thumb|De strijkster (1912) Hendrik Emil (Rik) Wouters (Mechelen, 21 augustus 1882 – Amsterdam, 11 juli 1916) was een Belgisch beeldhouwer, kunstschilder, tekenaar en etser. Zijn werk wordt tot de stroming van het fauvisme gerekend.

Jeugd en opleiding Rik Wouters werd geboren in Mechelen op 21 augustus 1882. Hij was het tweede kind van beeldhouwer en meubelmaker Emil Wouters en diens vrouw Melania Daems. Zijn moeder stierf toen Wouters vijftien jaar oud was.

Naar eigen zeggen kon Wouters op school niet aarden. Om die reden startte hij op twaalfjarige leeftijd startte als beeldhouwer in het meubelatelier van zijn vader. Daarnaast studeerde hij aan de Mechelse Academie voor Beeldende Kunsten, waar hij Ernest Wijnants leerde kennen. Wouters ontwikkelde een vriendschap met Wijnants en samen kregen zij les in het atelier van Theo Blickx. Van hem leerde Wouters boetseren en het maken van snelle schetsen. Volgens Blickx had Wouters een 'onlesbare wetenshonger'. Voor de werken die Wouters in deze periode maakte, won hij diverse prijzen.

In 1900 verhuisde hij naar Brussel om aldaar beeldhouwen te studeren aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel. Aan de academie kreeg hij onder meer les van Charles Van der Stappen. In Brussel ontmoette hij rond 1903 Nel Duerinckx. Zij was zowel zijn muze als grote liefde. De twee trouwden op 15 april 1905.

Loopbaan Na hun huwelijk vertrokken ze naar Watermaal-Bosvoorde waar ze een klein huisje betrokken. In deze periode werkte Wouters tevens voor een fotograaf, maar hij was van mening dat het een negatieve invloed had op zijn schilderswerk. Duerinckx probeerde werken van Wouters te verkopen aan een kunsthandelaar in de Sint-Hubertgalerijen, maar zonder succes. Het echtpaar moest Watermaal-Bosvoorde vanwege financiële moeilijkheden verlaten en trok in bij de vader en broers van Wouters in Mechelen.

Een deel van de inboedel die ze na hun huwelijk hadden gekregen, bleef in het appartement achter om de schulden te vereffenen. De vader van Wouters verwachtte in zijn huishouden een duidelijke taakverdeling en er was weinig vrijheid voor het pasgetrouwde koppel. Duerinckx werd geacht het huishouden op haar te nemen, iets dat ze met weinig enthousiasme deed. De vader en de nog thuiswonende broers van Wouters behandelden haar als een dienstmeisje. Naast haar huishoudelijke taken, poseerde ze ook voor Wouters in zijn provisorische atelier. In juni 1906 verhuisde het koppel naar Brussel. Nadat Wouters wat geld had verdiend bij porseleinfabriek Maison Vermeren-Coché, verhuisden ze naar Sint-Joost-ten-Noode.

Vertrek naar het Zoniënwoud In 1907 vertrokken ze samen naar Bosvoorde vlak bij het Zoniënwoud, mede vanwege de zwakke gezondheid van Duerinckx die in deze periode leed aan tuberculose. In Bosvoorde woonden ze aan de Dennenbosstraat 58.Aan de gevel van deze woning hangt een gedenkplaatje dat het koppel hier heeft gewoond. Door hernummering heeft het huis thans huisnummer 56. De buurt waar ze woonden was kinderrijk en Duerinckx, die de kinderen 'bosuilen' noemde, beschreef hoe zij nieuwsgierig bij hen naar binnen keken om te zien hoe Wouters aan het werk was.

Wouters en Duerinckx waren bevriend met vele kunstenaars, waaronder Edgard Tytgat, Auguste Oleffe en Fernand Verhaegen en zijn vrouw Aline. Laatstgenoemde beeldde Wouters en Duerinckx samen af in zijn werk Rik Wouters en zijn model uit 1910.

