thumb| thumb|Verspreiding in de wereld

Het Duits (Deutsch) is een taal behorende tot de West-Germaanse tak van de Germaanse talen. Het is de officiële taal van Duitsland, Oostenrijk en Liechtenstein en een van de officiële talen van Zwitserland, Luxemburg, België (Oostkantons) en regionaal in: Denemarken (Zuid-Jutland) en Italië (Zuid-Tirol). In onder meer Namibië (een vroegere Duitse kolonie), Frankrijk (Elzas en Moselle) en landen in Midden-Europa en Oost-Europa wordt het ook gesproken, maar daar wordt het Duits niet als officiële taal erkend.

Met rond de 120 miljoen moedertaalsprekers is het Duits de grootste taal in de Europese Unie en na het Russisch de grootste taal in Europa.

Geschiedenis De geschiedenis van de Duitse standaardtaal kan in vier hoofdfasen (Sprachstufen) worden onderverdeeld: Oudhoogduits Middelhoogduits Vroegnieuwhoogduits Nieuwhoogduits

Letters en cijfers

Letters zonder accent In onderstaande tabel de letters met de bijbehorende namen. In de laatste kolom staat de naam in IPA. HoofdletterKleine letterNaamnaam(IPA)Aaah[a]Bbbeh[be]Ccceh zeh[tse]Dddeh[de]Eeeh[e]Ffef[ɛf]Gggeh[ɡe]Hhhah[ha]Iiih[i]Jjjot[jɒt]Kkkah[ka]Llel[ɛl]Mmem[ɛm]Nnen[ɛn]Oooh[o]Pppeh[pe]Qqquh[ku]Rrer[ɛɹ]Sses[ɛs]Ttteh[te]Uuuh[u]Vvvau[vɑu]Wwweh[ʋe]Xxix[iks]Yyypsilon[ypsilɔn]Zzzet[tsɛt]ẞßeszet[ɛstsɛt]

Letters met accent Het Duits kent drie letters met een umlaut als accent. HoofdletterKleine letterUitspraak(NL)Uitspraak(IPA)Ääee[ɛ]Ööeu u[ø] [ɤ]Üüuu[y]

Tweeklanken Het Duits kent de volgende tweeklanken HoofdlettersKleine lettersUitspraak(NL)Uitspraak(IPA)SCHschsj[ʃ]CHchch[x]NGngng[ŋ]EIeiai[ɑɪ]EUeuoi[ɔɪ]AUauau ou[ɑu]OEoeeu[ø]

Cijfers CijferNaamIPA0Null[nul]1Eins[ɑɪɴs]2Zwei[tsʋɑɪ]3Drei[drɑɪ]4Vier[viɹ]5Fünf[fyɴf]6Sechs[zæks]7Sieben[zibəɴ]8Acht[ɑxt]9Neun[nɔɪɴ]

Spelling Spellingherziening van augustus 1998 Op 1 augustus 1998 werd de spelling van het Duits gewijzigd. Deze spelling geldt voor Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Liechtenstein. Deze spellingshervorming is enigszins controversieel. Toonaangevende kranten als de Frankfurter Allgemeine Zeitung zijn dan ook inmiddels teruggegaan naar de oude spelling van vóór 1998. Ook Nobelprijs-winnares Elfriede Jelinek maakte kenbaar dat ze tegen de nieuwe spellingshervorming was.

De ß wordt alleen nog gebruikt na lange klinkers en tweeklanken. Na de wijziging is het bijvoorbeeld nog steeds Fuß (voet) en Straße (straat), maar Fluß (rivier) en Anschluß zijn veranderd in Fluss en Anschluss. Meer hierover op de pagina over de ringel-s. Het wegvallen van een derde, zelfde medeklinker in samenstellingen is geschrapt. Het vroegere Schiffahrt (scheepvaart) is nu Schifffahrt (of Schiff-Fahrt).

Spellingherziening van februari 2006 Na grote kritiek kwam er een herziening van de spellingherziening (Reform der Reform), waarin enkele spellingsveranderingen werden teruggedraaid.rechtschreibrat.com. Gearchiveerd op 21 juni 2023.

Zwitserland en Liechtenstein Deze landen volgen de Duitse schrijfwijze voor het Zwitserse hoogduits, met uitzondering van de "ß" die altijd als "ss" geschreven wordt. Het Zwitserduits kent geen officiële spelling.

Schrift Vanaf de 16e eeuw werd drukwerk in Duitsland in het algemeen in Fraktur uitgevoerd. Aan het einde van de 19e eeuw kwam de in de rest van West-Europa gebruikelijke Antiqua in opkomst, aanvankelijk vooral in (Duitstalige) wetenschappelijke literatuur. Vanaf 1941 werd voor overheidsuitgaven en in het onderwijs uitsluitend nog Antiqua gebruikt.

