Albert Schweitzer (Kaysersberg, 14 januari 1875 – Lambaréné (Gabon), 4 september 1965) was een Duits drievoudig-gepromoveerd academicus: als medicus (praktiserend arts), als lutherse theoloog en als filosoof, tevens was hij schrijver en musicus.
Albert Schweitzer werd in 1875 geboren in Kaysersberg, in de noordelijke, toen Duitse Elzas, het tegenwoordige Franse departement Haut-Rhin. In 1951 ontving hij de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse Boekhandel voor zijn protest tegen kernproeven en in 1952 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn filosofie 'Eerbied voor al het leven'The Nobel Peace Prize 1952 - Presentation Speech". Nobelprize.org. Toekenningsrede van de Nobelprijs commissie. Gearchiveerd op 17 juli 2018.. Hij werd, behalve door zijn medisch werk in Afrika, vooral bekend door zijn filosofie over cultuur en ethiek, en als musicus door zijn studies en interpretatie op orgel en piano van de muziek van Johann Sebastian Bach.
Biografie
Albert Schweitzer was de tweede zoon van Ludwig Schweitzer, predikant bij de Evangelisch-lutherse gemeente. Zijn moeder was Adele Schillinger, zij was een dochter van de dominee van Mühlbach. Samen met een oudere broer en drie zussen beleefde hij naar eigen zeggen een gelukkige jeugd. Albert Schweitzer was een ziekelijk kind, hij was laat met leren lezen en schrijven. Hij noemde zichzelf later een traag en dromerig kind. Daarom dwong hij zichzelf, toen hij opgroeide, om juist die onderwerpen te leren beheersen die moeilijk voor hem waren, zoals Hebreeuws. Daarbij werd hij onder andere gemotiveerd door zijn klassenleraar uit de derde, Dr. Wehmann, die hem zelfvertrouwen schonk, en later voor de jonge Albert uitgroeide tot een voorbeeld van zelfdiscipline.
Op muzikaal vlak was Schweitzer al als jong kind begaafd. Op zevenjarige leeftijd componeerde hij een psalm en speelde hij op het harmonium koraalmelodieën met zelfgevonden harmonieën. Op zijn achtste begon hij op kerkorgels te bespelen, naar voorbeeld van zijn grootvader. Hij volgde het gymnasium te Mülhausen. Een oudoom was daar directeur van een school voor Volksschule en bereid hem in huis te nemen. Bij zijn oudoom kwam Schweitzer onder strenge tucht te staan, iets waarvoor hij later zijn dankbaarheid zou getuigen. Op 18 juni 1893 haalde hij met tamelijk middelmatige eindcijfers zijn eindexamen.
Studiejaren In oktober dat jaar ontving hij orgelles van de grote Parijse organist Charles-Marie Widor, bekostigd door een oom die koopman in Parijs was. Er ontstond een bijzondere vriendschap tussen Widor en Schweitzer. Eind oktober 1893 begon hij filosofie en theologie te studeren in Straatsburg. Slechts onderbroken door zijn militaire dienstplicht in 1894 stortte hij zich op zijn studie en verdiepte zich de eerste jaren intensief in het Nieuwe Testament en het leven van Jezus. Hij bleef ook op muzikaal vlak bezig, als orgelbegeleider bij Bachconcerten van het St. Wilhelmskoor. Ook leerde hij hier de opera's van Wagner kennen. Na zijn eerste staatsexamen theologie in 1898 besloot hij zich – gesteund door de toekenning van een beurs – op de filosofie toe te leggen.
Daartoe verhuisde hij naar Parijs, waar hij opnieuw orgellessen van Widor volgde en zich verdiepte in de filosoof Immanuel Kant. In de zomer van 1899 reisde hij af naar Berlijn, om zich nader te verdiepen in de filosofie. Hier leerde hij onder andere de theoloog Adolf von Harnack en de psycholoog Carl Stumpf kennen, evenals de bredere academische wereld en geestelijke kringen in Berlijn. De toen nog niet al te grote stad beviel hem zeer, behalve de nieuwere orgels. De klank was dreunend en droog, vond Schweitzer. Eind juli dat jaar keerde hij terug naar Straatsburg en promoveerde op de Duitse filosoof Emanuel Kant.
