De overeenkomst is een rechtsfiguur in het burgerlijk recht die wereldwijd voorkomt. Het is de belangrijkste bron van verbintenissen. In Nederland wordt als definitie gebruikt: "Een overeenkomst in de zin van deze titel is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan" (art. 6:213 lid 1 BW). Een overeenkomst komt tot stand door wilsovereenstemming, een aanbod van een partij en de aanvaarding daarvan door een andere partij (art. 6:217 BW). Voor de totstandkoming van overeenkomsten langs elektronische weg ("online"), digitale overeenkomsten genoemd, gelden enkele bijzondere regels (art. 6:227a-c BW). Naast verbintenissen uit overeenkomst onderscheidt men verbintenissen uit de wet.

De plaats van de overeenkomst binnen het Burgerlijk Wetboek De algemene regeling voor de overeenkomst wordt gegeven in titel 5 van boek 6 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek. Ook andere delen van het Burgerlijk Wetboek zijn echter van belang voor de overeenkomst. Aangezien het sluiten van een overeenkomst een rechtshandeling is, is ook de regeling van rechtshandelingen in titel 2 van boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek van belang. Verder schept de overeenkomst verbintenissen, waarvoor titel 1 van boek 6 een algemene regeling geeft. Voor bepaalde overeenkomsten bevat de wet ook nog bijzondere regels die zijn opgenomen in boek 7https://wetten.overheid.nl/BWBR0005290 en boek 7ahttps://wetten.overheid.nl/BWBR0006000 van het Burgerlijk Wetboek, zie hieronder de sectie bijzondere overeenkomsten. De bijzondere overeenkomsten die in de wet zijn geregeld heten ook wel benoemde overeenkomsten; overeenkomsten die niet in de wet zijn geregeld onbenoemde overeenkomsten. Op deze laatste categorie zijn wel de algemene wettelijke bepalingen en beginselen van toepassing, maar daarvoor bestaan geen specifieke regels (met onbenoemd wordt bedoeld: niet apart door de wetgever geregeld).

Vorm van een overeenkomst Een overeenkomst kan over het algemeen zowel mondeling als schriftelijk worden gesloten. Dit betekent dat ook mondelinge afspraken rechtsgeldig en in rechte afdwingbaar zijn. Een mondelinge afspraak zal echter in veel gevallen moeilijker te bewijzen zijn.

Het sluiten van een overeenkomst kan om bewijsproblemen bij eventuele geschillen te voorkomen worden vastgelegd in een door partijen opgesteld en ondertekend schriftelijk stuk, dat in de volksmond veelal contract wordt genoemd. Het bewijs van het bestaan van een overeenkomst hangt echter slechts ten dele af van de eventuele schriftelijke vastlegging: het bestaan kan ook worden afgeleid uit de praktische uitvoering die partijen daaraan hebben gegeven, zoals leveringen en betalingen over en weer.

Schriftelijke overeenkomsten kunnen worden vastgelegd in een authentieke akte of een onderhandse akte. Een authentieke akte is een stuk dat is opgesteld door een notaris. Een onderhandse akte is een schriftelijk stuk dat niet is opgesteld door een notaris, maar wel is ondertekend.Artikel 156 Rv Een authentieke akte geldt als dwingend bewijs - wat overigens alleen betekent dat het niet genegeerd kan worden, en niet dat geen tegenbewijs is toegelaten.

Bekwaamheid en bevoegdheid tot het sluiten van overeenkomsten In beginsel kunnen alle deelnemers aan het juridische verkeer - natuurlijke personen (mensen) en rechtspersonen - vrijelijk overeenkomsten sluiten. Er zijn echter beperkingen. Zo kunnen sommige mensen geen overeenkomsten sluiten omdat zij niet handelingsbekwaam of handelingsbevoegd zijn. Verder is in bepaalde gevallen toestemming nodig voor het sluiten van een overeenkomst. Dit geldt onder andere voor minderjarigen of voor sommige overeenkomsten die door getrouwde personen worden gesloten met derden. Zie ook het artikel rechtspersonen voor de vraag wie bevoegd is overeenkomsten te sluiten namens een rechtspersoon.

