Jean-François Lyotard (Vincennes, 10 augustus 1924 - Parijs, 21 april 1998) was een Frans filosoof wiens werk geplaatst wordt binnen de poststructuralistische en de postmoderne filosofie. Hij hield zich vooral bezig met vraagstukken uit de esthetica, ethiek en politieke filosofie. De centrale inzet van zijn werk was hoe men op rechtvaardige manier getuigenis kan afleggen van het onpresenteerbare en de geschillen tussen diverse vormen van spreken. Zelf wees hij iedere poging om een universeel en overkoepelend kader daarvoor te ontwikkelen van de hand. Lyotard verkreeg internationale bekendheid met zijn boek La condition postmoderne (1979), dat de term postmodernisme populariseerde. Zelf zag hij Le différend (1983) als zijn belangrijkste werk.
Biografie Jean-François Lyotard werd geboren in Vincennes op 10 augustus 1924. Hij was het kind van Jean-Pierre Lyotard, een verkoper, en Madeleine Cavalli. Jean-François ging naar school op het Lycée Buffon en Lycée Louis-le-Grand. In een later autobiografisch essay stelde Lyotard dat hij initieel de ambitie had om een dominicaanse monnik, een kunstschilder, een historicus of een schrijver te worden. Deze ambities gaf hij echter op om filosofie en literatuur te studeren aan de Sorbonne, nadat hij tweemaal faalde voor het toelatingsexamen van de École Normale Supérieure. Aan de Sorbonne werd hij bevriend met Gilles Deleuze. Zijn dissertatie behandelde het onderwerp van onverschilligheid als een ethisch begrip.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Lyotard vrijwilliger om slachtoffers tijdens de bevrijding van Parijs van EHBO te voorzien. Na de oorlog, in 1948, trouwde Lyotard met Andrée May en werd al snel vader van twee kinderen, Corinne en Laurence. Lyotard slaagde voor zijn agrégation, waardoor hij een onderwijstaak kon opnemen. Hij werd dan leraar aan een jongensschool in Constantine, Algerije in 1950. Hier raakte Lyotard vertrouwd met het werk van Karl Marx en de Algerijnse politieke situatie en was overtuigd dat een socialistische revolutie nodig was.
Van 1952 tot 1959 gaf hij les aan de zonen van het militaire personeel in La Flèche. In 1954 werd Lyotard ook lid van de socialistisch-revolutionaire organisatie Socialisme ou Barbarie. Andere leden van deze organisatie waren Cornelius Castoriadis, Claude Lefort en Pierre Souyris. Gedurende deze jaren was Lyotard voornamelijk intellectueel bezig met de politieke strijd in Algerije. Zo schreef hij voor het tijdschrift van Socialisme ou Barbarie, alsook pamfletten die hij uitdeelde aan arbeiders aan de fabriekspoorten. In 1964 voltrok er zich in Socialisme ou Barbarie een breuk, grotendeels omwille van Castoriadis' nieuwe theoretische wending voor de groep. Samen met Souyris werd Lyotard vervolgens lid van de splinterbeweging Pouvoir Ouvrier, dat hij echter opgaf in 1966. Rond die tijd verloor Lyotard zijn geloof in marxisme en keerde hij terug naar de filosofie. Van 1959 tot 1966 was Lyotard aangesteld aan de Sorbonne om vervolgens een positie te krijgen in het filosofiedepartement van de universiteit Paris-Nanterre. Daar nam Lyotard deel aan de protesten rond mei 68 en organiseerde demonstraties voor de Mouvement du 22 Mars.
Rond deze tijd woonde Lyotard ook de seminaries bij van de psychoanalyticus Jacques Lacan. Op basis hiervan schreef Lyotard zijn eerste grote werk Discours, Figure (1972), dat ook als Lyotards habilitatie gold (onder begeleiding van Mikel Dufrenne). Van 1968 tot 1970 was Lyotard aangesteld aan de Centre national de la recherche scientifique. Daarna werd hij aangesteld aan de experimentele universiteit van Vincennes.
