978), 10 en 12 Het paar trouwde op 15 juli 1908 en betrok toen de bovenwoning.

Volgens Carmiggelt zelf had hij zijn verteltalent aan zijn moeder te danken. Haar energieke, kordate, opgewekte en rechtlijnige karakter leek weinig op dat van Carmiggelt; met name ontbrak bij haar de hang naar melancholie, zo typerend voor Carmiggelts werk. Zij vond dan ook niets aan diens Kronkels en kon geen respect opbrengen voor zijn beroep: zelfs toen Carmiggelt allang een beroemd schrijver was, kon ze niet inzien hoe hij ervan kon leven.Witteman en Van den Bergh (1998), 14

1913-1933: Jeugd en opleiding Kort na Simon Carmiggelts geboorte verhuisde het gezin naar het Westeinde 172, waar Jeanne op de benedenverdieping Het Nieuwe Hoeden en Petten Magazijn begon. Op een steenworp afstand, aan de Geest, had haar vader in 1890 al een hoeden- en pettenwinkel geopend.Van Gelder (1999), 15 Het liep zo goed dat het geld in huizen belegd kon worden.Witteman en Van den Berg (1998), p. 13 Het huis was zo groot dat er familieleden in huis werden genomen om het op te vullen: een grootmoeder, Hermans broer oom Jan, een tante die de nicht van Jeanne was en juffrouw Kerling, die Jeanne nog kende uit haar meisjestijd toen ze lesjuffrouw was bij Singer.

Simons broer Jan was ijverig en goed op school. “Hij gebruikte iedere minuut van z'n leven”, aldus Carmiggelt. “Ik had daardoor wel de neiging me wat terug te trekken.”Carmiggelt geciteerd bij Van Gelder (1999), 16 Op de lagere school was Simon dan ook geen goede leerling, al vielen zijn opstellen wel in de smaak. Na lectuur van Sherlock Holmes en Nick Carter schreef de jonge Simon Carmiggelt zelf een detectiveverhaal.Van Gelder (1999), 17 Het geheim van Waringstate werd door de meester in de klas voorgelezen. Zijn klasgenoten geboeid te zien luisteren maakte een diepe indruk. Ook begon hij te merken dat meisjes niet alleen maar op stoere jongens vallen, maar ook op jongens die met hun schrijfwerk weten te boeien.Witteman en Van den Bergh (1998), 16

Handelsdagschool (1926-1928) Omdat Simon er aardigheid in had marktkooplui te helpen, vermoedden zijn ouders dat er een handelsgeest in hem school. In 1926 ging hij naar de vierjarige Gemeentelijke Handelsschool aan het Stadhoudersplein.Van Gelder (1999), 18 Hij was niet goed in de belangrijke vakken boekhouden, handelsrekenen en wiskunde, maar behaalde wel aansprekende resultaten voor geschiedenis en tekenen. Gelukkig was hij niet op school, al wist hij de klas geregeld aan het lachen te maken met opmerkingen die nooit te ver gingen. Hij lachte nooit mee om eigen grappen.Van Gelder (1999), 19

Vanwege uitbreiding kocht het ziekenhuis het winkelpand van zijn moeder. Nu verhuisde het gezin naar een rijtjeswoning aan de Druivenstraat, waar moeder huisvrouw werd. Zijn vader werd in 1927 gehuldigd vanwege zijn 25-jarig dienstverband bij Stegeman. Aan het feestdiner droeg Carmiggelt een komisch jubelgedicht bij.