Van den Santheuvel was een Nederlands regenten- en adelsgeslacht, oorspronkelijk afkomstig uit Oosterhout. Vanaf de zeventiende eeuw behoorden verschillende leden tot de bestuurlijke elite van Dordrecht. Twee takken werden in 1815 en 1816 verheven in de Nederlandse adel. Het geslacht stierf in 1964 uit.

Geschiedenis thumb|Van den Santheuvel wapen 1816

Oorsprong en Dordtse regenten De stamreeks begint met Ansem Meusz., die in 1530 in Oosterhout wordt vermeld. Een kleinzoon van hem, die in 1586 aan de pest overleed, was gegoed in den Santheuvel. Zijn nakomelingen gingen vervolgens de naam Van den Santheuvel voeren.

In de zeventiende eeuw vestigde het geslacht zich in Dordrecht. Bartholomeus Adriaensz. Ansems vestigde zich tussen 1622 en 1626 in de stad en was brouwer in De Schenckkan. Zijn zoon Henrik Bartholomeusz. was eveneens eigenaar van deze brouwerij en verwierf in 1676 bovendien brouwerij De Oranjeboom; diens zoon Bartholomeus Henriksz. zette dat bedrijf vanaf 1681 voort. In 1677 werd het geslacht onder de naam De Sant-Huevel vermeld als een van de families met een eigen graf in de Grote Kerk. Het Regionaal Archief Dordrecht rekent Van den Santheuvel tot de onderling verzwagerde regentenfamilies die generaties achtereen deel uitmaakten van het stadsbestuur.

In 1652 raakte Van den Santheuvel door een huwelijk verwant aan het eveneens tot de Dordtse bestuurselite behorende geslacht Repelaer. Henrik Bartholomeusz. van den Santheuvel (1631–1702) huwde toen met Johanna Repelaer (1631–1701), dochter van Anthonis Hugensz. Repelaer (1591–1652) en Emerentia van Driel. Anthonis Repelaer was brouwer, schepen en burgemeester van Dordrecht en bewindhebber van zowel de Vereenigde Oostindische Compagnie als de West-Indische Compagnie.

Tot de vroege Dordtse bestuurders behoorde Anthonis Henriksz. van den Santheuvel (1657–1727), zoon van Henrik Bartholomeusz. van den Santheuvel (1631–1702). Anthonis was lid van de Veertigraad en de Oudraad, meermalen schepen van Dordrecht en kapitein van het tweede vendel van de Dordtse schutterij. Zijn zoon Henrik Anthonisz. van den Santheuvel (1690–1741) was achtereenvolgens achtraad, lid van de Veertigraad, schepen en lid van de Oudraad. Daarnaast was hij schout en rentmeester van de ambachtsheerlijkheid Cromstrijen. Stukken uit 1742 betreffende de vervulling van deze ambten na zijn overlijden worden bewaard in het Nationaal Archief.

Van vader en zoon zijn geschilderde portretten bewaard gebleven in de collectie van Huis Van Gijn te Dordrecht. Het portret van Anthonis, in de registratie aangeduid als Anthony van den Santheuvel, werd vervaardigd door Isaac Paling en is door het RKD gedateerd op 1708. Het portret van Henrik werd in 1725 geschilderd door Harmanus Serin.

Onder de latere Dordtse bestuurders bevonden zich Hendrik Bartholomeusz. van den Santheuvel (1687–1747), lid van de Oudraad van 1722 tot zijn overlijden, en Bartholomeus van den Santheuvel (1730–1784), die van 1757 tot 1784 in de Oudraad zat en Dordrecht van 1781 tot 1784 vertegenwoordigde in de Staten-Generaal. Begin januari 1782 fungeerde Bartholomeus als president van de week van de Staten-Generaal. Hij bracht het verzoek van de Amerikaanse gezant John Adams tot erkenning van de Verenigde Staten over in de Staten-Generaal. Nadat de Republiek de Verenigde Staten op 19 april had erkend, behoorde Van den Santheuvel op 8 oktober 1782 tot de Nederlandse ondertekenaars van het Amerikaans-Nederlands handels- en vriendschapsverdrag. Pieter van den Santheuvel (1732–1799), heer van Driel, was lid van de Oudraad, burgemeester en ontvanger van de gemene landsmiddelen en vertegenwoordigde Dordrecht van 1790 tot 1793 in de Staten-Generaal.