Grammatica Zie Duitse grammatica voor een hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Duits kent vier naamvallen: de nominatief: het onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde. de genitief: uitdrukken van de bezitter en aanvulling bij werkwoorden/voorzetsels de datief: het meewerkend voorwerp en aanvulling bij werkwoorden/(keuze)voorzetsels de accusatief: het lijdend voorwerp en aanvulling bij werkwoorden/(keuze)voorzetsels

Bij de keuzevoorzetsels is de datief voor de plaats en het tijdstip en de accusatief voor de richting. Als het om geen van beide gaat wordt altijd de datief gekozen, behalve bij auf en über.

Verbuiging van lidwoorden (der- en ein-groep):

Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig MeervoudNominatief der Wein die Suppe das Brotdie Eier ein Wein eine Suppe ein Brotkeine EierGenitief des Weines der Suppe des Brotes der Eier eines Weines einer Suppe eines Brotes keiner EierDatief dem Wein der Suppe dem Brot den Eiern einem Wein einer Suppe einem Brot keinen EiernAccusatief den Wein die Suppedas Brot die Eier einen Wein eine Suppeein Brot keine Eier

Het bijvoeglijk naamwoord krijgt dezelfde eindletter als het bepaald lidwoord volgens deze tabel. De uitgang van het bijvoeglijk naamwoord is dan -e, -er, -em, -en of -es. Een uitzondering geldt als er reeds een lidwoord of voornaamwoord met een naamvalsuitgang is, dat zijn in de tabel hierboven de lidwoorden die geen gele achtergrond hebben. In dat uitzonderingsgeval krijgt het bijvoeglijk naamwoord een vereenvoudigde uitgang, en wel als volgt:

Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig MeervoudNominatief -e-e-e-enGenitief -en-en-en-enDatief -en-en-en-enAccusatief -en-e-e-en

Het vervoegen van Duitse werkwoorden gaat op deze manier:

Wohnen Uitgang ich wohne e du wohnst st er, es, sie wohnt t wir wohnen en ihr wohnt t sie, Sie wohnen en

De Duitse dialecten thumb|De subgroepen van het eerste niveau, na de hoofdgroepen Neder-, Middel- en Opperduits. Het Nederfrankisch in Nederland, België en Frankrijk wordt tot het Nederlands gerekend.

In het Duitse taalgebied zelf kan men twee grote dialectgroepen onderscheiden. Onder de noemer van het Nederduits (ook wel Nedersaksisch genoemd) zijn er allerlei streektaalbenamingen in gebruik, al dan niet als synoniem: Noord-Nedersaksisch (inbegrepen Oost-Fries en Holsteins); Westfaals en Oostfaals, Mecklenburgs-Voorpommers en Brandenburgs.

Vóór 1945 omvatte de Nederduitse dialectgroep ook het Oost-Pommers in Achter-Pommeren en het Nederpruisisch in Oost-Pruisen, naast de in die provincies bestaande Middelduitse dialectgroepen als het Silezisch en het Hoogpruisisch. Geografisch liep het Nederduitse taalgebied toen door tot in het huidige Litouwen. Al deze streektalen zijn echter, na de verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog, met hun sprekers uit de betreffende gebieden geheel verdwenen.

De Westmiddelduitse streektaalgroep is ontstaan uit de historische Rijnlandse Franconië (Rijnprovincie, Palts). Ripuarisch, Moezelfrankisch (waaronder Luxemburgs en Lotharings) en Rijnfrankisch behoren daartoe. Uit de Thüringen en de Oostmark komt de Oostmiddelduitse groep die omvat Thürings, Hoogsaksisch, Silezisch en Sudetenduits. De laatste twee dialectgroepen zijn ter plaatse verdwenen na de verdrijving van de bevolking na 1945. Het Opperduits omvat Oost- en Zuid-Frankisch en streektalen die zich ontwikkelden uit het historische Bajuvarisch en nu als Beiers en Oostenrijks aangeduid worden en uit het historische Alemannisch waartoe het tegenwoordige Elzassisch, Zwabisch (in Baden-Württemberg) en Zwitser-Duits worden gerekend. Het grote verschil tussen de grote dialectgebieden is de al dan niet doorgevoerde tweede of Hoogduitse klankverschuiving. Zo zal men in het Nederduits eerder Pund, Water en ik zeggen, terwijl Hoogduitse dialectsprekers eerder Pfund, Wasser en ich zullen zeggen.

