De Abdij van Hautvillers (Frans: Abbaye de Saint-Pierre d'Hautvillers) is een voormalige Franse benedictijnerabdij in het departement Marne. De abdij wordt de "geboorteplaats van de Champagne" genoemd, omdat de monnik Dom Pierre Pérignon (1639-1715) daar van 23 mei 1668 tot zijn dood de keldermeester was.

Mogelijks gesticht in 650, speelde de abdij een cruciale rol in de spirituele, culturele en oenologische geschiedenis van de Champagne. Ze behoorde tot de Congregatie van Sint-Vanne en Sint-Hydulphus en was eeuwenlang een centrum van manuscriptproductie, religieuze devotie en wijninnovatie.

De abdij en onderdelen van de kerk zijn Franse historische monumenten. De abdij en de Cave Thomas maken sinds 2015 onderdeel van het UNESCO-werelderfgoed Heuvels, huizen en kelders van de Champagne.

Jaarlijks komen er meer dan 120.000 bezoekers naar Hautvillers en de abdijkerk.

Situering

Ontstaan thumb|left|Vermelding Altum Villarre op etiket Dom Pérignon { "type": "ExternalData", "service": "geopoint", "ids": "Q333956" }

De eerste abt, Sint-Berchaire (Bercharius) (circa 620 – 696), ontving van Sint-Nivard (649–673), de (aarts)bisschop van Reims, de opdracht om een klooster te stichten op een landgoed Altum Villare dat tot zijn bisdom behoorde. Het landgoed was op een heuvel gelegen met uitzicht op Épernay en de Marne. Altum Villare was de middeleeuwse, Latijnse naam van Hautvillers en betekent “hoog dorp” of “hoge boerderij”.

Eenentwintigste eeuw Hautvillers en zijn abdij zijn gelegen op zeven kilometer van Épernay en twintig kilometer van Reims, in het departement Marne (Grand-Est, Frankrijk).

De abdij ligt aan de zuidkant van het dorp. Rondom de abdij lopen verschillende verkeersassen: de Rue de l’Église (adres voor de abdijkerk), met Place de l’Église en de Rue de l’Abbaye. In het westen gaat de Rue de l'Aubrois over in de Avenue de Chandon om op het zuidelijkste punt van het domein samen te komen met de oostelijke as, de Rue de Cumières. Dit punt dient als startpunt voor panoramische uitkijkpunten over de vallei, terwijl de Route de Cumières de verbinding vormt met de omliggende dorpen.

Een klein steegje verbind de Rue de l’Abbaye met de Rue de Cumières. Het is een van de iconische plekken van Hautvillers, met uitzicht op de abdijkerk. Het vreemde aan het steegje is het feit dat het twee namen heeft: "Ruelle du Cul de Lampe" (een architectonisch element in een kerk) als je het naar boven oploopt en "Passage des Bénédictins" (de monniken gebruikten dit steegje om eten te halen) als je het naar benden afdaalt.

Toegangspoorten tot het domein bevinden zich op drie plaatsen. Allereerst aan de Rue de l’Abbaye, die in gidsen en routebeschrijvingen vaak als toegang tot de kerk wordt genoemd. Daarnaast bevindt zich aan de Rue de Cumières de poort Sint-Helena, terwijl tot slot zich aan het zuidelijkste punt de derde toegangspoort bevindt. Deze laatste is tussen april 2016 en april 2019 gerestaureerd.

Binnen het domein liggen enkele gebouwen. Naast de abdijkerk Sint-Sindulphe, die nu de parochiekerk van het dorp is, sluit een deel van de kloostergang direct bij de kerk aan. Ten oosten van de kerk sluiten de kloostergebouwen en tuinen aan, die in de zeventiende en achttiende eeuw hun huidige vormen kregen en in de eenentwintigste eeuw grondig werden gerestaureerd. Ten westen van de kerk ligt het gebouw “Les Filles de France” en het oude persgebouw.

Geschiedenis thumb|Oud plan thumb|Plan van de kelders

Ontstaan Over de exacte datum bestaat er twijfel. De stichting wordt in populaire en toeristische context vaak aangeduid als in 650, al is dit vooral gebaseerd op legendarische overlevering. Op basis van volgend citaat "Revenu à Reims vers 658, il reçut de Nivard la mission d'établir un monastère" zou men 658 als stichtingsdatum kunnen naar voor schuiven. De abdij werd dus gesticht in opdracht van Sint-Nivard, (aarts)bisschop van Reims en neef van de Franse koning Dagobert. De eerste abt, Sint-Berchaire, keerde in 658 terug naar Reims en ontving van Nivard de opdracht om een klooster te stichten op het landgoed Altum Villare. De aartsbisschop onteigende zich van zijn bezittingen en droeg deze bij een speciaal charter over "aan de kerk van Hautvillers, aan Berchaire en zijn broeders, die van plan zijn daar te wonen onder de regel van Columbanus en Benedictus“.

