De Opstand van Warschau (Pools: powstanie warszawskie) was een gewapende opstand tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd door het Poolse verzetsleger Armia Krajowa met het doel om Warschau te bevrijden van de Duitsers. De opstand begon op Uur 'W' op 1 augustus 1944, als onderdeel van een landelijke opstand (Operatie Storm). Gedurende 63 dagen, tot 2 oktober, verzetten de opstandelingen zich tegen Duitse en Duitsgeleide troepen. Aan Poolse kant sneuvelden 18.000 opstandelingen, waren er onder hen 25.000 gewonden en kwamen minimaal 150.000 burgers om, deels in massa-executies uitgevoerd door de nazi's. De Duitse verliezen bedroegen meer dan 17.000 gesneuvelden en 9000 gewonden. Tijdens en na de opstand werd naar schatting 85% van de stad verwoest.

De opstand begon op een cruciaal moment in de oorlog, toen het Sovjetleger Warschau naderde. Op 16 september bereikte het Rode Leger de oostoever van de Weichsel, maar ondernam geen verdere actie om de opstandelingen aan de andere kant van de rivier te helpen, waardoor de Duitsers uiteindelijk de opstand konden neerslaan.

Deze opstand wordt vaak verward met de Opstand in het getto van Warschau van 1943. Hoewel de vijand in beide gevallen dezelfde was, verschilden de opstanden in omvang, duur en doelstelling.

Voorgeschiedenis

Het oorspronkelijke plan van de Armia Krajowa behelsde een landelijke opstand (Operatie Storm) die aansluiting zou vinden met de westelijke geallieerden. Toen het in 1943 duidelijk werd dat het Rode Leger Polen zou zuiveren van Duitsers, werd het plan gewijzigd. De ontdekking van massagraven bij Katyn betekende in april 1943 een breuk in de Pools-Sovjetse relaties, die nooit helemaal de oude zouden worden. Ondanks twijfels over de militaire kansen van een grote opstand, ging de planning gewoon door. thumb|left|150px|Opstand van Warschau Op 13 juli 1944 kwam de planning in een stroomversnelling, toen de Sovjets de vooroorlogse Poolse grens overschreden. Op dat moment moesten de Polen een beslissing nemen: hetzij een opstand beginnen in deze moeilijke politieke situatie met het risico geen steun te ontvangen van de Sovjets, hetzij géén opstand en de kans lopen om als collaborateurs en lafaards in Sovjetpropaganda te worden afgeschilderd. De urgentie van deze beslissing werd groter toen duidelijk werd dat na succesvolle Pools-Russische samenwerking bij de bevrijding van verschillende steden (zoals tijdens de eerdere Opstand van Vilnius), de NKVD Poolse Armia Krajowaleden oppakte en ze naar de goelags stuurde als ze zich niet bij het Rode Leger wilden of konden aansluiten. Veel officieren werden ook direct door de NKVD geëxecuteerd. Langzamerhand werd een van de doelstellingen van de opstand aldus het zelf bevrijden van Warschau vóór de komst van het Rode Leger. thumb|left|150px|Kotwica, het symbool van het Poolse verzet

In de vroege zomer van 1944 wezen de Duitsers Warschau aan als defensief bolwerk, dat ten koste van alles verdedigd diende te worden. Fortificaties werden gebouwd, versterkingen werden aangevoerd. Op 27 juli riep Hans Frank 100.000 Poolse mannen op zich te melden bij verzamelpunten in Warschau. Zij zouden worden ingezet bij de bouw van fortificaties in en om de stad. De Armia Krajowa zag dit als een poging het verzet te neutraliseren en riep de bewoners van Warschau op deze oproep te negeren.

De officiële Sovjetpropaganda beschuldigde het Poolse verzet ervan niet te vechten tegen de gezamenlijke vijand. Toen in juni en juli 1944 het Rode Leger Warschau naderde, riepen Sovjetradiozenders op tot een algehele opstand in Warschau om de verbindingslijnen af te snijden van Duitsers die zich nog aan de rechteroever van de Weichsel bevonden. Op 29 juli 1944 bereiken de eerste Russische verkenningseenheden de buitenwijken van Warschau.

