Herrerasaurus is een van de eerste geslachten van uitgestorven dinosauriërs en leefde tijdens het Trias in het gebied van het huidige Argentinië. De typesoort is Herrerasaurus ischigualastensis.

Vondst en naamgeving In 1959 ontdekte geitenhoeder Victorino Herrera bij Aguada de la Peña in het Ischigualastobekken nabij San Juan fossielen van onbekende dinosauriërs die nader onderzocht werden door paleontoloog Osvaldo Alfredo Reig. De skeletten lagen aan het woestijnoppervlak te verweren. In 1961 vond Reig een exemplaar dat voldoende compleet was om er een nieuwe soort op te baseren. left|thumb|Het bizarre landschap van de vindplaats In 1963 werd de typesoort Herrerasaurus ischigualastensis benoemd en beschreven door Reig. De geslachtsnaam eert Herrera. De soortaanduiding verwijst naar de Ischigualastoformatie.

Het holotype, PVL 2566, is gevonden in een laag van de Ischigualastoformatie die dateert uit het vroege Carnien, ongeveer 230 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet zonder schedel. Bewaard zijn gebleven: de zevende tot en met veertiende ruggenwervel, de drie sacrale wervels, vrijwel de complete reeks van de eerste tot en met tweeënveertigste staartwervel inclusief chevrons, het bekken, een achterpoot en een sprongbeen. Andere gevonden fossielen wees Reig aan als de paratypen. Specimen MLP 61-VIII-2-2, gevonden in 1960 door Galileo Juan Scaglia, bestaat uit bekkendelen. Specimen PVL 2054 (door Reig in 1963 vermeld als PVL 2045), gevonden in 1959, is een wat vollediger skelet met buikribben, de schaambeenderen en de achterpoten. Een erg fragmentarisch skelet is PVL 2558a waarvan nog een handklauw en stukken van beide dijbeenderen en scheenbeenderen over zijn. Twee andere paratypen, de schedel PVL 2558 en het dijbeen PVL 2264, bleken later twijfelachtig te zijn. PVL 2558, in 1961 gevonden door Scaglia, bleek twee schedels te vertegenwoordigen waarvan minstens een van een onbestemd lid van de Archosauria; ook het dijbeen is van een niet te determineren archosauriër. PVL 2558a is later van het materiaal van PVL 2558 afgesplitst.

Herrerasaurus was in 1963 niet de enige soort die Reig benoemde. In dezelfde publicatie gaf hij de naam Ischisaurus cattoi aan een kleiner skelet. De geslachtsnaam verwijst weer naar de Ischigualasto. De soortaanduiding eert geologe Noemi Cattoi. Het holotype van deze soort is specimen MACN 18.060, een vrij compleet skelet, gevonden in 1960, dat anders dan het holotype van Herrerasaurus een schedel, enkele halswervels en delen van de voorpoten omvatte. Ook deze soort heeft een paratype, specimen MLP 61-VIII-2-3, een fragmentarisch skelet met stukken kaak en wervel, een ravenbeksbeen, twee ellepijpen en delen van de achterpoten. De tweede soort werd slechts summier beschreven. Reig zelf gaf in 1963 al aan dat hij oorspronkelijk dacht dat het slechts om een jong van Herrerasaurus ging en al in 1966 stelde Alfred Sherwood Romer dat hij daar gewoon gelijk in had gehad. Die opvatting was toen echter nog lang geen gemeengoed; pas in 1992 zou door een publicatie van Fernando Emilio Novas vrij algemeen aanvaard worden dat Ischisaurus een jonger synoniem was van Herrerasaurus.

In 1975 vond J.E. Gargulío bij Río La Chilca een skelet met schedel, specimen PVSJ 53, dat Novas in 1986 benoemde als Frenguellisaurus ischigualastensis. De geslachtsnaam eert wijlen de Italiaanse paleontoloog Joaquin Frenguelli die veel onderzoek in Argentinië verricht had. Ook deze soort wordt vaak als een jonger synoniem van Herrerasaurus gezien, maar wegens de overeenkomsten met het materiaal van Ischisaurus. Een probleem is ook dat het fossiel uit een jongere laag komt die dateert uit het Norien.