Totstandkoming van een overeenkomst Overeenkomsten komen in beginsel tot stand door wilsovereenstemming van partijen, het is een meerzijdige rechtshandeling met aan de ene kant het aanbod en aan de andere kant de aanvaarding. Beide wilsuitingen zijn vormvrij, van belang is dat de aanvaarding inhoudelijk overeenstemmen met het aanbod. Zie de privaatrechtelijke overeenkomst in onderstaand schema:

Interactie Een overeenkomst kan alleen tot stand komen wanneer twee of meer personen onderling jegens elkaar gedragingen verrichten waaruit blijkt of schijnt dat die personen onderling iets willen laten gelden. Ook is het mogelijk dat een persoon door middel van de gedragingen van een ander laat blijken, zoals bij rechtspersonen per definitie het geval is, dat hij iets wil laten gelden. Dat gedrag hoeft zeker niet met woorden gepaard te gaan. Daarbij valt te denken aan het aankopen van goederen in een supermarkt. Wanneer dergelijke interactie niet plaatsvindt, kan toch sprake zijn van een meerzijdige rechtshandeling, namelijk in het geval van een gesamtakt. Het gaat dan om zogenaamde parallelle wilsverklaringen.

Het Burgerlijk Wetboek duidt deze interactie aan met ‘aanbod en aanvaarding van dat aanbod’ (zie hieronder). De wet lijkt te eisen dat het aanbod als actieve gedraging (handeling) aan aanvaarding als handeling voorafgaat, maar strikt genomen is dit niet vereist. Partijen kunnen eerder hebben afgesproken dat aanvaarding ook kan plaatsvinden door algehele passiviteit. Bovendien zal in werkelijkheid niet altijd sprake zijn van een eenvoudig aanbod en een eenvoudige aanvaarding daarvan. De interactie is bijvoorbeeld bij onderhandelingen complexer. Zeker wanneer de overeenkomst geheel mondeling tot stand komt, is het moeilijk om te achterhalen wanneer er een aanbod is geweest en wanneer er een aanvaarding is geweest. Aanbod en aanvaarding als eenvoudige handelingen berust op een juridische fictie.

Vertrouwen De relatie tussen personen die een overeenkomst met elkaar aangaan wordt beheerst door de norm dat tussen personen geldt wat deze personen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze uit elkaars gedragingen hebben mogen opmaken (art. 3:35 BW). Op grond van art. 3:11 BW is de vraag wat iemand moest verwachten als ondergrens niet op maat van die persoon gesneden. Er wordt, met andere woorden, uitgegaan van wat een gemiddelde persoon in de gegeven omstandigheden mocht verwachten (objectivering). Heeft de persoon in werkelijkheid zodanige eigenschappen dat hij in de gegeven omstandigheden bepaalde verwachtingen niet mocht koesteren, dan geldt deze hogere norm (subjectivering). Deze relatie van goede trouw beheerst alle elementen van de (totstandkoming van de) overeenkomst.

Rechtssfeer Naar de woorden van de wet levert elke aanvaarding van een aanbod een overeenkomst op. In de werkelijkheid kan dit niet het geval zijn. Niet elke afspraak levert een overeenkomst op. Wanneer twee personen afspreken naar de bioscoop te gaan, dan zal doorgaans geen sprake zijn van een rechtens bindende afspraak. De vraag of een afspraak als rechtens bindend moet worden aangemerkt, is niet altijd duidelijk. Ook hier is beslissend wat de personen van elkaar mochten verwachten, waarbij met name de gewoonte van belang is. Soms wordt door partijen de afdwingbaarheid aan verbintenissen die uit een overeenkomst voortvloeien, onthouden (het gaat om natuurlijke verbintenissen). Niettemin zijn dergelijke overeenkomsten rechtens bindend. Wanneer een verbintenis uit een zogenaamd herenakkoord wordt nagekomen, dan heeft dit het rechtsgevolg dat die verbintenis tenietgaat. Een en ander speelt zich dus in de sfeer van het recht af.

