miniatuur|De voorstelling van de maand april, met op de achtergrond het kasteel van Dourdan, in de Très Riches Heures - Chantilly, Musée Condé, hs. 65, fol. 10v De gebroeders Van Lymborch, ook bekend als Van Limburg,De Gebroeders Van Limburg krijgen hun echte naam terug, gelderlander.nl, 20 augustus 2018; Gearchiveerd op 3 mei 2019 waren Herman (Nijmegen, 1385 – Bourges, 1416), Paul (Nijmegen, 1386/1387 – Bourges, 1416) en Johan (Nijmegen, 1388 – Bourges, 1416) van Lymborch, telgen uit een kunstenaarsfamilie uit Nijmegen en alle drie belangrijke illuminatoren (verluchters) of miniaturisten uit de middeleeuwen. Hun werk voor de hertog van Berry wordt door kunsthistorici tot de absolute hoogtepunten van de middeleeuwse schilderkunst gerekend.

Afkomst De naam Van Lymborch dook voor het eerst op in Nijmegen in 1366 toen Johannes de Lymborch geregistreerd werd als burger van de stad. Nijmegen was in die tijd een van de vier hoofdplaatsen van het hertogdom Gelre. Er is enige discussie over de afkomst van de naam Van Lymborch, maar Friedrich Gorissen kwam tot de conclusie dat Johannes van Lymborch afkomstig was uit Limburg aan de Vesder, de hoofdstad van het toenmalige Hertogdom Limburg gelegen tussen Aken en Luik in het huidige België.Friedrich Gorissen, 1954, p. 168

Het is niet zeker, maar waarschijnlijk was deze Johannes de Lymborch de vader van Arnold de Lymborch, de beeldsnijder die tussen 1355 en 1360 geboren werd in Nijmegen.Willy Niessen, Pieter Roelofs en Mieke van Veen-Liefrink, The Limbourg Brothers in Nijmegen, Bourges and Paris in The Limbourg Brothers; Nijmegen Masters at the French Court 1400-1416. ed. Rob Dückers & Pieter Roelofs, Nijmegen: Museum Het Valkhof, Ludion, 2005, p. 14 Arnold trouwde rond 1385 met Metta of Mechteld Maelwael, de zus van de kunstschilder Jan Maelwael, en ze kregen tussen 1385 en 1395 minstens zes kinderen. De oudste was Herman, geboren in 1385, Paul volgde in 1386–1387 en Johan in 1388. Een vierde broer Rutger werd geboren in 1390, gevolgd door Arnold rond 1392, en het enige meisje Greta werd geboren in 1395.Willy Niessen, Pieter Roelofs en Mieke van Veen-Liefrink, 2005, p.15

Hun grootvader van moederszijde, Willem Maelwael, had zich rond 1380 in Nijmegen gevestigd (Maelwael Van Lymborch Huis), samen met zijn broers Johan en Herman,Margaret Rickert, 1952, The reconstructed Carmelite missal: an English manuscript of the late 14th century in the British Museum, 1952, Londen, p. 139 ze kwamen waarschijnlijk uit het naburige Kleef.

Leven en werk Opleiding Gezien de gewoontes van de tijd is het zeer waarschijnlijk dat de broers hun eerste opleiding kregen in het atelier van hun vader en grootvader in Nijmegen, maar rond 1398, waarschijnlijk na de dood van hun vader, werden Herman en Johan, nauwelijks 13 en 10 jaar oud, in de leer gedaan bij de goudsmid Alebret de Bolure in Parijs.Willy Niessen, Pieter Roelofs en Mieke van Veen-Liefrink, 2005, p.16 Het is zeer waarschijnlijk dat Jan Maelwael hierbij bemiddelde; hij verbleef sinds 1396 of misschien vroeger in ParijsRickert, 1957, p. 74 en was vanaf 5 augustus 1397 door Filips de Stoute aangesteld als hofschilder. Alebret de Bolure werkte ook voor Filips de Stoute; het is dus waarschijnlijk dat ze elkaar kenden.

Die opleiding werd niet afgemaakt, want Alebret stuurde de jongens in de herfst van 1399 terug naar huis in Nijmegen, waarschijnlijk uit voorzorg voor de pestepidemie die toen woedde in Parijs.Archives Departementales de la Cóte d' Or, B1519, folia 158v-159r Bij hun terugkeer naar Gelre werden ze gevangengezet in Brussel, in het kader van het conflict tussen het hertogdom Gelre en het hertogdom Brabant.Conflicten tussen Gelre en Brabant. Gearchiveerd op 10 juni 2015 Door wederom de bemiddeling van hun oom werd het gevraagde losgeld van 55 écu verzameld door de Brusselse schilders en goudsmeden als een gunst uit sympathie. De broers werden vrijgelaten, hoewel ze in Brussel moesten blijven. Dankzij een brief van Filips de Stoute, die zich garant stelde voor het betalen van het losgeld als erkenning voor de goede diensten hem betoond door Jan Maelwael, konden de broers op 2 mei 1400 hun reis voortzetten.