Met name omdat meer dan 12 miljoen Duitsers uit Midden-Europese staten en uit door Polen geannexeerde Duitse provincies zich na 1945 in het huidige Duitsland moesten vestigen, werd de communicatieve functie van het Hoogduits als algemeen verstaanbare taal in de naoorlogse tijd dwingend en zakte die van de streektalen weg. Dat was vooral in het noorden het geval maar in Beieren is het gebruik van de streektaal nog wel algemeen gebleven. In het noorden van Duitsland spreekt nog slechts een kleine en afnemende minderheid de Nederduitse streektalen. Buiten Duitsland is in Elzas-Lotharingen het gebruik van de streektalen ook marginaal geworden en lijkt het te gaan verdwijnen. In Luxemburg is de streektaal tot officiële taal gepromoveerd en geldt zij als algemene dagelijkse omgangstaal, hoewel vooral in de hoofdstad de concurrentie van het Frans aanzienlijk is. In Duitstalig Zwitserland zijn de varianten van het Zwitserduits de algemene omgangstalen en wordt het Hoogduits voornamelijk in schrijftaalfuncties gebruikt. In de Midden-Europese landen, zoals Polen, Hongarije en Roemenië, zijn nog restanten van de ooit talrijke Duitstalige minderheden overgebleven. Telden deze voor 1945 vier miljoen sprekers van het Duits, nu zijn dat er nog enkele tienduizenden.

Sinds het begin van de 19de eeuw heeft Duitse filologie en taalkunde de streektalen zeer uitgebreid beschreven en gedocumenteerd.

Duits en continentaal West-Germaans In de oudere taalwetenschappelijke literatuur wordt het begrip Duits soms als ouderwets synoniem voor het huidige begrip continentaal West-Germaans gebruikt. Beide begrippen bedoelen het huidige Duits, Nederduits/-saksisch en Nederlands en plaatsen die alle drie naast het Ingveoons (ofwel Noordzee-Germaans) waaronder dan het Engels en de Friese talen vallen.

Dit berust op het uitgangspunt dat een oorspronkelijke West-Germaanse taal bestond, die zich in de 3de en 4de eeuw van de jaartelling deelde in het zogenaamde Anglo-Fries (vermeende voorloper van Oudengels en Oudfries) en het "Oud-Duits", de veronderstelde voorloper van Oudhoogduits, Oudsaksisch en Oudnederlands, een indeling die in 1898 voor het eerst gemaakt werd door de taalwetenschapper Karl Müllenhoff. Pas in 1943 stelde Friedrich Maurer een ander (en nauwkeuriger) model voor.Claus Jürgen Hutterer, Die germanischen Sprachen: ihre Geschichte in Grundzügen, 2e dr., Wiesbaden: Drei Lilien, 1987, ; p. 69-70

Tegenwoordig beschouwt men de indeling in Anglo-Fries en "Duits" als te eenvoudig en als onvoldoende.Adolphe van Loey, Schönfelds historische grammatica van het Nederlands, 8e dr., Zutphen: Thieme, 1970; p. XXV = hoofdstuk IVAdolf Bach, Geschichte der deutschen Sprache, 9e dr., Heidelberg: Quelle & Meyer, 1970; §50, p. 88-89.

Periferie van het Duits thumb|300px|Het Standaardduits is gebaseerd op het Hoogduits (groen) en onderscheidt zich van het Middelduits (turkoois) en het Nederduits (geel). De zwarte lijnen geven de belangrijkste isoglossen weer, de Benrather linie en de Spierse linie. In lichtere tinten zijn de corresponderende Franse gebieden aangegeven die behoren tot de Westelijke Periferie van het Duits 300px|thumb|Verspreiding van het DuitsInclusief Nederduits taalgebied buiten Nederland.: stamgebied en periferie binnen Europa, 2010 thumb|300px|Duitse bevolking en Duits taalgebied in Centraal-Europa tot ca. 1945. (Staatsgrenzen zoals op 1 januari 1931.)

Onder de verzamelterm 'Periferie van het Duits' en als concept analoog aan een soortgelijk begrip voor het Nederlands, volgt hier een overzicht van taalvariëteiten of derivaten van het Duits die geografisch, sociolinguïstisch en/of typologisch op een grotere afstand van het 'stamgebied' en/of het Standaardduits staan dan andere, meer reguliere variëteiten van het Duits. Perifere variëteiten ontstaan uit het contact met en de invloed van een of meer exogene, niet-Duitse talen of dialecten. Zij kunnen zowel dialecten, regiolecten, contacttalen, mengtalen als sociolecten of groepstalen betreffen. In de meeste gevallen zijn dit variëteiten die in het verdere verleden in de periferie van het Duitse taalgebied zijn ontstaan. De kans op het ontstaan van moderne perifere variëteiten is gering, maar nog altijd aanwezig. Er moet worden onderscheiden in variëteiten ontstaan bij een perifeer-interne en bij een perifeer-externe omgeving.

Binnen Europa