thumb|Corpus Hermeticum: eerste Latijnse editie. De collectie werd vertaald door Marsilio Ficino in 1463, en gedrukt in 1471. Het Corpus Hermeticum ('hermetische corpus'; ook bekend onder de titels Pimander en Poimandres) is een verzameling van zeventien esoterische traktaten in het Grieks uit het Egypte van de 2e en 3e eeuw. Deze verzameling werd toegeschreven aan de legendarische Hermes Trismegistus. In de traktaten wordt zogenaamd oude wijsheid geopenbaard door een god, Hermes en zijn volgelingen. Die wijsheid is een mengeling van religieuze en filosofische denkbeelden en moet leiden tot het verkrijgen van gnosis (intuïtieve, goddelijke kennis) en verlossing.
De traktaten van het Corpus zijn onafhankelijk van elkaar geschreven door verschillende auteurs en bevatten daardoor verschillen in visie en stijl. Vaak zijn de teksten dialogen waarin een leermeester oeroude, geheime kennis met een ingewijde deelt, zodat die zich ontworstelt aan het moeilijke aardse bestaan en in contact komt met het goddelijke.
In zijn huidige vorm ontstond het Corpus in het Byzantijnse rijk, maar het was geheel onbekend in het middeleeuwse westelijk Europa en in de Arabische wereld. De neoplatonist Marsilio Ficino maakte in 1463 de eerste Latijnse vertaling. Hij veronderstelde dat het Corpus verschillende filosofen en religies, van het jodendom tot Plato, had beïnvloed. Het Corpus werd daardoor populair. Nadat in 1614 werd aangetoond dat het uit de Romeinse keizertijd stamde, verminderde de belangstelling, al bleef het Corpus populair in theosofische kringen.
Personages miniatuur|De Egyptische god Thoth met de ibiskop. Door syncretisme is uit hem en de Griekse Hermes de laat-klassieke Hermes Trismegistus ontstaan. Tevens is van zijn naam Tat afgeleid.miniatuur|De legendarische Hermes Trismegistus, vermeende tijdgenoot van Mozes en inspiratiebron voor wijsgeren als Pythagoras en Plato. Hij gold als auteur van de hermetica.In de traktaten van het Corpus Hermeticum komen diverse personages voor. Sommige zijn duidelijker uitgewerkt en komen veel vaker voor dan andere. Hermes Trismegistus is de hoofdfiguur binnen het hermetisme. Hij is gebaseerd op de Egyptische god Thoth, die kunst en wetenschap aan de mens zou hebben gegeven. Hij was populair in de Ptolemeïsche periode en werd door de Grieken gelijkgesteld met Hermes. Trismegistus betekent 'driemaal grootste' en was een titel van Thoth. In het Corpus wordt Hermes Trismegistus niet langer voorgesteld als god, maar als mens met goddelijke kennis. Asclepius wordt in totaal twintig keer genoemd in traktaten (C.H.) II, VI, IX en X. Deze figuur gaat terug op de vergoddelijkte Egyptenaar Imhotep, die onderlegd zou zijn in onder andere geneeskunde, schrijfkunst en astrologie. In de loop der tijd werd hij beschouwd als zoon van de god Ptah en peetzoon van Thoth. Door de Grieken werd hij gelijkgesteld aan de helersgod Asclepius, die in de hellenistische tijd een populaire cultus had. Tat is de zoon van Hermes Trismegistus. Tat is afgeleid van Thoth. De naam komt twintig keer voor in de traktaten. In C.H. XVII is hij een priester die spreekt met een anonieme koning. Ammon is een koning en volgeling van Hermes Trismegistus. De naam is de Griekse variant van Amun of Amon-Ra, die werd geïdentificeerd met de wind, lucht en kosmische elementen. De slang Kneph, die de Grieken Agathodaimon noemden, was met hem verbonden. Ammon werd door de Grieken geassocieerd met Zeus en de geest (pneuma). Filosofen als Plato en Jamblichus beschouwden (koning) Ammon als spreekbuis van Thoth voor de Egyptenaren. Poimandres is de goddelijke geest die zich openbaart aan Hermes in C.H. I, waarin hij twaalf keer wordt genoemd. In andere hermetica wordt hij slechts tweemaal vermeld. Aan hem is de alternatieve titel