Eind jaren tachtig werd het belang van deze vondsten beter begrepen en kwam een veel intensiever onderzoek op gang. In 1987 meldden Donald Brinkman en Hans-Dieter Sues de vondst van specimen MCZ 7064, een fragmentarisch skelet zonder schedel, dat ze echter nog toewezen aan een Staurikosaurus sp. In 1992 en 1993 publiceerden Novas en Paul Sereno de resultaten van nieuwe expedities in de Ischigualastovallei. Deze omvatten de specimina MACN 18.688, een bekken van een jong dier; MCZ 7063, een gedeeltelijke schedel in 1958 gevonden door Romer; PVSJ 104, een bekken, heiligbeen en achterpoot; PVSJ 373, een erg compleet skelet, echter zonder schedel; PVSJ 380, een schouderblad en voorpoot; PVSJ 407, een gedeeltelijk skelet met schedel; PVSJ 409, een schoudergordel; en PVSJ 461, een fragmentarisch skelet met vooral ruggenwervels.

Er zijn dus in totaal zestien exemplaren van Herrerasaurus bekend. Het meeste wat in de moderne literatuur over Herrerasaurus vermeld wordt, heeft betrekking op PVSJ 373 wat betreft de delen achter de schedel, de postcrania, en op PVSJ 407 wat betreft de schedelelementen. Ook tentoongestelde skeletmodellen zijn grotendeels op deze twee specimina gebaseerd. Een moeilijkheid hierbij is dat, net als in het geval van Frenguellisaurus, hun toewijzing aan Herrerasaurus gebaseerd is op overeenkomsten met Ischisaurus, niet met het holotype. Dat probleem ontstond vooral toen in 2010 een tweede herrerasauride uit Argentinië benoemd werd, Sanjuansaurus. Hoewel de latere exemplaren van Herrerasaurus van Sanjuansaurus lijken te verschillen, delen ze er nu juist die kenmerken mee die een toewijzing aan Herrerasaurus leken te rechtvaardigen omdat ze voorkwamen in het holotype daarvan. De eenheid van het aan Herrerasaurus toegewezen materiaal hangt dus af van de identiteit van Ischisaurus waarvan geen moderne beschrijving bestaat.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Frenguellisaurus vertegenwoordigt het grootste skelet maar het is de vraag of hij identiek is aan Herrerasaurus De afmetingen van Herrerasaurus worden vaak heel verschillend aangegeven. Dat komt doordat de exemplaren nogal in omvang van elkaar afwijken. Het holotype is van een dier dat ongeveer drieënhalve meter lang was. Het exemplaar van Ischisaurus is duidelijk kleiner, zo'n tweeënhalve meter lang. Frenguellisaurus was gebaseerd op een aanzienlijk groter exemplaar dat volgens Novas vijf à zes meter lang werd. Dat is een uitzonderlijke lichaamsomvang voor een dinosaurisch roofdier uit het Trias. In 2010 kwam Gregory S. Paul met een iets lagere schatting voor de lichaamslengte van vierenhalve meter; het gewicht zou in dat geval tweehonderd kilogram hebben bedragen, later door hem bijgesteld tot tweehonderdtwintig kilogram.

Op het eerste gezicht lijkt Herrerasaurus veel op latere vleesetende Theropoda. Hij is een tweevoeter waarvan de armen korter zijn dan de achterpoten. Hij heeft een langgerekte smalle kop, uitgerust met grote tanden, aan het uiteinde van een slanke nek. Een lange hand draagt scherpe klauwen. Zijn onderkaken zijn aangepast aan het naar binnen schrokken van grote stukken vlees doordat ze aan hun zijkanten naar buiten konden klappen. Herrerasaurus voldoet dus aan het beeld van een gevaarlijke rover. Toch toont hij ook kenmerken die te vinden zijn bij latere basale Sauropodomorpha die planteneters waren, zoals zeer robuuste achterpoten met een kort onderbeen en een brede voet. Hoewel planten vermoedelijk geen belangrijk deel van zijn dieet uitmaakten, was hij niet zo extreem aan het eten van vlees aangepast dat hij geen geschikt vooroudertype zou kunnen zijn voor een afstammingslijn van herbivoren.

