thumb|Gesproken taal is de meest algemene vorm van alledaagse communicatie. thumb|Spijkerschrift is de oudst overgeleverde vorm van geschreven taal.

Taal is een systeem van symbolische tekens – zoals gesproken klanken, gebaren of geschreven symbolen – waarvan de mens gebruikmaakt om zijn gedachten te articuleren, zijn wereld te ordenen en te communiceren. Talen kenmerken zich door grammaticale regels en een woordenschat.

Het taalvermogen van de mens ontwikkelde zich naar schatting zo'n 100.000 jaar geleden, en kenmerkt zich in het heden door zijn enorme vormelijke diversiteit: elk land heeft wel zijn eigen talen en dialecten. Zo goed als alle culturen hebben schriftsystemen ontwikkeld die het mogelijk maken gesproken taal te registreren. Een taal wordt meestal vroeg in het leven verworven, op basis van het taalaanbod uit de sociale omgeving.

Natuurlijke talen worden gesproken of in gebaren uitgebeeld. Doordat ze van generatie op generatie worden doorgegeven, ontwikkelen ze zich als onderdeel van een historisch bestaande cultuur. Elke taal bestaat uit een fonologisch systeem waarin vaste, betekenisdragende (klank)elementen worden gecombineerd tot langere elementen, zoals woorden en zinnen, die samen een uiting vormen.

De beginselen van taalonderzoek gaan terug naar de Indische en Griekse oudheid. Denkers als Jean-Jacques Rousseau betoogden dat taal het product was van de emoties, anderen zoals Immanuel Kant meenden dat talen voortkwamen uit de rede en het logisch denken. In de negentiende eeuw werd taal als op zichzelf staand fenomeen beschouwd en werden in de studie van de ontwikkeling van talen uit elkaar (de historische taalkunde) grote sprongen gemaakt, onder andere door de gebroeders Grimm. Twintigste-eeuwse filosofen zoals Ludwig Wittgenstein voerden aan dat filosofie in feite de studie van taal zelf is. Belangrijke figuren in de twintigste-eeuwse taalkunde zijn onder meer Ferdinand de Saussure en Noam Chomsky.

Studie van menselijke taal Taalkunde thumb|Voorgesteld schema om de structuur van de grammatica te beschrijven. thumb|De verschillende manieren van articulatie in het menselijk spraakkanaal.

Het bestuderen van alle aspecten van de menselijke taal is het onderwerp van de taalkunde of taalwetenschap. De studie van taal als op zichzelf staand systeem heet algemene taalkunde en is verder onder te verdelen in een aantal deelgebieden: De grammatica, het regelsysteem waarmee de kleinste eenheden binnen de taal - bijv. afzonderlijke woorden - worden gecombineerd tot grotere betekenisvolle eenheden, met name zinsdelen en hele zinnen. Binnen de grammatica vallen als belangrijkste deelgebieden te onderscheiden: de syntaxis – de manier waarop woorden en zinsdelen in het grotere verband van de zin gecombineerd kunnen worden – en de ontleding, die zich vooral richt op de functie van afzonderlijke woorden (als woordsoort) en van zinsdelen binnen de zin als geheel. De morfologie, die zich richt op de nog kleinere "bouwstenen" (morfemen) waaruit afzonderlijke woorden zijn opgebouwd. De fonetiek en de fonologie, twee nauw verbonden subdisciplines die zich in de eerste plaatsen richten op het analyseren van klanken (fonen ofwel segmenten) in de gesproken taal als zodanig (fonetiek) en het beschrijven van de manier waarop deze klanken aan bepaalde fonotactische regels gebonden zijn en elkaar onderling beïnvloeden (fonologie). Bij dit laatste is het foneem een van de centraal staande verschijnselen. De fonologie en de morfologie vertonen ook onderlinge raakvlakken, bekend als de morfofonologie. De semantiek, die zich specifiek richt op de betekenis van talige uitingen, verder uiteenvallend in woord- en zinssemantiek. De lexicologie, die zich richt op zaken als de etymologie van individuele woorden (in dit verband vaak lexemen genoemd), hun specifieke betekenis en onderlinge samenhang en op hoger niveau op de woordenschat van een taal. Als discipline vertoont de lexicologie enige raakvlakken met andere taalkundige subdisciplines, vooral met de semantiek. Nauw hiermee verbonden is ook de lexicografie, waarin o.a. het opstellen van woordenboeken centraal staat. De pragmatiek, die zich richt op de manier waarop taal in de praktijk wordt gebruikt. Een belangrijk begrip hierbij is taalhandeling.

