thumb|275px|right| De Slavische talen behoren tot de Indo-Europese taalfamilie. Ze worden van oudsher in het oosten van Europa gesproken, maar hebben zich als gevolg van immigratie en gebiedsuitbreidingen via Rusland verder kunnen verspreiden.

Verspreiding thumb|300px|Kaart van Slavische talen in Europa Zo'n 315 miljoen mensen hebben aan het begin van de 21e eeuw een Slavische taal als moedertaal. Naar schatting zijn er nog zo'n honderd miljoen mensen die een Slavische taal als tweede taal spreken. Meestal is dit het Russisch, de grootste van de moderne Slavische talen (145 miljoen moedertaalsprekers). Het Pools en het Oekraïens zijn andere belangrijke Slavische talen.

De Slavische talen worden, afhankelijk van het land waarin ze gesproken worden, en de daar belangrijkste religie, in twee verschillende alfabetten geschreven. In het overwegend oosters-orthodoxe Servië, Noord-Macedonië, Bulgarije, Oekraïne, Wit-Rusland en de Russische Federatie wordt het Cyrillische schrift gebruikt. In de overwegend rooms-katholieke landen Kroatië, Slovenië, Slowakije, Tsjechië en Polen is het Latijnse alfabet gebruikelijk.

De wetenschap die de Slavische talen en literaturen bestudeert heet slavistiek.

In de 19e eeuw is een politieke stroming ontstaan die zich ten doel stelde de sprekers van alle Slavische talen in één staat te verenigen, het panslavisme. Als uitvloeisel hiervan zijn ook herhaaldelijk pogingen ondernomen een universele Slavische taal te creëren, of althans een taal die voor alle Slaven begrijpelijk zou zijn.Constructed Slavic languages Een eigentijds voorbeeld hiervan is het Interslavisch.

De Slavische talen worden overwegend in Oost-, Centraal- en Zuidoost-Europa gesproken. De meeste moderne Slavische talen zijn landstalen, maar er zijn ook Slavische minderheidstalen, zoals het Sorbisch in het oosten van Duitsland. Hoewel men grofweg wel kan zeggen dat de meeste Midden-Europese, Oost-Europese en Zuidoost-Europese landen een Slavische landstaal hebben, zijn er belangrijke uitzonderingen. Duitsland en Oostenrijk hebben Duits. Het Roemeens (dat ook in Moldavië gesproken wordt) is een Romaanse taal met veel Slavische invloeden, net als het Aroemeens. Het Grieks en het Albanees vormen aparte Indo-Europese talen. Het Hongaars is niet aan de Indo-Europese talen verwant: het is een Fins-Oegrische taal, zoals Fins en Ests, plus veel minderheidstalen in de Russische Federatie. Tot slot zijn Litouws en Lets Baltische talen.

Classificatie De Slavische talen worden traditioneel opgedeeld in drie hoofdgroepen van onderling sterk verwante talen: Als Oost-Slavisch gelden het Russisch, het Wit-Russisch (Belarusisch) en het Oekraïens. De status van het modern Roetheens (Rusyn) wordt betwist. Deze vormt een minderheidstaal in Oekraïne, Polen, Slowakije, Hongarije, Roemenië en Servië en wordt vaak als een Oekraïens dialect beschouwd. In Slowakije heeft het erkenning als taal en ook in Servië, in de regio Vojvodina, wordt het Roetheens als streektaal erkend. Lexicaal gezien zijn het Oekraïens en Belarusisch (tot 1800 samen bekend als Oudroetheens oftewel prosta mova) nauwer verwant aan het Pools en Slowaaks dan aan het Russisch, dat tot circa 1800 sterk beïnvloed bleef door het uit Bulgarije afkomstige Oudkerkslavisch. De West-Slavische talen worden in Midden-Europa gesproken. De belangrijkste West-Slavische talen zijn het Pools, het Tsjechisch en het Slowaaks. De West-Slavische talen zijn onderling onder te verdelen in drie subgroepen. Het Pools hoort dan bij de Lechitische Groep. Het woord “Lechitisch” gaat op de stam Lech terug, een oud woord voor “Pool”. Behalve Pools behoren het Kasjoebisch (dat soms als een Pools dialect wordt beschouwd) en het inmiddels uitgestorven Polabisch tot deze groep. De Lechitische talen zijn sterker aan elkaar verwant dan aan het Tsjechisch, dat samen met het Slowaaks tot de Tsjechoslowaakse Groep behoort. De derde subgroep betreft het Sorbisch. Het Sorbisch, ook bekend als “Wendisch”, is een minderheidstaal die in het oosten van Duitsland wordt gesproken. Het Sorbisch kent twee varianten: Oppersorbisch en Nedersorbisch. Ook de Zuid-Slavische groep kan worden onderverdeeld in subgroepen. Sloveens, Bosnisch, Servisch en Kroatisch worden zo in een Zuidwest-Slavische Groep onderverdeeld, waarin het Sloveens nog enigszins apart lijkt te staan. In het vroegere Joegoslavië werden deze talen gecombineerd in het Servo-Kroatisch. Sommige taalkundigen beschouwen het Montenegrijns als een aparte taal, sommige beschouwen het als een Servisch dialect. De Zuidoost-Slavische groep is minder verdeeld en omvat het Macedonisch en het Bulgaars. Tot deze groep hoort ook het zogenaamde Kerkslavisch, een taal die alleen gebruikt wordt in de liturgie van de oosters-orthodoxe en oosters-katholieke kerken. De eerste teksten in deze taal zijn de oudst bekende Slavische teksten.