Rond deze periode bezocht Lyotard ook de Verenigde Staten, met name Californië en was onder de indruk van het cultuurverschil met Europa. In 1979 publiceerde Lyotard La condition postmoderne, als rapport over de invloed van technologie op de plaats van wetenschappelijke kennis, in opdracht van de regering van Quebec. Dit boek gaf Lyotard snel wereldwijde bekendheid, waardoor hij in de volgende jaren ook vele lezingen gaf buiten Frankrijk. Hij werd tevens aangesteld aan de universiteit van Californië en de Emory-universiteit. Lyotard was daarnaast stichtend lid van de Collège International de Philosophie.
In 1993 trouwde Lyotard opnieuw, ditmaal met Dolorès Djidzek, en ze hadden een zoon, David. Lyotard stierf op 21 april 1998 aan leukemie.
Filosofie Het werk van Lyotard is versplinterd op twee manieren. Allereerst zijn er duidelijke verschuivingen in zijn oeuvre aanwezig. Zo is zijn vroege werk nog duidelijker geïnspireerd door het marxisme en de fenomenologie. Tegen het einde van de jaren 1960 duikt de invloed van psychoanalyse op, voornamelijk onder invloed van Jacques Lacan. Een decennium later verschuift het werk van Lyotard zich nogmaals, als onderdeel van de linguistische wending. Hij inspireerde zich in deze periode vooral door het werk van Ludwig Wittgenstein, maar ook door het werk van Immanuel Kant begint een centrale rol te spelen.
Ten tweede wijst hij zelf meermaals het idee af dat er een eenheid in zijn denken is of zelfs maar kan zijn. Juist zijn eigen denken vraagt om geen systeem uit te werken dat men vervolgens kan toepassen op allerlei fenomenen, maar eerder van de fenomenen zelf vertrekken en lokale manieren van spreken uit te werken.
Vroege werken Het eerste boek van Lyotard La Phénoménologie (1954) was een inleidend werk tot de fenomenologie. In dit kleine boekje focust hij vooral op het werk van Edmund Husserl en Maurice Merleau-Ponty. Het tweede deel van het werk gaat in op de vraag welke functie fenomenologie heeft voor de menswetenschappen. Lyotard stelt dat fenomenologie een belangrijke rol kan spelen, met name door de essentie van hun vakdomein in kaart te brengen, zoals het 'sociale' in sociologie of wat het 'historische' is binnen de geschiedkunde. Volgens Lyotard kunnen deze vragen niet vanuit de discipline zelf beantwoord worden. De inzet voor Lyotard, echter, is een confrontatie tussen de fenomenologie en het marxisme. Zijn conclusie is dat de fenomenologie deze confrontatie niet doorstaat omdat het niet adequaat rekenschap kan afleggen van de rol van de socio-economische realiteiten, maar deze aspecten steeds reduceert tot het subject. Het andere vroege werk van Lyotard is inderdaad ook sterk marxistisch geïnspireerd en focust met name op de toenmalige toestand in Algerije.
Libidinale economie De breuk met het marxisme komt bij Lyotard rond mei 68. Tegelijkertijd begon hij zich rond die tijd ook sterk af te zetten tegen het structuralisme, dat in de jaren 1960 enorm invloedrijk was in Frankrijk (door het werk van onder anderen Claude Lévi-Strauss, Roland Barthes, Jacques Lacan en Louis Althusser). In werken zoals Discours, Figure (1971) en Des dispositifs pulsionnels (1973) benadrukt Lyotard hoe een exclusieve focus op structuren en taal, onvoldoende is. Wat zo buiten beeld blijft is wat Lyotard het 'figurale' noemt, verwijzend naar het visuele en sensuele aspect dat steeds aan elk vertoog ontsnapt. Exemplarisch voor Lyotard is daarbij de esthetische ervaring in kunst, die nooit volledig in taal gevat kan worden. Tegelijkertijd wil Lyotard ook niet beweren dat enkel dit figurale van tel is. Hij stelt eerder dat vertoog en het figurale elkaar vooronderstellen, doordat er bijvoorbeeld ook in schilderijen symbolen en andere talige tekens aanwezig zijn, terwijl in taal figurale aspecten zoals de vormgeving van de tekst of het poëtische aspect van de taal present zijn.