Daarnaast worden talen en taalfamilies met elkaar vergeleken in de vergelijkende taalkunde.

In de taaltypologie worden talen op hun kenmerkende eigenschappen beoordeeld.

De generatieve taalkunde richt zich op zaken als taalverwerving en spraakproductie.

De toegepaste taalkunde houdt zich specifiek bezig met de manier waarop taal in de praktijk in de meest uiteenlopende situaties gebruikt wordt en valt daarbij ook weer uiteen in een vrij groot aantal verschillende deelgebieden, zoals de psycholinguïstiek, de sociolinguïstiek, de neurolinguïstiek en de tekstlinguïstiek.

De historische of diachrone taalkunde en de evolutionaire taalwetenschap bestuderen taal primair vanuit een historisch perspectief, waarbij met name taalverandering en de manier waarop taal ooit is ontstaan en zich heeft ontwikkeld centraal staan.

De creolistiek is het onderdeel van de taalkunde dat zich bezighoudt met het ontstaan en de kenmerken van pidgins en de eventueel hieruit voortvloeiende creooltalen, als raakvlak van de historische en de vergelijkende taalkunde.

Gesproken en geschreven taal Door zijn typische vorm en laag in de keel gelegen positie is de larynx van de Homo sapiens bij uitstek geschikt voor het voortbrengen van gesproken taal, dit in tegenstelling tot de hoger gelegen larynx van andere hominiden en van zoogdieren in het algemeen.

Ook bij baby's jonger dan 3 maanden ligt de larynx nog hoog in de keelholte (waardoor hun neus-keelholte bij het slikken geheel kan worden afgesloten). Wanneer baby's drie maanden oud zijn, zakt hun larynx naar beneden. Vanaf dat moment zijn ze fysiek in staat om echte menselijke spraakklanken te produceren.Pinker (2008), p. 286

In veel talen met een wat kleiner aantal sprekers is nog nooit iets opgeschreven. Talen die wel een geschreven vorm hebben naast de gesproken vorm, worden vastgelegd in een of meer alfabetten of een ander op de spraak gebaseerd schriftsysteem. In de geschreven taal worden de equivalenten van klanken in de gesproken taal dus weergegeven door middel van min of meer arbitraire symbolen of schrifttekens, ook wel grafemen genoemd. Deze symbolen worden door middel van een taalspecifiek regelsysteem, de grammatica, tot betekenisvolle eenheden – woorden, zinsdelen, zinnen en op het hoogste niveau hele teksten – gerangschikt.

Indelingen en categorisaties 500px|thumb|Spreiding van belangrijke taalgroepen:

De Pama-Nyungaanse talen staan niet op de kaart aangegeven.

Op grond van bepaalde specifieke kenmerken kunnen talen op allerlei verschillende manieren taaltypologisch worden gecategoriseerd.

Synthetisch en analytisch Het onderscheid tussen synthetische talen enerzijds en analytische talen anderzijds is gebaseerd op syntactische en morfologische criteria, waarbij verschijnselen als flexie, incorporatie, het gebruik van voor- en achterzetsels en het al dan niet aanwezig zijn van tonaliteit centraal staan. Meer extreme vormen in dit verband zijn de isolerende respectievelijk polysynthetische talen.

Taalverwantschap en taalfamilies

Talen kunnen op grond van hun historische ontwikkeling worden gerangschikt in een bepaalde taalfamilie.

Vanaf het begin van de 19e eeuw, toen de verwantschap tussen verschillende Indo-Europese talen – meer in het bijzonder tussen het Sanskriet en bepaalde Europese talen zoals het Latijn en Oudgrieks – aan het licht kwam, is er steeds meer onderzoek gedaan naar de verwantschappen, overeenkomsten en verschillen tussen alle talen en taalfamilies. Dankzij de vergelijkende methode – die taalreconstructie mogelijk maakt – werd er op dit gebied snel vooruitgang geboekt en konden er stamboommodellen worden opgesteld.