Op 25 juli keurde de Poolse regering in ballingschap de plannen voor de opstand goed. Uit angst voor Duitse represailles voor de geweigerde opkomst van de 100.000 Poolse mannen en de (foutieve) veronderstelling dat het Rode Leger op het punt stond Warschau te betreden, gaf generaal Tadeusz Komorowski opdracht tot volledige mobilisatie van alle Armia Krajowastrijdkrachten in de regio Warschau voor 1 augustus 1944.

Het besluit tot het begin van de opstand had consequenties voor de Poolse relatie met de Sovjet-Unie. Stalin was woest over het feit dat hij niet geconsulteerd was in de besluitvorming en vermoedde dat Polen onder één hoedje speelde met de westelijke geallieerden. Achteraf gezien waren zowel de westerse wereld als de Sovjets aan het touwtrekken om de politieke kleur van de regio, waarbij de Armia Krajowa een duidelijke voorkeur had voor een prowesterse Poolse regering en de Sovjets een aan hen loyale communistische regering wilden installeren.

Strijdende partijen De Armia Krajowa telde in het district Warschau ongeveer 50.000 leden, waarvan 23.000 bewapend en gevechtsklaar. Velen van hen waren voormalige militairen van het Poolse leger en hadden in de afgelopen jaren in het geheim geoefend voor de opstand. Het grootste probleem was het gebrek aan wapens en materieel; veel wapens waren voor de beslissing tot de opstand de stad uitgesmokkeld voor acties elders in het land. Naast de Armia Krajowa deden er nog een aantal andere verzetsorganisaties mee aan de opstand, allen onder het operationele bevel van de AK. Ten slotte waren er vele vrijwilligers die tijdens de opstand spontaan meededen aan de gevechten, waaronder een groep joden die door de AK gered waren uit het Gesia-concentratiekamp in de ruïnes van het Getto van Warschau.

Generaal Antoni Chruściel, pseudoniem Monter, was de operationele commandant van de Poolse strijdkrachten in Warschau. Aanvankelijk deelde hij zijn troepen in in 8 districten, die overeenkwamen met de grote wijken van Warschau, plus een speciale eenheid die direct onder zijn bevel stond. Op 20 september voerde hij een reorganisatie in om de structuren meer op die van de westelijke geallieerden te doen lijken. De totale strijdkrachten in Warschau werden opgedeeld in 3 infanteriedivisies, samen een korps vormend dat onder bevel stond van generaal Chruściel.

Op 1 augustus bestond het materieel uit: 1000 geweren 1700 pistolen 300 machinepistolen 60 lichte mitrailleurs 7 zware mitrailleurs 35 antitankkanonnen en granaatwerpers (waaronder enkele PIAT-granaatwerpers) 25.000 handgranaten

Gedurende de opstand verkregen de Polen verder materieel wat uit de lucht afgeworpen was, en door het buitmaken van vijandelijk materieel, waaronder enkele pantservoertuigen en tanks. Zelf produceerden de Polen tijdens de opstand nog 300 machinepistolen, 150 vlammenwerpers, 40.000 granaten, enkele mortieren en zelfs een pantserwagen.

thumb|De Kleine Opstandeling, het monument voor alle kind-soldaten die vielen tijdens de opstand Het Duitse garnizoen van Warschau telde op 1 augustus 1944 ongeveer 10.000 troepen onder bevel van generaal Rainer Stahel. Samen met nabij gelegerde troepen telde de Duitse troepenmacht ongeveer 16.000 goed bewapende Wehrmacht-, SS- en politietroepen. De Duitsers waren al maanden bezig met voorbereiden op een beleg van Warschau en hadden de sleutelposities in de stad gefortificeerd met betonnen bunkers en prikkeldraad. In de omtrek van Warschau bevonden zich ook nog 90.000 andere Duitse troepen. Op 23 augustus 1944 namen de volgende Duitse eenheden deel aan de gevechten in Warschau: Gevechtsgroep onder leiding van Generalmajor Rohr Gevechtsgroep o.l.v. SS-Gruppenfuhrer Reinefarth SS-Sturmbrigade Dirlewanger (verantwoordelijk voor massa-executies op burgers tijdens de opstand) Aanvalsgroep o.l.v. Major Reck Aanvalsgroep o.l.v. Oberst Schmidt verscheidende ondersteuningseenheden SS Sturmbrigade RONA onder leiding van generaal Bronislav Kaminski (verantwoordelijk voor massale plunderingen, verkrachtingen en executies, Kaminski wordt even later zelf geëxecuteerd door de Duitsers wegens insubordinatie) Garnizoen van Warschau (Generalleutnant Rainer Stahel)

Een deel van deze 'Duitse' troepen waren collaborerende Russische, Centraal-Aziatische en Oekraïense troepen (RONA-brigade, niet te verwarren met het ROA), die onder bevel stonden van de Duitsers.