In zijn volgend boek Économie libidinale (1974) zet hij dit thema verder uiteen, maar nog sterker uitgedrukt in een psychoanalytisch kader. Dit boek is wellicht het meest controversiële boek van Lyotard, dat een breuk met vele van zijn marxistische vrienden betekende. Lyotard zelf heeft eveneens later van dit werk afstand genomen. Het boek heeft op een aantal cruciale punten overeenkomsten met L'Anti-Oedipe (1972) van Gilles Deleuze en Félix Guattari. Allereerst is de stijl gelijkaardig, doordat de tekst geen strikte argumentatief vertoog volgt, maar openlijk de verlangens van de schrijver (Lyotard) zelf in de tekst verwerkt. Volgens Lyotard is elke wetenschap doordrongen van verlangens en deze moeten niet verborgen en vergeten worden. Ten tweede gaan beide boeken in gesprek met de psychoanalyse, waarvoor ze vaak heel kritisch zijn.
Ten derde betogen beide boeken dat er geen onderscheid is tussen verlangens op individueel niveau en socio-economische structuren. Terwijl iemand als Sigmund Freud het libido nog voornamelijk op het individuele niveau besprak, als een vorm van energie die in het lichaam circuleert en die vervolgens via de vorming van een Über-ich in belans werden gehouden, wil Lyotard het libido ook op maatschappelijk niveau denken. In die zin spreekt hij dan ook van een libidinale economie. Stabiele structuren in de maatschappij zijn op te vatten als libidinale velden, die enerzijds gestabiliseerd worden door het plezierprincipe (Eros) en anderzijds steeds hun grenzen overschrijden en instituties destabiliseren via de doodsdrift (Thanatos). Zulke transformaties gebeuren volgens Lyotard steeds via 'apparaten' (dispositifs), die deze energiestromen begeleiden en zelf niet meer dan heel vluchtige energiestructuren zijn (zoals het lichaam, een kunstwerk, een financieel systeem, een tekst, een theorie, enzovoort).
De mutaties die veroorzaakt worden door de libidinale economie noemt Lyotard 'gebeurtenissen'. Zowel het libido als deze gebeurtenissen kunnen volgens Lyotard niet gepresenteerd en gevat worden in vertogen. Juist zoals L'Anti-Oedipe wordt ook deze tekst van Lyotard vaak gelezen alsof het zich positief uitspreekt over deze energiestromen: het zou beter zijn deze stromen te versterken en te bevrijden in plaats van de bestaande structuren te behouden die deze gebeurtenissen slechts afremmen. Beide boeken worden dan ook wel eens gelezen als een pleidooi voor anarchisme. Toch is er een belangrijk verschil. Terwijl Deleuze en Guattari een onderscheid lijken te maken tussen fascistische en bevrijdende verlangensstromen (met een voorkeur voor de laatste groep), is zo'n onderscheid niet aanwezig bij Lyotard. Volgens Lyotard kan het kapitalisme immers evengoed als een bevrijdende stroom gezien worden. Onze verlangens worden niet vervreemd in het kapitalisme, maar de evengoed in ons aanwezige doodsdrift wordt verdergezet in het kapitalisme tot dat punt dat het alle instituties die er een obstakel voor vormen uit de weg moeten geruimd worden. Bovendien wordt kapitalisme getypeerd door een onverschilligheid tegenover de aard van de circulerende verlangens of producten, zolang er maar kapitaalaccumulatie plaatsvindt. Lyotard gaat zelfs zo ver te stellen dat voor individuen die verkeren in extreme armoede kapitalisme de enige uitweg is, aangezien er geen overtuigend alternatief systeem bestaat. Pas eens men werk, eten en huisvesting heeft kan echt verzet verschijnen.
Postmodernisme Het bekendste thema van het werk van Lyotard is wellicht zijn diagnose van de postmoderniteit, vaak gelinkt met La condition postmoderne (1979). Toch is dit noch de eerste noch de laatste tekst waarin deze thematiek aan bod komt. Initieel kadert Lyotard het bovendien niet in termen van postmodernisme, maar van paganisme. Wat voor Lyotard hier voornamelijk op het spel staat is de vraag naar de moderniteit of het modernisme: wat betekent het modern te zijn?