Filips de Stoute miniatuur|Bible moralisée van Filips de Stoute, f3v, De zondeval, Gebroeders Van Lymborch(?) Het is niet zeker of de broers na hun vrijlating doorreisden naar Nijmegen of terugkeerden naar Frankrijk,Jean Lognon, Raymond Cazelles, Millard Meiss,The Très Riches Heures of Jean, Duke of Berry, uitgave George Braziller Inc., New York, 1969, p. 19 maar Jehanequin Manuel (Johan) en zijn broer Polequin Manuel waren op 9 februari 1402 in Dijon als enlumineurs (verluchters) in dienst van de hertog.

Ze krijgen de opdracht pour faire les ystoires d’une très belles et très notable Bible qu’il avait depuis peu fait commencer.Vrij vertaald: om miniaturen te schilderen in een zeer mooie en zeer bijzondere bijbel, waar hij (de hertog) sinds kort de opdracht had voor gegeven.Archives Departementales de la Cóte d' Or, B1519, folia 292v-293r Ze moesten gedurende vier jaar aan die bijbel werken en ondertussen geen andere opdrachten aanvaarden. Kunsthistorici denken dat het gaat om de Bible moralisée bewaard in de BnF met als signatuur Ms. Français 166. Voor nieuwelingen in het vak werden ze met 20 sous parisisOmgerekend op de goudinhoud van 0,1863 g per sou zou dit aan een goudkoers van € 35,55 per gram overeenstemmen met een dagloon van ongeveer € 130 per dag of van bijna € 4000 per maand. Het is echter zeer moeilijk om bedragen uit de middeleeuwen te vergelijken met actuele sommen omdat de levensbehoeften en de kosten ervan totaal zijn gewijzigd. royaal betaald, temeer dat ook de zon- en feestdagen werden betaald. Ze verbleven bij Jean Durant, de dokter van de hertog, die in naam van de hertog ook voor de betaling zorgde. Het werk moet goed vooruitgegaan zijn, want op 12 januari kregen ze elk een bonus van tien écu voor het gepresteerde werk.

Durrieu vereenzelvigde dit handschrift (Ms. Fr. 166) met de Bijbel waarover in het contract gesproken werd. Deze thesis wordt vandaag nog vrij algemeen gevolgd alhoewel er kunsthistorici zijn die deze toewijzing aanvechten.Herman Th. Colenbrander, Op zoek naar de gebroeders Limburg: de Très Riches Heures in het Musée Condé in Chantilly, Het Wapenboek Gelre in de Koninklijke Bibliotheek Albert I in Brussel en Jan Maelwael en zijn neefjes Polequin, Jehannequin en Herman van Limburg, proefschrift, 2006, Amsterdam, p. 33 Colenbrander baseert zich bij zijn kritiek op deze toewijzing onder meer op het feit dat beide broers in een tijdsspanne van meer dan twee jaar slechts 384 miniaturen en 128 ondertekeningen zouden afgewerkt hebben, hetgeen de totale tijd voor de voltooiing van dit werk op meer dan 20 jaar zou gebracht hebben, wat onwaarschijnlijk lijkt. Als Filips de Stoute op 27 april 1404 overlijdt is er daarna geen spoor meer te vinden van de fameuze bijbel, noch in inventarissen van de hertog zelf, noch in de bezittingen van zijn weduwe Margaretha van Male die een jaar later overlijdt.

Jean de Berry thumb|Belles heures, Gebroeders Van Lymborch, f191r, De bekoring van een christelijke jongeman Wat er na het overlijden van Filips de Stoute met de broers gebeurde is nergens gedocumenteerd, ze kunnen een tijdje teruggekeerd zijn naar hun familie in Nijmegen of in Frankrijk zijn gebleven.