Werkzaam in Straatsburg thumb|Straatsburg, standbeeld van Albert Schweitzer|200px Schweitzer besloot zich voor langere tijd te vestigen in Straatsburg, en wel in de studentenkamer aan de Thomaskade waar hij eerder met plezier had gewoond. Hij sloeg een aanbod om filosofie-docent te worden af, omdat het dan niet gewaardeerd zou worden als hij bleef prediken. Als predikant – zijn tweede examen had hij ternauwernood gehaald op 15 juli 1900 – verzorgde hij de middagdiensten op zondag en catechisatielessen aan jongens. Ieder jaar kon hij gerust drie maanden vrij nemen om zich te concentreren op verdere studie en reisde hij nog regelmatig naar Parijs. Daar hield hij – in het Duits – colleges over filosofen als Friedrich Nietzsche en Arthur Schopenhauer, schrijvers als Gerhart Hauptmann, Hermann Sudermann en Goethes Faust. In 1900 behaalde hij de graad van doctor in de theologie, met zijn werk over het Avondmaal. In 1902 begon hij colleges te geven aan de theologische faculteit in Straatsburg en in 1905 publiceerde hij in het Frans een biografie van Johann Sebastian Bach.
In 1905 voltooide hij een studie over de bouw van het orgel, waarna hij met zijn studie medicijnen begon, om tropenarts in Afrika te worden. Al langer liep Schweitzer rond met het idee, iets te doen aan het voor hem onbegrijpelijke gegeven dat hij een gelukkig leven leiden mocht, terwijl er zoveel mensen met leed en zorg kampten. In zijn vriendenkring werd zijn voornemen niet goed ontvangen: men betoogde hem dat hij uiteindelijk meer goeds kon doen door vanuit Europa zijn wetenschappelijke kennis te verspreiden. Maar Schweitzer hield voet bij stuk en begon in oktober 1905, op zijn dertigste, aan de studie medicijnen en bood zijn diensten aan aan het Parijzer Zendingsgenootschap.
Drukke jaren braken aan, want naast zijn studie medicijnen bleef hij werkzaam als organist in Parijs en Barcelona, en predikant en docent in de theologie in Straatsburg. Wel legde hij in 1906 zijn functie als directeur van het theologische seminarium neer. Desalniettemin had hij regelmatig een vermoeidheidscrisis, met name tijdens examendagen. In oktober 1911 volbracht hij zijn medisch staatsexamen, waarna hij nog slechts een jaar in een kliniek moest werken en een dissertatie moest schrijven om als arts aan het werk te mogen. Voor zijn dissertatie onderzocht Schweitzer vanuit medisch oogpunt of Jezus' messiasverwachting ontsproot uit een geestesziekte. Dat was niet zo, volgens Schweitzer.
Tijdens het schrijven van deze dissertatie, begon hij zich voor te bereiden op zijn reis naar Afrika. In 1912 stopte hij colleges te geven en nam hij ontslag als predikant van de St. Nicolaïkerk. Ook trouwde hij met de dochter van een Straatsburgse historicus, Hélène Bresslau, een gediplomeerd verpleegkundige, die hij al sinds 1899 kende, en die hem hielp bij het afronden van al het literaire werk voor het vertrek naar Gabon. In de lente van dit jaar trok hij andermaal naar Parijs, ditmaal om tropische ziekten te bestuderen en alle nodige inkopen te doen om zijn werk in de tropen te doen. Nadat hij het Parijse Zendingsgenootschap had overtuigd dat hij enkel als arts en niet als onorthodox christen en predikant naar Afrika af zou reizen, en nadat het Franse ministerie van Koloniën toestond dat een arts met enkel een Duits diploma uitgezonden zou worden, konden hij en zijn echtgenote op reis.