Tot ontmanteling tijdens Franse Revolutie Tijdens de Karolingische periode (751-987) groeide de abdij uit tot een centrum van manuscriptproductie, zoals het beroemde Évangéliaire d’Ebbo en mogelijk het Utrecht-psalter.

In 841 brachten monniken de relikwieën van Sint-Helena over uit Rome, wat de abdij tot een bedevaartsoord maakte en de inkomsten liet stijgen, zodat ze zo’n 40 hectare grond en wijngaarden kon verwerven. De abdijkerk herbergde tussen 841 en 1819 de relikwieën van Sint-Helena, of Helena van Constantinopel (circa 248-circa 329), de moeder van de Romeinse keizer Constantijn de Grote.

Door de eeuwen heen werd de abdij herhaaldelijk verwoest en herbouwd. De abdij werd in 940 gerestaureerd na de Normandische invallen in 822. De laatste reguliere abt, Dom Royer (1507-1527), verwijderde de laatste sporen van de brand die de Engelsen in 1449 hadden gesticht. In 1544, tijdens de godsdienstoorlogen tussen Frans I en Karel V, werd de abdij verwoest en in 1562 werden de resten ervan door de Hugenoten verbrand. Dankzij donaties van Catharina de Medici, werd de abdij in 1603 volledig herbouwd.

Tijdens de zeventiende eeuw bevond de abdij zich in een periode van heropleving, waarin zowel spiritueel als architecturaal belangrijke inspanningen werden geleverd. De abdij leefde volgens de regel van Sint-Vanne en Sint-Hydulphe, een hervorming die in 1604 in Lotharingen ontstond uit de regel van Sint-Benedictus. De gebouwen kregen herstellingen en aanpassingen die het werk van de monniken, waaronder de wijnproductie, ondersteunden.

De abdij floreerde totdat er in 1634 nog maar zes monniken over waren. In 1673 liet Dom Pérignon kelders bouwen voor de wijnopslag. Dankzij hem verwierf de abdij grote bekendheid. In 1689 steeg het aantal monniken tot vierentwintig.

De abdij werd in 1791-1793 ontmanteld door de nationalisatie tijdens de Franse Revolutie van 1789 tot 1799. De monniken werden weggestuurd.

Na de Franse Revolutie De overgebleven gebouwen van de abdij en het omringende landgoed vielen in 1794 in handen van de wijnhandelaar Jean-Remy Moët uit Épernay. In 1823 nam zijn schoonzoon, Pierre-Gabriel Chandon, het landgoed over en startte de heropbouw van de wijngaarden en (delen van) het abdijcomplex. Zo kwam het landgoed in handen van het champagnehuis Moët & Chandon (nu onderdeel van LVMH).

Eenentwintigste eeuw In 2012 voerde het bedrijf restauraties uit aan het klooster en reconstrueerde het de verdwenen poort van Sint-Helena, in samenwerking met de architecten van de Franse historische monumenten. De locatie van de abdij wordt nu door het champagnehuis Moët & Chandon gebruikt om zijn belangrijkste gasten te verwelkomen.

De abdij ligt in hart van het wijngaardlandschap van de Champagne, dat sinds 2015 op de werelderfgoedlijst van UNESCO staat als Heuvels, huizen en kelders van de Champagne.

Het archeologisch onderzoek van begin april tot eind november 2023 door het Franse Institut national de recherches archéologiques préventives (Inrap) in samenwerking met het Musée du Vin de Champagne (in Epernay) maakte een uitgebreide opgraving mogelijk, waarbij delen werden heropend die al gedeeltelijk waren bestudeerd in het kader van projecten die Pascale Bousquet-Chevalier eind jaren 1980 had uitgevoerd. Dit onderzoek was uitzonderlijk vanwege de ligging en de oppervlakte (circa 9.500 m²) Het onderzoek heeft op het terrein sporen blootgelegd van zes opeenvolgende bouwfasen (van elfde tot twintigste eeuw), evenals 17 monnikengraven in het oostelijke deel van het klooster en de kapitularie, en een deel van een zeventiende-eeuwse parochiale begraafplaats.