Precontractuele fase Indien inderdaad sprake is van de totstandkoming van een afspraak in de rechtssfeer, dan wordt gesproken van de precontractuele fase. Niet bij alle overeenkomsten kan deze precontractuele fase worden opgemerkt. Bij onderhandelingen speelt deze fase wel heel nadrukkelijk een rol. De precontractuele fase wordt erdoor gekenmerkt dat partijen niet meer geheel vrijblijvend tegenover elkaar staan, terwijl van een overeenkomst strikt genomen nog geen sprake is. In de precontractuele gaan de eisen van redelijkheid en billijkheid gelden. Deze eisen worden in de jurisprudentie geconcretiseerd. Gaat bijvoorbeeld een fusie op het laatste moment niet door, dan kan dat de opbrekende partij op het betalen van een schadevergoeding en van de kosten komen te staan.

Aanbod en aanvaarding In art. 6:217 lid 1 BW wordt aangegeven dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en een aanvaarding van dat aanbod. Dit aanbod en die aanvaarding zijn zelf rechtshandelingen, te weten eenzijdig gerichte rechtshandelingen. Dat wil zeggen dat – zoals hierboven aangegeven – een persoon die bij de totstandkoming van een overeenkomst betrokken is, eenzijdig tegenover de andere betrokkene(n) gedrag moet vertonen waaruit blijkt of schijnt dat hij een overeenkomst tot stand wil brengen. Het gaat om een gerichte rechtshandeling, omdat voor het bestaan van de rechtshandeling vereist is dat dit gedrag door de andere betrokkene(n) moet zijn opgevangen (art. 3:37 lid 3, eerste zin, BW). Hier geldt steeds dat personen zich door een ander kunnen laten vertegenwoordigen.

Een rechtshandeling bestaat uit een wil en een verklaring van die wil, maar de wil kan onder omstandigheden worden vervangen door het vertrouwen van de wederpartij, wanneer dat vertrouwen – terecht – is gebaseerd op een verklaring van degene die verklaart. Om die reden gaat het overeenkomstenrecht er weliswaar van uit dat er tussen partijen wilsovereenstemming moet bestaan, maar kan wilsovereenstemming niet als fundamentele eis voor het bestaan van een overeenkomst worden aangemerkt. In veel gevallen zal volledige wilsovereenstemming niet bestaan, zodat voor de vraag wat tussen partijen geldt wederom beslissend is wat deze personen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze uit elkaars gedragingen hebben mogen opmaken. Bij de uitleg van schriftelijke contracten geldt in dit verband de in jurisprudentie ontwikkelde zogenaamde Haviltex-formule, in 1981 vastgelegd door de Hoge Raad.

Opzegging Voor benoemde overeenkomsten is de opzegging (eenzijdige ontbinding) wettelijk geregeld in de betreffende hoofdstukken van het burgerlijk wetboek. Problematisch zijn de gevallen waarin de andere partij het bestaan van een onderlinge overeenkomst ontkent. Indien een van de partijen de behoefte heeft zich aan een overeenkomst te onttrekken, bijvoorbeeld om met een derde in zee te gaan, dan dient deze zich terugtrekkende partij zich ervan rekenschap te geven niet snel aan te nemen dat er geen overeenkomst zou zijn (anders dan vaak ten onrechte wordt verondersteld is schriftelijke vastlegging in de vorm van een contract voor het ontstaan van een overeenkomst geen vereiste), dan wel dat men gedwaald zou hebben. Het terugtrekken kan ook dan worden beschouwd als de opzegging van de overeenkomst, die zodra die eenmaal tot stand gekomen is slechts kan worden ontbonden op een overeengekomen grond, dan wel indien de wederpartij toerekenbaar is tekortgeschoten in de op hem in die onderlinge rechtsverhouding rustende verplichtingen of in de nakoming van de overeenkomst.

Ook uit een terugtrekking in een gevorderd stadium van onderhandelingen om te komen tot een overeenkomst, waarbij de zich terugtrekkende partij stelt dat er zijns inziens nog overeenkomst was bereikt en dan van een opzegging daarvan geen sprake zou zijn, kan toch in bepaalde gevallen een aansprakelijkheid voor door de wederpartij geleden schade ontstaan (zie m.b.t. de precontractuele verplichtingen ook hierboven onder #Precontractuele fase).

Wederkerige en eenzijdige overeenkomsten Men onderscheidt wederkerige en eenzijdige overeenkomsten. Bij wederkerige overeenkomsten worden er over en weer verbintenissen gevestigd. Artikel 6:261 BW: Een overeenkomst is wederkerig, indien elk van beide partijen een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van een prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar verbindt.