Aan het eind van de 20e en aan het begin van de 21e eeuw waren er volgens bepaalde schattingen ruim 6.000 levende talen. Ethnologue komt op een iets hogere schatting van ruim 7.000.http://www.ethnologue.com/statistics Mede op grond van het feit dat er doorgaans geen scherpe grens tussen een taal en een dialect te trekken is en niet alle talen die wel als afzonderlijke taal zijn erkend überhaupt een gestandaardiseerde vorm hebben (zie ook #Standaardtaal vs. andere taalvormen), lopen deze schattingen echter uiteen van 5.000 tot wel 10.000 talen.

Het totale aantal taalfamilies – dat wil zeggen taalgroepen die onderling ongeveer evenveel verschillen als de Indo-Europese groep – is door Johanna Nichols vastgesteld op 249, maar ook op dit punt is er nog weinig duidelijkheid. Er zijn taalkundigen die stellen dat het werkelijke aantal taalfamilies veel hoger ligt. Talen die historisch gezien niet verwant zijn maar waarvan de sprekers onderling veel contact hebben gehad kunnen door convergentie – waardoor bijv. veel leenwoorden van de ene taal in de andere belanden – toch op elkaar gaan lijken. Anderzijds kunnen talen die historisch gezien tot dezelfde taalfamilie behoren zo uit elkaar groeien dat hun verwantschap niet meer goed zichtbaar is.Crystal, p. 304

Inmiddels zijn er diverse pogingen gedaan – onder meer door Joseph Greenberg en Merritt Ruhlen – om door verder terug te gaan in de tijd op steeds hogere niveaus taalverwantschappen te reconstrueren. Bekende aldus voorgestelde superfamilies zijn het Nostratisch – dat onder meer de Indo-Europese, de Altaïsche en de Oeraalse talen omvat – en het Dene-Sino-Kaukasisch. Vooralsnog blijven dergelijke superfamilies echter puur hypothetisch aangezien er geen enkel concreet bewijs voorhanden is voor hun bestaan.Pinker (2008), p. 277-278

Talen waarvan (nog) niet bekend is tot welke taalfamilie ze behoren worden isolaten of niet-geclassificeerde talen genoemd. Met de laatste term wordt benadrukt dat er mogelijk wel een verwantschap met andere (levende of dode) talen is. Enkele voorbeelden van dergelijke talen zijn het Baskisch, Iberisch en Elamitisch.

Natuurlijke talen

Met "natuurlijke talen" worden alle talen bedoeld die in de loop van de geschiedenis bij verschillende etnische groepen ontstaan zijn en van generatie op generatie worden doorgegeven. Natuurlijke talen kunnen verder worden onderverdeeld in dode en levende talen.

Levende, bedreigde en dode talen

Weer andere indelingen zijn met name gebaseerd op het aantal moedertaalsprekers. Met "levende" talen worden aldus talen bedoeld die door kinderen als moedertaal worden aangeleerd en waarmee binnen een kleine of grote groep mensen wordt gecommuniceerd. Enkele - zeer willekeurige - voorbeelden van levende talen zijn: het Arabisch, Hindi, Italiaans, Engels, Nederlands en Nieuwgrieks. "Dode" talen worden daarentegen door niemand meer als moedertaal aangeleerd, hoewel dit zeker niet altijd betekent dat ze helemaal niet meer gebruikt worden. Enkele voorbeelden van talen die tot deze laatste categorie behoren zijn het Etruskisch, Fenicisch, Sanskriet, Latijn en Oudgrieks, waarvan de laatste drie nog volop in gebruik zijn als liturgische taal.

In 1992 schatte de taalkundige Michael Krauss dat binnen honderd jaar negentig procent van alle talen uitgestorven of tot uitsterven gedoemd zou zijn.Schuyt & Co., p. 14. In 2013 had volgens een schatting van UNESCO bijna de helft van alle talen ter wereld de status van bedreigd.http://www.unesco.org/culture/languages-atlas/index.php

Standaardtaal vs. andere taalvormen