Zowel de gemeente Hautvillers, als de eigenaar van de abdij hebben in januari 2024 een uitgebreide restauratie-campagne aangekondigd. Een envelop van 3,2 miljoen euro werd gestemd door de “Gemeenschap van gemeenten van de Grande Vallée de la Marne”. Deze zal verschillende jaren in beslag nemen. De restauratie-campagne van LVMH heeft de naam "Dom Pérignon - Renaissance van de abdij van Hautvillers" gekregen. In de abdij en het 5 hectare grote park wordt een ruimte gewijd aan de geschiedenis van de monnik, alsook een wijnbibliotheek, een locatie voor wijnproeverij en een documentatiecentrum. In 2028 zou de abdij haar deuren openen voor het grote publiek.

Erfgoed 50px|left|Frans historisch monument De abdij en verschillende onderdelen van de kerk zijn erkend als Franse historische monumenten. Voor de abdij gebeurde de klassering en de inschrijving op 27 juni 1983. Het orgel werd geklasseerd op 23 juli 1976, het meubel in de sacristie op 8 juli 2002. Er werden ook zeven schilderijen geklasseerd, waaronder het schilderij genaamd “Stichting van Hautvillers door Saint Nivard”.

50px|left|Unesco Cultureel Erfgoed Sinds 2015 zijn zowel de abdij als de kelder een onderdeel van het UNESCO-werelderfgoed “Heuvels, huizen en kelders van de Champagne”. De abdij staat in een gemeente die deel uitmaakt van de inschrijving, maar wordt ook apart benoemd. Ook de kelder wordt benoemd als een ondergronds deel van het erfgoed.

De kerk De driebeukige kerk, gewijd aan Sint-Sindulphe, bestaat uit een mix van romaans en gotisch bouwstijlen en dateert grotendeels uit de zestiende eeuw. De kerk werd meerdere malen verwoest en herbouwd. In 1518 zou, onder leiding van abt Dom Roger, al de derde kerk gebouwd zijn. Van de oorspronkelijke romaanse kerk is alleen het onderste deel van de westgevel met portaal bewaard gebleven; de voorgevel is voor het eerste deel in romaanse stijl en voor het tweede deel in gotische stijl. Andere bronnen melden dat het bouwwerk werd opgetrokken na de grote verwoesting van 1562 tijdens de godsdienstoorlogen.

Het schip uit de zestiende eeuw heeft een korfplafond, een barokke inrichting van de Sint-Helenakapel, de lambrisering en koorstoelen uit 1780, de grafsteen van Dom Pérignon (1638-1715) en Dom Royer, en talrijke schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Het hoogaltaar werd gebouwd in 1691 onder leiding van Dom Pérignon.

Het rijk versierde koorgestoelte bevat sculpturale figuren, zoals putti (cherubijnen), en decoratieve motieven zoals bladerwerk en mascarons (gesneden gezichten). Men ziet er ook het wapenschild van Jean-Philippe d’Orléans, een van de laatste abten.

De relikwieën van Sint-Helena werden toevertrouwd aan de kerk Sint-Leu in Parijs na het opheffen van de abdij, waarvan een deel vervolgens werd teruggegeven aan Hautvillers.

Het tribuneorgel heeft een complexe geschiedenis: een eerste instrument van circa 1630 werd herbouwd rond 1769 door Louis Gorlidot en Mathieu Wyskirclum, vervolgens aangepast in 1847 door Nicolas-Augustin Hubert en later in de negentiende eeuw door Augustin Brisset; tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen 438 pijpen verloren.

Daarnaast herbergt de kerk waardevol religieus meubilair, waaronder de preekstoel, een reliekhouder van Sint-Helena, een reliekhouder van Sint-Nivard. Boven het hoofdaltaar hangt een enorme kroonluchter, gemaakt van vier wielen van een wijnpers.

Schilderijen In het koor boven het koorgestoelte hangen zeven schilderijen, vier links en drie rechts. Drie schilderijen uit 1715, formaat 315 x 425 cm, zijn afkomstig van Claude Charles (1661-1747), een schilder uit Lotharingen uit de Franse school van de achttiende eeuw: Sint-Nivard schenkt de plattegronden van het klooster van Hautvillers Sint-Benedictus in gesprek met zijn zuster Sint Scholastica Sint-Petrus geneest een verlamde