Handel en koloniale financiering Een tak van het geslacht vestigde zich in Amsterdam. Bartholomeus van den Santheuvel (1692–1770) behoorde daar in de eerste helft van de achttiende eeuw tot de vooraanstaande kooplieden op de Levant. Vanaf 1718 dreef hij samen met zijn schoonmoeder handel onder de firma Weduwe Philip van Kemmena & Bartholomeus van den Santheuvel. Zijn zoon Bartholomeus van den Santheuvel jr. (1734–na 1780), eveneens koopman en firmant, was in 1760 schepen en maakte van 1773 tot 1778 deel uit van de Amsterdamse vroedschap.

De Amsterdamse firma Bartholomeus van den Santheuvel & Zoonen was betrokken bij de financiering van de plantage-economie in de Nederlandse koloniën Essequebo en Demerary. Een door de firma beheerde geldlening, of negotiatie, beschikte vanaf 1772 over 1,4 miljoen gulden en financierde ten minste 22 plantages. Deze plantage-economie berustte op de arbeid van tot slaaf gemaakte mensen. De firma moest in 1777 haar betalingen staken; het fonds werd datzelfde jaar door een ander handelshuis overgenomen.

Sabinapolder en Sabina-Henricapolder Henrik Anthonisz. van den Santheuvel huwde in 1723 met Sabina Louisa Orizandt (1701–1772). Zij bezat een aanzienlijk aandeel in de gorzen en aanwassen onder Fijnaart. Nadat het Hoge Gors en de Rolleplaat in 1762 van een zomerdijk waren voorzien, kreeg deze bedijking de naam Sabinapolder. De polder werd naar Sabina Louisa genoemd omdat zij de grootste aandeelhoudster in de gorzen was en het initiatief tot de bedijking had genomen.

Hun dochter Sabina Henrica van den Santheuvel (1731–1805) behoorde later tot de eigenaren van een groter complex gorzen, rietvelden en weidegronden ten westen van Heijningen. De in 1787 voltooide bedijking daarvan kreeg de naam Sabina-Henricapolder. De Sabinapolder uit 1762 en de Sabina-Henricapolder uit 1787 waren daarmee twee afzonderlijke, achtereenvolgende bedijkingen, genoemd naar respectievelijk Sabina Louisa Orizandt en haar dochter Sabina Henrica van den Santheuvel.

Adelsverheffingen Bij koninklijk besluit van 16 september 1815 werd Adriaan van den Santheuvel (1756–1845) in de Nederlandse adel verheven. Hij was van 1825 tot 1827 lid van de Provinciale Staten van Limburg namens de ridderschap. Bij koninklijk besluit van 8 juli 1816 volgde de verheffing van Willem Bartholomeus van den Santheuvel (1794–1865), hypotheekbewaarder te Dordrecht. Hij hertrouwde in 1829 met jkvr. Maria Paulina Arnoudina Repelaer (1805–1836), dochter van jhr. Paulus Repelaer, heer van Spijkenisse (1766–1844). Haar vader was van 1804 tot 1808 lid van het Wetgevend Lichaam en in de Franse tijd maire van Dordrecht; in 1816 werd hij de eerste burgemeester van Dordrecht onder het nieuwe koninkrijk en tevens in de Nederlandse adel verheven. Door dit huwelijk werden de twee Dordtse regentengeslachten bijna twee eeuwen na het huwelijk van 1652 opnieuw met elkaar verbonden. De leden van beide takken voerden het predicaat jonkheer of jonkvrouw. In 1964 stierf het geslacht uit.

Kunstverzameling en mecenaat Pieter van den Santheuvel en zijn echtgenote Maria Adriana Gevaerts (1736–1809) legden een omvangrijke schilderijenverzameling aan. Hun boedelinventaris van 1808 vermeldt talrijke kunstwerken; ten minste een deel daarvan was langdurig familiebezit geweest. Na het overlijden van Gevaerts werd de verzameling in 1810 in Dordrecht geveild. Pieter was daarnaast beschermheer van het in 1774 opgerichte Teekengenootschap Pictura en was volgens het Dordts Patriciërshuis van essentieel belang voor de ontwikkeling van het genootschap.

Een deel van de kunstverzameling kwam terecht bij zijn neef Willem Bartholomeus van den Santheuvel. Deze breidde de collectie in de negentiende eeuw uit met werk van eigentijdse kunstenaars, onder wie Oswald Achenbach en Alexandre Calame.

Het mecenaat werd in de negentiende eeuw voortgezet door Henrietta Bernardina Johanna Jantzon van Erffrenten (1838–1890), weduwe van jhr. François Jacob van den Santheuvel (1834–1880). Zij schonk in 1884 12.000 gulden aan het Dordrechts Museum en liet het museum bij haar overlijden in 1890 nogmaals hetzelfde bedrag na. Uit de eerste schenking werd in 1885 onder meer het schilderij Het middaguur in eene boerenwoning bij Delden van Jozef Israëls aangekocht.