De verschillen tussen de verscheidene Slavische talen zijn minder groot dan die tussen de Germaanse talen. Tot op zekere hoogte kunnen Slaven uit alle windstreken met enige oefening elkaars talen begrijpen. Wie een Slavische taal spreekt, heeft in het algemeen weinig moeite met het leren van een andere Slavische taal. Deze onderlinge verwantschap is het gevolg van het relatief laat uiteenvallen van de Slavische talen. Omdat de Slavische talen zo sterk op elkaar lijken, zijn onderverdelingen als bovenstaand niet onomstreden. Sommige wetenschappers stellen bijvoorbeeld voor de West- en Oost-Slavische talen als één groep te beschouwen (Noord-Slavisch), gezien het feit dat bijvoorbeeld Belarusisch en Oekraïens nauwer verwant zijn aan Pools en Slowaaks dan aan Russisch, hoewel ze net als die laatste standaard het Cyrillisch schrift hanteren. Tekenend in dit verband is de positie van het Roetheens, dat, hoewel meestal beschouwd als een Oost-Slavische taal, in Polen ook vaak als een dialect van het Pools (dus West-Slavisch) wordt afgedaan.

Taal Sprekers Groep SchriftOpmerking Bosnisch http://www.101languages.net/bosnian/ Zuid-Slavisch Latijns Het Bosnisch, Kroatisch en Servisch worden samen het Servo-Kroatisch genoemd. Bulgaars Zuid-Slavisch Cyrillisch Kasjoebisch West-Slavisch Latijns Kerkslavisch Zuid-Slavisch Cyrillisch Alleen in liturgie Kroatisch http://ec.europa.eu/languages/euromosaic/slov4_en.htm Zuid-Slavisch Latijns Het Bosnisch, Kroatisch en Servisch worden samen het Servo-Kroatisch genoemd. Macedonisch Zuid-Slavisch Cyrillisch Nauw verwant aan het Bulgaars Montenegrijns Zuid-Slavisch LatijnsCyrillisch Nauw verwant aan het Servisch, Bosnisch en Kroatisch Nedersorbisch West-Slavisch Latijns Oekraïens Oost-Slavisch CyrillischLatijns Oppersorbisch West-Slavisch Latijns Polabisch West-Slavisch Latijns Pools West-Slavisch Latijns Roetheens Oost-Slavisch CyrillischLatijns Nauw verwant aan het Oekraïens Russisch Oost-Slavisch Cyrillisch Servisch Zuid-Slavisch CyrillischLatijns Het Bosnisch, Kroatisch en Servisch worden samen het Servo-Kroatisch genoemd. Silezisch West-Slavisch Latijns Nauw verwant aan het Pools Sloveens Zuid-Slavisch Latijns Slowaaks West-Slavisch Latijns Tsjechisch West-Slavisch Latijns Wit-Russisch Oost-Slavisch CyrillischLatijns