Afrikaanse jaren Een groot deel van zijn leven vanaf 1913 bracht Albert Schweitzer door in Afrika, nabij Lambaréné aan de rivier Ogooué in Gabon. Hij bouwde daar in de buurt van een sinds 1872 bestaande zendingspost van het Amerikaanse Presbyteriaanse Zendingsgenootschap een ziekenhuis. Hij beloofde er niet als zendeling, maar alleen als arts op te treden. Er was eerder in die regio geen westers georiënteerde arts actief en jarenlang was Schweitzer de enige in het ziekenhuis die patiënten behandelde en opereerde.
Eerste Wereldoorlog In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit en omdat hij Duitser was op Frans territorium werd hij officieel krijgsgevangen verklaard. Na een aantal maanden huisarrest mocht hij, omdat de mensen nu van medische zorg verstoken waren, zijn werk in het ziekenhuis hervatten. In 1916 werd zijn moeder in de door de oorlog geteisterde Elzas op straat overreden door paarden van militairen en stierf. In 1917 werden Albert en zijn vrouw alsnog als krijgsgevangenen geïnterneerd in Frankrijk – aanvankelijk in een klooster in Monléon-Magnoac en later, in 1918, in Saint-Rémy-de-Provence, eveneens in een oud klooster met ziekenhuis, waar eerder Vincent van Gogh een tijdlang opgenomen was geweest. Tijdens deze internering werd zijn echtgenote besmet met TBC, een ziekte die tot aan haar dood in 1957 van tijd tot tijd zou blijven opspelen.
Schweitzer nam al zijn gedwongen rustperioden te baat om verder te werken aan onder andere zijn boek "Cultuur en Ethiek". Hij zag de wereldoorlog als een teken van verval van de toenmalige beschaving, als een bewijs van zijn overtuiging dat een onverschillige, onnadenkende mensheid geregeerd wordt door de strijd om kennis en macht ten koste van anderen, en daarmee steeds meer schuld op zich laadt. Hij trachtte begrippen als 'liefde', 'toewijding', 'medelijden', 'deelgenootschap' en 'solidariteit' weer op de agenda krijgen, om de mensheid te stimuleren tot leven op een hoger plan.
Na de oorlog Na het einde van de oorlog, in 1918, kreeg hij een baan als medisch assistent in het Burgerziekenhuis in Straatsburg. Daarnaast hervatte Schweitzer zijn oude baan als hulpprediker in de St. Nicolaikerk. In 1923 voltooide hij het boek "Cultuur en Ethiek". Reeds in 1919 werd hij door Nathan Söderblom uitgenodigd om na Pasen in 1920 op de Universiteit van Uppsala te komen spreken over cultuur en ethiek. Hij had er veel succes mee en spreekbeurten door heel Europa volgden. De lezingen en orgelconcerten dienden overigens niet alleen voor het verbreiden van zijn gedachtegoed, maar ook om de nodige financiële middelen bijeen te brengen voor het werk in Lambaréné. Zijn eigen vermogen sprak hij daar ook voor aan.
In 1919 kregen Schweitzer en zijn vrouw hun enig kind, een dochter. Rhena Schweitzer zou als volwassene in de voetsporen treden van haar vader, en actief zijn in internationaal maatschappelijk werk. Zij overleed in 2009.
In 1924 keerden Schweitzer en zijn echtgenote terug naar Lambaréné. Daar knapte hij het intussen vervallen ziekenhuis weer op en hervatte zijn medische werk. Na enige tijd kreeg hij hulp van andere artsen en kon hij naar Europa gaan wanneer hij werd uitgenodigd voor spreekbeurten of orgelconcerten. Geleidelijk kreeg zijn werk overal grote bekendheid en erkenning. Behalve zijn filosofische gedachten sprak zijn werk in Afrika wereldwijd tot de verbeelding.
Hélène Schweitzer was, ondanks haar op latere leeftijd slechte gezondheid, een belangrijke steun en toeverlaat voor Albert, vooral op het gebied van logistiek en administratieve zaken. Als hij in Afrika en zij in Europa was, regelde Helene ook de werving van sponsoren en de verzending van medicamenten en medisch materiaal voor het ziekenhuis te Lambaréné. In 1938 reisde zij acht weken lang door de Verenigde Staten om daar sponsorgelden voor het hospitaal te werven.
Van 1939 tot zijn dood thumb|Standbeeld van Albert Schweitzer op de Brink te Deventer