Reig gaf in 1963 een diagnose van Herrerasaurus die naar huidige maatstaven weinig nuttig is, zowel omdat hij een foute schedel bij de beschrijving had betrokken als omdat hij de soort voornamelijk vergeleek met Carnosauria die niet de nauwste verwanten waren. Een moderne uitgebreide lijst van onderscheidende kenmerken die Novas in 1993 verschafte, heeft door de vondst van Sanjuansaurus grotendeels haar waarde verloren. Slechts in een paar kenmerken verschilt het holotype vaststelbaar van zowel Staurikosaurus en Sanjuansaurus. Het is wel zo dat het volledige materiaal aan Herrerasaurus toegewezen een groot aantal eigenschappen toont die voorlopig uniek zijn doordat ze wegens gebrek aan overlappende elementen helemaal niet met andere soorten vergeleken kunnen worden: van Staurikosaurus is in het geheel geen schedel bekend en van Sanjuansaurus van het cranium slechts een stuk bovenkaak. De vaststelbare verschillen beperken zich aldus tot een schaambeen dat bovenaan naar achteren buigt; een uitstekende trochanter major aan de bovenkant van het dijbeen; een kort scheenbeen dat 87% tot 91% van de dijbeenlengte heeft; en een bovenkaaksbeen dat sterk bol naar beneden buigt.

Skelet Schedel thumb|upright=1.7|Specimen PVSJ 407 vormt onze belangrijkste informatie over de schedel van Herrerasaurus. Het bovenkaaksbeen eronder is PVSJ 053 De schedel van Herrerasaurus, vijfenvijftig centimeter lang bij het holotype van Frenguellisaurus, heeft een typisch archosaurische vorm en is laag en rechthoekig in zijaanzicht. De schedel is tamelijk groot met dezelfde lengte als het dijbeen. Van boven bekeken is de kop nogal smal en loopt naar voren uit in een scherpe punt. De snuitpunt is van bezijden bezien stomp en kromt geleidelijk naar de platte horizontale bovenkant van de snuit. In die kromming ligt een langwerpig matig lang druppelvormig neusgat. Een flink stuk naar achter wordt de zijwand van de schedel doorboord door de liggende ovaal van de fenestra antorbitalis. Daar weer achter ligt in de vorm van een afgeronde ruit een grote oogkas. Het onderste slaapvenster is erg groot en heeft min of meer de vorm van een staande gelijkbenige driehoek.

Het voorste snuitbeen, de praemaxilla, draagt vier tanden. Op de grens tussen praemaxilla en bovenkaaksbeen bevindt zich een spleetvormige opening. Het hoofdlichaam van het bovenkaaksbeen draagt zes grote tanden. Van de eerste tot en met vierde tand nemen die in grootte toe. De kaaklijn bolt hier iets naar beneden. De tanden zijn dolkvormig en hebben kartelingen. Ze zijn echter maar weinig afgeplat. Onder de fenestra antorbitalis bevindt zich nog een dozijn veel; kleinere tanden. De fenestra antorbitalis wordt vooraan, achteraan en bovenaan door apart liggende diepere inspringingen omgeven, die als delen van een fossa kunnen worden gezien. De neusbeenderen hebben achteraan een W-vormige beennaad met de voorhoofdsbeenderen. Zowel neusbeenderen en voorhoofdsbeenderen zijn erg plat, een doorlopend plateau vormend. De traanbeenderen steken iets zijwaarts uit zodat in bovenaanzicht afgeronde lage hoorntjes worden gevormd. In zijaanzicht verheffen die zich niet boven het snuitniveau. De neergaande tak van het traanbeen is kort, breed en loopt schuin naar beneden en achteren zodat er geen rechte achterlijn van de fenestra antorbitalis ontstaat zoals er bij vele latere theropoden wel het geval is. Het jukbeen reikt naar voren toe tot aan de fenestra antorbitalis en heeft een gekromd horizontale richel op de buitenkant. left|thumb|upright=1.7|De schedel van boven bezien