De opstand De opstand begon officieel om 17:00 uur plaatselijke tijd op 1 augustus, een besluit dat nu als kostbare fout gezien wordt. Ondanks verhoogde activiteit en vroege gevechten met opstandelingen hadden de Duitsers niet door dat er een opstand op uitbreken stond. De Duitsers hadden geen draaiboek klaarliggen voor een opstand, maar ze kregen wel een uur voor uitbreken inlichtingen dat er een opstand zou losbarsten (waarschijnlijk via een Poolse vrouw). Door het ontbreken van het verrassingseffect, het feit dat het nog daglicht was en de verre van volledige mobilisatie betekende dat veel van de aanvankelijke doelstellingen van de opstand niet gehaald werden.

De eerste twee dagen bepaalden het slagveld voor de rest van de opstand. De grootste Poolse successen werden behaald in het nieuwe centrum (Śródmieście), de oude stad (Stare Miasto) en de ten westen gelegen wijk Wola. In andere wijken, zoals het zuidelijke Mokotów waren de vorderingen zeer moeizaam en hadden de Duitsers de meeste sleutelposities nog in handen. Aan de oostoever van de rivier de Weichsel, waar de wijk Praga ligt, konden de opstandelingen helemaal niets uithalen door sterke concentraties Duitse troepen. In de noordelijke wijk Zoliborz waren de resultaten gemengd, de oude Russische citadel daar werd echter niet veroverd door de opstandelingen. Alle eenheden in de stad leden zware verliezen, ongeacht de mate van succes. Ernstiger was dat de meeste eenheden geen aansluiting konden krijgen met elkaar of met buiten de stad, waardoor de wijken grotendeels geïsoleerd bleven.

Na de eerste gevechten gingen de meeste eenheden over op een defensieve strategie, terwijl de burgerbevolking in de hele stad barricades oprichtte. Op 4 augustus, toen de Armia Krajowa haar grootste successen behaalde, begonnen de Duitsers versterkingen te ontvangen. SS-generaal Erich von dem Bach-Zelewski werd tot opperbevelhebber benoemd en zette onmiddellijk de tegenaanval in. Zijn belangrijkste begindoelstelling was de omsingelde Duitse bolwerken te ontzetten en de Armia Krajowa de toegang tot de Weichsel te beletten.

Op 5 augustus bevrijdden de Polen de ruïnes van het Getto van Warschau, waaronder de Gesia en Pawiakconcentratiekampen die zich daar nog bevonden. Vele honderden gevangenen werden bevrijd. Dezelfde dag begonnen de Duitsers ook met massa-executies in de wijk Wola (die gedeeltelijk was heroverd), waarbij uiteindelijk tussen de 40.000 en 60.000 burgers werden afgeslacht. Het doel van deze massamoorden was de wil van de opstandelingen te breken en de opstand snel te beëindigen zonder kostbare straatgevechten; tot eind september werden om dezelfde reden gevangengenomen opstandelingen ter plekke geëxecuteerd. In andere wijken leek de doelstelling vooral plunderen en verkrachten, met name door de eenheden van Dirlewanger en Kaminski. Deze methodes draaiden de Duitsers later terug, toen bleek dat ze het verzet van de Polen alleen maar deden toenemen. Vanaf eind september tot de capitulatie op 2 oktober werd een deel van de Poolse opstandelingen als krijgsgevangene behandeld.

Op 7 augustus zetten de Duitsers tanks in, waarbij burgers als menselijk schild werden gebruikt. Na twee dagen van zware gevechten lukte het de Duitsers een wig te drijven in de wijk Wola en het centrale Bankowyplein (op de grens met de oude stad) te bereiken.