De gezonde bosomgeving deed zowel Duerinckx als Wouters goed en Wouters was in deze periode zeer productief. Geïnspireerd door het licht en zijn omgeving maakte hij vele werken. In 1909 maakte hij het werk Het zotte geweld dat was geïnspireerd op de danseres Isadora Duncan. Daarnaast maakte hij de werken Vrouw in het zwart een krant lezend (1912), De opvoeding (1912), De strijkster (1912), Herfst (1913) en Lezende vrouw (1913).thumb|Rik Wouters: Huiselijke zorgen, 1913, Middelheimmuseum, AntwerpenOndanks Wouters' productiviteit leefde het koppel in armoede en was afhankelijk van een staatstoelage. Daarnaast verdiende Wouters af en toe geld met de verkoop van zijn werken. Uit armoede stal Duerinckx een keer een aantal aardappelen nadat ze dagen op brood hadden geleefd. Zijn vriend Edgard Tytgat schreef later over hen:“Als ik hem ging opzoeken, kwam ik hem soms op de weg tegen. Hij haalde water uit de fontein. Wat een mooie herinneringen zijn me bijgebleven aan de wandelingen met hem [Rik] langs het steile straatje aan het Zoniënwoud. Zijn huis stond aan de bosrand. Nel en haar hondje Stella wachtten op ons.”Tentoonstellingscatalogus, E. Desmedt, Edgar Tytgat, houtsnijder; museum voor Schone Kunsten, Gent, 1995-96Enkele jaren later leek het tij te keren. Dankzij prijzengeld dat Wouters had gewonnen, konden ze een stukje grond kopen aan het CitadelpleinHet huis heeft thans het adres Rik Woutersplein 7. in Bosvoorde. Wouters had het ontwerp voor het huis zelf getekend. In maart 1914 verhuisde het koppel naar hun nieuwe onderkomen, maar woonde hier slechts enkele maanden.miniatuur|Zittende vrouw bij het venster of Portret van Nel Deurinckx, vrouw van de kunstenaar in het MSK te Gent

Werk Aan werk van de tijd, noodgedwongen op karton gemaakt, zocht hij naar een eigen stijl. Hij imiteerde de dan in de mode zijnde stijlrichtingen maar zette er zich ook tegen af. Wouters wilde het licht vangen zonder te vervallen in pointillistische stipjes. Wouters lichtheid in zijn werk hangt eerder af van de compositie, van harmonie en contrast, waarbij kleurvlakken een eigen bestaan leiden op het doek. Hierin neigde hij al naar het abstracte. Rik Wouters schreef toen in een brief: Leven is schilderen, beeldhouwen en tekenen. Wouters was voortdurend bezig met zijn werk; ze bespaarden op hun eten om dure verf te kopen. Intussen waren Edgard Tytgat en Willem Paerels vrienden geworden. Datzelfde jaar maakte Rik een buste van Tytgat in gips; deze zou tijdens zijn leven nooit in brons gegoten worden, maar onder de zorg van de Brusselse galerie Giroux gebeurde dit later wel. Momenteel hoort het beeld tot de verzameling van het Brusselse Koninklijke Museum voor Schone Kunsten. thumb|Zelfportret, 1914, Koninklijk Museum voor Schone kunsten, Antwerpen

De materiële beperkingen werden enigszins opgelost door een contract bij de Brusselse Giroux, in 1911. Rik Wouters is blijkbaar de eerste Belgische kunstenaar geweest die zich met een dergelijk contract aan een galerie bond. Anderzijds wijst het op het vertrouwen dat een galerist in deze jong kunstenaar stelde, met alle risico's van dien. Hij kreeg een maandgeld van 200 frank (BEF), dat echter niet zo regelmatig werd betaald, èn een krediet bij een schilderszaak. Zijn totale productie, zowel de schilder- als de beeldhouwwerken en de tekeningen, moest bij Giroux in verkoop gebracht worden, op basis van 50/50. Daarbij koos de galerist iedere maand een werk voor zichzelf uit.Rik Wouters en Nederland, Maarten Jager; Waanders uitgevers, Zwolle / museum Flehite, Amersfoort, 2016;

Rik raakte eind 1911 definitief in de ban van kleur en licht; op dat moment begon dan ook pas zijn grote, maar kortdurende schildersloopbaan. Hij begon toen ook met een nieuwe techniek te experimenteren; de olieverf verdunde hij met terpentijn en bracht deze ook dun maar spontaan op het doek aan, dat bovendien ook deels bewust onbedekt werd gehouden. Of een compositie wel of niet af was, bleef vaak onduidelijk daardoor; met name collega-kunstenaars waren erg enthousiast. Te midden van koortsachtig druk beeldhouwen, tekenen en schilderen realiseerde Rik Wouters in 1912 en 1913 de meesterlijke hoogtepunten uit zijn te korte carrière. Hij schilderde en tekende bijna onafgebroken en maakte in 1912 zeker zestig doeken. Het zotte geweld en Huiselijke zorgen, natuurlijk naar het Nel-model, en de schitterende buste van James Ensor zijn de beroemde sculpturen uit die jaren. Bij de doeken is De strijkster, alweer Nel zelf, een onbetwistbare kleurenwervel, naar het fauvistische model. Na een geslaagde verkoop in de galerie Giroux reisden Rik en Nel samen voor enkele weken naar Parijs, om er, in kleuren, de werken van schilders als Renoir en Paul Cézanne te bewonderen. Daarbij kwam, in datzelfde jaar, nog de bekroning met de Picard-prijs, ter waarde van 600 frank. Hij leende nog 10.000 frank bij, kocht een bouwgrond, tekende zelf de bouwplannen van een werkmanswoning en in het voorjaar van 1914 betrokken Rik en Nel de nieuwe woning. In dit huis schilderde Wouters zijn schilderij Vrouw in het blauw voor de spiegel. Het is een typisch doek van hem, schetsmatig opgezet met uiterst beweeglijk naast elkaar geplaatste kleurvlakken waarin een spiegel naar een vrouw kijkt en daarvan lijkt te duizelen. Het anekdotische element vermeed hij.