Wat hun oom betreft hebben we meer zekerheid. Tussen augustus 1404 en april 1406 reisde Jan waarschijnlijk terug naar Nijmegen. Zijn eerste vrouw was overleden en hij hertrouwde in Nijmegen voor de herfst van 1406 met Heylwig van Redinchaven.Gorissen, 1954, p. 162 In de daaropvolgende jaren kreeg het paar vier kinderen: drie dochters en een zoon Otto. In april 1406 werd Jan Maelwael als hofschilder en kamerheer (valet de chambre) in dienst genomen door Jan zonder Vrees, de nieuwe hertog.

miniatuur|left|Christus wordt naar het praetorium gebracht, f143r, gebroeders Van Lymborch Via een notitie in een inventaris van Jean de Berry, opgemaakt door zijn Garde des joyauxLetterlijk: bewaarder van de juwelen, bij die juwelen hoorden alle kostbaarheden dus ook bijvoorbeeld de handschriften. Robert d’Estampes in december 1401, maar waarschijnlijk ingeschreven in 1405, weet men dat Paul en zijn twee broers een betaling ontvingen van negen goudstukken en kort daarna nog een van twaalf goudstukken. Men weet niet voor welk werk de broers betaald werden maar wel weet men dat de hertog in 1405 opdracht gaf voor het maken van zijn Belles heures.

Vooraleer de gebroeders Van Lymborch aan de Belles heures begonnen hebben ze nog drie miniaturen afgewerkt in de Très belles heures de Notre-Dame. Dit werk kenden ze dus en was waarschijnlijk tijdens het werk aan de Belles heures voor hen toegankelijk. De Très belles heures de Notre-Dame, gemaakt door onder meer de Meester van het parement van Narbonne,Tegenwoordig dikwijls geassocieerd met Jean d’Orleans stond zonder twijfel model voor een aantal miniaturen in de Belles heures. De gevangenneming van Christus (f123v), de geseling (f132r) en de kruisdraging (f138v) zijn duidelijk verwant met de gelijknamige taferelen in de Très belles heures de Notre-Dame en met het Parament van Narbonne. Maar merkwaardig genoeg zijn ook de gelijknamige miniaturen in de Bible moralisée van Philips de Stoute, waar ze voordien aan werkten hiermee verwant dus blijkbaar kenden de broers de Très belles heures de Notre-Dame voor ze voor de duc de Berry werkten, waarschijnlijk via hun oom Jan Maelwael.

Uit de inventaris die werd opgesteld na de dood van de hertog in 1416 blijkt duidelijk dat het handschrift dat nu bewaard wordt in het Metropolitan Museum of Art, Cloisters Collection, als Acc.No.54.1.1. wel degelijk overeenkomt met deze Belles Heures maar eigenaardig is wel dat de makers ervan worden genoemd als de ouvriers (werklieden) van de hertog, en dat de ondertussen befaamde gebroeders Van Lymborch niet bij naam worden genoemd.Willy Niessen, Pieter Roelofs en Mieke van Veen-Liefrink, 2005, p. 21

Tussen het werk aan de Belles Heures en de Très Riches Heures vinden we Herman en Johan in de zomer van 1410 terug in Nijmegen, waar ze al hun roerend en onroerend goed verkochten aan hun moeder Metta, verkoop die gesloten werd voor de schepenen van Nijmegen. Maar ook daarna worden ze nog regelmatig vermeld in aktes in Nijmegen.Willy Niessen, Pieter Roelofs en Mieke van Veen-Liefrink, 2005, p. 24 Tussen 1412 en 1414 hebben ze op verzoek van Jean de Berry een laatste wijziging aan zijn Petites Heures uitgevoerd, namelijk een miniatuur op folium 288 verso die de hertog voorstelt die op een pelgrimage of een reis vertrekt.

Nadat ze de Belles Heures hadden afgewerkt, gaf de hertog aan de drie broers Paul, Herman en Johan de opdracht voor de Très Riches Heures, waarschijnlijk rond 1410Raymond Cazelles et Johannes Rathofer Les Très Riches Heures du Duc de Berry, Tournai, La Renaissance du Livre, 2001 (1ste. uitg. 1988), 238 p., , p. 216 of 1411.Patricia Stirnemann, Les ouvriers de Monseigneur, in Patricia Stirnemann, Inès Villela-Petit, Les Très Riches Heures du duc de Berry et l'enluminure en France au début du XVe siècle, Paris, Somogy éditions d'art / Musée Condé, 2004, p. 48 Dit handschrift maakten ze niet meer af, want in 1416 stierven ze alle drie, korte tijd na hun opdrachtgever, misschien aan de pest. Over hun dood is niets met zekerheid bekend. In Nijmeegse registers wordt op 9 maart 1416 ingeschreven dat Johannes of Jenneken Malouel de zoon van Magister Arnoldi is overleden, en in september of oktober 1416 werd Theodoricus (Derik) Neven door Aernoldus de Limborch en zijn zus Margareta aangesteld als executeur-testamentair voor Hermanni, Pauli et Johannis de Lymborrch pie memorum fratrum.

Gilette de la Mercière