van het Corpus ontleend. Nous is een geestelijk wezen dat kennis openbaart, vermoedelijk dezelfde figuur als Poimandres. Agathodaimon ('Goede Geest') is een onduidelijke figuur die terloops ter sprake komt in C.H. X §23, XII en XIII. Hij wordt geïdentificeerd met Nous en met de individuele beschermgeest (genius) van de mens. Ook is hij de leermeester van Hermes Trismegistus. De namen wijzen op een Egyptische achtergrond, maar de oorspronkelijke mythologie is vervaagd. Zo werd Hermes gelijkgesteld aan Thoth, maar Tat is oorspronkelijk ook Thoth. Pseudo-Manetho en kerkvader Augustinus vermeldden dat Tat de zoon is van Hermes Trismegistus, de tweede Hermes, en dat die de zoon is van Agathodaimon, die weer de zoon is van Thoth, de eerste Hermes.Copenhaver 2002, blz. 133
Beschrijving van de traktaten De nummering van de traktaten (logoi) gaat terug op vroegmoderne uitgaven en loopt van I tot en met XIV en van XVI tot en met XVIII. Dit suggereert dat traktaat XV ontbreekt, maar dat heeft in werkelijkheid nooit bestaan.R. van den Broek, in Hanegraaff (red.) 2006, blz. 489; Van den Broek 2006, blz. 11. De traktaten presenteren tezamen drie generaties van kennisoverdracht. Ten eerste van een goddelijk wezen (Poimandres, Nous, Agathodaimon) aan Hermes Trismegistus, ten tweede van Hermes Trismegistus aan Asclepius en Tat, en ten derde van Asclepius en Tat aan onder meer Ammon.Salaman, Van Oyen, Wharton & Mahé 2000, blz. 79. De samenvatting is gebaseerd op die van Van den Broek & Quispel 1991.
I. Poimandres. Hermes Trismegistus beschrijft zijn geestesgesteldheid. Dan verschijnt Poimandres. Die openbaart kennis over het ontstaan van de kosmos en de mens, maar ook over het einde van alles. Na het visioen eindigt Hermes met een dankgebed. Daarna wordt hij een profeet om de ontvangen leer te verbreiden.
II. Een algemeen gesprek van Hermes met Asclepius. Het begin van de dialoog is verloren gegaan, dus de tekst begint abrupt. Daarin wordt uitgelegd dat de kosmos zich beweegt binnen de grotere God, en dat die God transcendent en onkenbaar is. Wel kan hij 'Vader' en 'het Goede' worden genoemd.
III. Een gewijde verhandeling van Hermes. God is het begin en einde, komt overeen met de natuur, manifesteert zich daarin en houdt die gaande. Het leven op aarde wordt beïnvloed door de goddelijke sterren en planeten. Van een onsterfelijke ziel wordt niet gesproken, maar de mens leeft voort in de herinneringen van anderen dankzij zijn werken.
IV. Het Mengvat of De Eenheid. Deze dialoog tussen Hermes en Tat bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt de goddelijke geest (nous) als goddelijke gave toegevoegd aan de mens en zijn verstand (logos). Die nous kan bij wijze van prijs (het mengvat) verkregen worden als de hermeticus vroom leeft en zich op geestelijke ontwikkeling richt. In het tweede deel wordt over God als Eenheid gesproken in filosofische termen.
V. God: onzichtbaar en toch goed zichtbaar. In deze dialoog tussen Hermes en Tat wordt uitgelegd dat de eeuwige God kan worden gekend via zijn werken. Die kennis is een geschenk van God, die de vader en moeder is waarvoor geen enkele naam toereikend is en toch met alle namen aangeduid kan worden omdat alles uit hem voortkomt.
VI. Het Goede is alleen in God en nergens anders. Betoogd wordt dat de transcendente God verantwoordelijk is voor al het goede en dat hij het Goede en Mooie dus zelf is. Aangezien het Goede zich nergens anders bevindt, zijn de kosmos en het menselijke handelen slecht.
VII. Onwetendheid aangaande God: het grootste kwaad onder de mensen. Dit traktaat is een preek. De mens verkeert in een staat van dronkenschap als hij God niet kent. De weg tot kennis van God is een van licht en leidt tot het overstijgen van lichamelijke behoeften en ellende.