Op een groot deel van werken wordt zijn echtgenote en muze Nel afgebeeld. In schilderijen is ze te zien in dagelijkse taferelen, terwijl ze uit het raam kijkt, strijkt of aan tafel zit met een buurmeisje. Daarnaast stond ze ook model voor de vele bronzen en gipsen beelden die Wouters maakte, waaronder Het zotte geweld uit 1912. Naast Nel waren ook andere dagelijkse dingen onderwerp voor de schilderijen van Wouters, allen gekenmerkt door het gebruik van felle kleuren en helder licht. Daarnaast maakte hij een aantal zelfportretten, waaronder het Zelfportret met de zwarte ooglap uit 1915 dat Wouters schilderde in Amsterdam. Wouters leed in deze periode aan kaakbeenkanker en was door zware operaties genoodzaakt een zwarte ooglap te dragen. Het portret staat in schril contrast met de vrolijke en kleurrijke portretten die hij voorheen maakte, maar heeft desondanks wat kleur.

Invloeden miniatuur|Schilderskist van Rik Wouters, collectie KMSKA De eerste jaren in Bosvoorde vanaf 1907 was de invloed van Ensor duidelijk aanwezig in de schilderijen die Wouters maakte (hoewel hij toen vooral met beeldhouwen bezig was), maar uitsluitend in het kleurgebruik van de vroege Ensor. Naar aanleiding van een groepstentoonstelling in Antwerpen bij de kunstenaarsvereniging Kunst van Heden, waar van beide mannen werk hing, noteerde Wouters: 'Onze grote vriend Ensor heeft er heerlijke dingen hangen, niet te evenaren van kleurenweelde en uitzonderlijke tonen. Hoe fris oogt die Liefdestuin niet, met al die kleine bonte figuurtjes in rozig wit, roze, rood, blauw, geel en nog veel andere schakeringen, de ene al buitengewoner dan de andere. De hemel is roze! Godverdomme, wat voor een roze! Het is uniek in de geschiedenis van de schilderkunst. De grond: zuiver veronese-groen... Allemaal heel schoon en goddelijk van kleur... Nom de Dieu, Ensor, Ensor!' Rik Wouters. Kroniek van een Leven, O. Bertrand & S. Hautekeete; Antwerpen 1994, p. 85 Later zou Wouters nog een buste in brons maken in 1913, waar Ensor echter niet erg enthousiast over was.

Het schilderij De perziken (c. 1913-14) waar Wouters kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog aan begonnen was en wat hij ook niet afmaakte, laat geen enkele twijfel bestaan over zijn grote bewondering toen voor het werk van Paul Cézanne. Aanvankelijk vond Wouters in Parijs de Cézannes die hij daar zag te ingetogen van kleur; het deed hem te veel denken aan 'tapisserie'. Maar kort daarna kreeg hij met name grote bewondering voor Cézannes composities en constructieve opbouw. De ondertitel van zijn schilderij De perziken is dan ook: Eerbetoon aan Cézanne.Huis van herinneringen, F. Lechien-Durant, Museum van Buuren, Brussel 2000, p. 133 Het eerste boekje (met zwart-wit-afbeeldingen!) dat hij van Cézanne onder ogen kreeg (opgestuurd door zijn vriend Lévy uit Frankrijk) schokte hem; hij schreef zijn vriend begin 1911 terug: 'Het staat vol met schone dingen. Ik heb het gevoel dat Ensor verbleekt bij dit alles.. ..de eerste overvloedig en gecompliceerd, de ander [Cézanne] van een weleer sobere rijkdom, groter ook en met een onmiddellijk en ontroerend effect. Ik denk dat dit de juiste weg is; ik zal die dan ook enthousiast inslaan.' 'Rik Wouters', K. de Boodt, in Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, 2014, p. 32