Fundatie Van den Santheuvel, Sobbe Na het overlijden van haar echtgenoot jhr. M.P.W.F. van den Santheuvel erfde Cornelia Petronella van den Santheuvel-Sobbe in 1904 een aanzienlijk vermogen. Omdat het echtpaar kinderloos was, stichtte zij op 28 april 1905 samen met haar broer Carel Leendert Sobbe de Fundatie Van den Santheuvel, Sobbe. De fundatie bestaat nog steeds en verstrekt financiële steun aan maatschappelijke en liefdadige projecten. In de loop van de twintigste en eenentwintigste eeuw werden verschillende andere fondsen bij de fundatie ondergebracht of door hetzelfde curatorium beheerd.

Familiewapen thumb|upright=0.85|Van den Santheuvel wapen 1815 De beide adellijke takken voerden hetzelfde schild: in groen drie liggende zilveren konijnen, twee boven en één onder. Op de gekroonde helm lagen zilver-groene dekkleden. Het helmteken bestond uit een uitkomend zilveren konijn tussen een zilveren en een groene vleugel.

De tak van Adriaan van den Santheuvel, die in 1815 in de adel werd verheven, voerde als schildhouders heraldisch rechts een klimmend en omgewend zilveren konijn en heraldisch links een aanziende jager. De jager droeg een groene jas, een leren broek, hoge zwarte laarzen en een zwarte hoed; aan zijn riem hing een weitas en in zijn linkerhand hield hij een geweer met de kolf op de grond. De in 1816 verheven tak van Willem Bartholomeus van den Santheuvel voerde twee gouden leeuwen als schildhouders en de wapenspreuk Majorum virtus nepotum gloria, Latijn voor ‘De deugd van de voorouders is de roem van de nakomelingen’.

Het schild met de drie konijnen werd reeds vóór de adelsverheffingen door het geslacht gebruikt. Het is onder meer afgebeeld op een in 1786 vervaardigde prent van Adriaan van den Santheuvel. Een bijdrage in De Nederlandsche Leeuw uit 1883 noemde het wapen in Nederland „zeer zeldzaam en eigenaardig” en vermeldde naast Van den Santheuvel alleen het Zeeuwse geslacht Van Rosenburg met hetzelfde schild.

Enkele telgen thumb|upright=0.85|Pieter van den Santheuvel (1732–1799), heer van Driel en burgemeester van Dordrecht thumb|upright=0.85|Adriaan van den Santheuvel (1756–1845), lid van de Provinciale Staten van Limburg thumb|upright=0.85|Adriaan Onno van den Santheuvel (1828–1887), waterbouwkundige bij de Waterstaat

Ansem Meusz., in 1530 vermeld te Oosterhout Bartholomeus Ansemsz. Adriaen Bartholomeusz. († 1586), gegoed in den Santheuvel te Oosterhout; overleed aan de pest Bartholomeus Adriaensz. Ansems, vestigde zich tussen 1622 en 1626 in Dordrecht, was brouwer in De Schenckkan en voerde de naam Van den Santheuvel op zijn grafzerk; huwde Johanna Hendriksdr. Maes Henrik Bartholomeusz. van den Santheuvel (1631–1702), brouwer, achtraad en schepen van Dordrecht en regent van het Sacramentsgasthuis; huwde in 1652 Johanna Repelaer (1631–1701), dochter van Anthonis Hugensz. Repelaer (1591–1652), brouwer in De Sleutel, schepen en burgemeester van Dordrecht en bewindhebber van de VOC en WIC, en Emerentia van Driel, die de administratie van brouwerij De Sleutel verzorgde Bartholomeus Henriksz. van den Santheuvel (1654–1718), brouwer in De Oranjeboom en lid van de Oudraad van Dordrecht Henrik Bartholomeusz. van den Santheuvel (1687–1747), lid van de Oudraad van Dordrecht Bartholomeus Henriksz. van den Santheuvel (1730–1784), lid van de Oudraad van Dordrecht, gedeputeerde ter Staten-Generaal en medeondertekenaar van het Amerikaans-Nederlands handels- en vriendschapsverdrag Pieter van den Santheuvel (1732–1799), heer van Driel, burgemeester van Dordrecht, ontvanger, gedeputeerde ter Staten-Generaal, kunstverzamelaar en beschermheer van het Teekengenootschap Pictura Bartholomeus van den Santheuvel (1692–1770), koopman op de Levant en directeur van de Levantse Handel te Amsterdam mr. Bartholomeus van den Santheuvel (1734–na 1780), koopman, schepen en lid van de Amsterdamse vroedschap