Algemene kenmerken De volgende kenmerken worden vaak als typerend beschouwd voor de Slavische talen: De Slavische talen zijn over het algemeen vrij conservatief. De vormenrijkdom die het Proto-Indo-Europees typeerde is in de Slavische talen nog lang niet verdwenen, terwijl hij in de Romaanse en (meeste) Germaanse talen volledig is weggesleten. Nagenoeg alle Slavische talen hebben het Indo-Europese naamvalsysteem behouden. De meeste talen behouden zo zeven naamvallen, te weten de nominatief, de genitief, de datief, de accusatief, de vocatief, de locatief en de instrumentalis. Het Russisch beperkt zich tot zes naamvallen – de vocatief valt er weg en in plaats van een locatief is er een zogeheten prepositionalis. De enige Slavische talen die hun naamvalsysteem verloren hebben zijn het Bulgaars en Macedonisch – alleen de vocatief heeft in die talen nog een onderscheiden uitgang. De rijkdom aan naamvallen verleent de sprekers van Slavische talen enige vrijheid in de woordvolgorde. Immers, de naamvalsuitgang en niet de plaats van het woord in de zin geeft de grammaticale betekenis (lijdend voorwerp e.d.) aan. Logischerwijs heeft het Bulgaars een vaste woordvolgorde. Hoewel ook andere Slavische talen de tendens naar een standaardvolgorde kennen, is zeker in schrijftaal veel variatie mogelijk. De Slavische talen kennen een onderscheid tussen perfectieve en imperfectieve werkwoorden, het zogenaamde aspect. Dit fenomeen laat zich het best aan de hand van voorbeelden uitleggen. In het Pools bijvoorbeeld is er een verschil tussen de zinnen Czytałem list (imperfectief) en Przeczytałem list (perfectief). De Nederlandse vertaling - "Ik las de brief" - laat open wat in het Pools wel wordt ingevuld: of de handeling voltooid wordt of niet. Het imperfectieve czytać ('lezen') betekent zoveel als 'Ik las de brief (ik was de brief aan het lezen)', de perfectieve tegenhanger przeczytać ('lezen') betekent 'Ik las de brief (en heb hem ook uitgelezen).' Precies hetzelfde zien we in het Russisch: "Ja tsjital knigoe (Я читал книгу)" betekent "Ik was het boek aan het lezen", "Ja pro-tsjital knigoe (Я прочитал книгу)" betekent "Ik heb het boek gelezen en het is nu uit". In alle Slavische talen komt dit onderscheid voor. De Slavische talen kennen een grote medeklinkerrijkdom, waar het aantal klinkers, althans in vergelijking met de Germaanse talen, eerder beperkt is. Vooral sisklanken (s, sj, z, zj) komen in de Slavische talen in allerlei vormen voor. Het verschijnsel palatalisatie, d.i. het tegen het verhemelte articuleren van medeklinkers, kenmerkt de uitspraak van de Slavische talen. Door te palatiseren wordt aan de medeklinkers een j-klank meegegeven (vgl. de "Amsterdamse" s, of de Duitse sch). In de meeste Slavische talen komen ook gepalataliseerde t's en d's voor. Het Tsjechisch kent een palatale r (de ř in Dvořák), een verschijnsel dat de andere Slavische talen niet (meer) kennen. Nog een ander kenmerk van de Slavische talen zijn de medeklinkerclusters, zoals in zmrzlina (Tsjechisch voor 'ijsje') en vstretsja (встреча, Russisch voor 'ontmoeting'), in de Poolse plaatsnaam Szczecin of in Krk, een Kroatisch eiland.

Geschiedenis

miniatuur|300px|Centraal- en Oost-Europa omstreeks 750 v.Chr. Als Indo-Europese taalgroep is het Slavisch een afgeleide van het Proto-Indo-Europees. De oudste fase van de taalgroep, het Proto-Slavisch, is niet overgeleverd, maar werd door wetenschappers gereconstrueerd. De sprekers van dit Proto-Slavisch waren een Indo-Europees volk dat leefde in het gebied tussen de Boeg, Dnjestr en Dnjepr. Pas in de loop van het eerste millennium is dit gebied groter geworden en zijn de Slaven naar het oosten (het huidige Rusland), het zuiden (de Balkan) en het westen (o.a. Polen en Bohemen) getrokken.

Het Proto-Slavisch is na deze gebiedsuitbreidingen in verschillende dialecten uiteengevallen, en deze dialecten lagen aan de basis van de drie hoofdgroepen (West-, Oost-, Zuid-Slavisch). Dit uiteenvallen zou relatief recent, rond de 5e eeuw na Christus, zijn gebeurd.

In de 9e eeuw verschijnen de eerste teksten in een Slavische taal, het Oudkerkslavisch. Deze schrijftaal heeft grote invloed op de ontwikkeling van andere Slavische schrijftalen. Zo vindt het Glagolitische schrift dat in de 9e eeuw werd gebruikt navolging in het moderne Cyrillisch. Ook talen die in Romaans geschreven worden lieten zich inspireren door de spelwijze van de oude teksten. Met name in de Zuid-Slavische talen heeft het Oudkerkslavisch de woordenschat sterk beïnvloed.