VIII. Van wat bestaat, vergaat niets. Er zijn alleen maar veranderingen, die ten onrechte als vernietiging en dood worden aangeduid. God en de kosmos, die een levend geheel is, gelden als eeuwig. De dood is slechts transformatie, want ook de ziel is onsterfelijk. De bouwstenen van het lichaam worden weer opgenomen in de natuur, en de ziel wordt opgenomen in de kosmos. De mens is een microkosmos die de macrokosmos weerspiegelt.
IX. Inzicht en waarneming. In deze dialoog wordt aan Asclepius uitgelegd dat inzicht en waarneming niet zonder elkaar kunnen, waarbij God de goede gedachten ingeeft, en demonen op aarde de slechte. Mensen die gericht zijn op het aardse en stoffelijke moeten onderscheiden worden van mensen die zich richten op het geestelijke. Uiteindelijk maken alle mensen echter deel uit van God, waar alles uit voortkomt en weer in wordt opgenomen. Inzicht hierin leidt tot rust.
X. Openbaring van de driewerf grote Hermes: Sleutel. Sleutel geeft aan dat de tekst een samenvatting is van hermetische leerstellingen. In deze dialoog tussen Hermes en Tat worden diverse hermetische leerstukken samengevat: het wezen van God, de kosmos, de mens, kennis over God en de weg tot God.
XI. De Geest spreekt tot Hermes. De Geest (Nous) is vermoedelijk hetzelfde wezen als Poimandres. In een dialoog bespreken de Geest en Hermes de verhouding tussen God en de kosmos. De kosmos beweegt en is ordelijk, en dus moet er een God als bron van zijn die beweegt en coördineert. God kan ervaren worden als de mens zich losmaakt van ruimte en tijd, en inziet dat alles een is.
XII. De Geest die het Al doordringt: gesprek van de driewerf grote Hermes met Tat. God openbaart zich in de kosmos, en die is een levende eenheid vol orde waarin geen dood voorkomt. De sterren beïnvloeden het aardse leven, maar omdat de menselijke geest van God komt, is de mens niet geheel onderworpen aan de sterren. Door de geestelijke toegang tot God staat de mens boven alle andere wezens. De geest is tegelijk aanwezig in de kosmos en de individuele mens, die hem tevens als genadegave van God kan krijgen.
XIII. De driewerf grote Hermes spreekt tot zijn zoon Tat. De geheime openbaring op de berg over de wedergeboorte en het gebod der geheimhouding. In deze dialoog tussen Tat en Hermes wordt Tat ingewijd in de hermetische kennis. Die gebeurtenis leidt tot een wedergeboorte, waarna een kosmische ervaring wordt beschreven.
XIV. Het wezen van het Al. De Driewerf grote Hermes schrijft deze brief aan Asclepius. Hij groet hem en wenst hem goede, geestelijke gezondheid. In deze brief staat een korte samenvatting van eerder behandelde leerstellingen. Van belang is de Maker van alles te leren kennen.
XVI. Aforismen. Een brief van Asclepius aan koning Ammon. De titel past niet goed bij de inhoud, want het gaat hier niet om een verzameling aforismen. Mogelijk gaat het om een latere toevoeging. Centraal staat de verhouding tussen God en de kosmos.
XVII. Beelden. Dit is een kort fragment van een dialoog tussen de priester Tat en een Egyptische koning, waarin de aanbidding van beelden centraal staat.
XVIII. Lofrede op het koningschap. Waarom de ziel zo geremd wordt door de tekortkomingen van het lichaam. De subtitel slaat niet op de inhoud. Het traktaat is opgebouwd volgens de regels van de Griekse retorica. De Liefde beweegt het heelal, en het lichaam wordt voorgesteld als hinderlijk voor de ziel en zijn ontwikkeling, waarna God en de koning geprezen worden om hun grootheid.
Ontstaan miniatuur|De Romeinse provincie Egypte. De zeventien anonieme traktaten van het Corpus Hermeticum werden in Egypte geschreven in een hellenistisch milieu, vermoedelijk in Alexandrië. De 2e en 3e eeuw zijn een aannemelijke ontstaansperiode op grond van kennis van andere hermetica, verwijzingen naar de traktaten bij andere auteurs, en inhoudelijke, filosofische en religieuze kenmerken. Mogelijk circuleerden de traktaten in de oudheid al in collectievorm.
Als collectie