thumb|Maria Magdalena verkondigt de verrijzenis van Christus aan de apostelen. Deze miniatuur wordt beschouwd als een van de oudste voorbeelden van de Apostolorum apostola (apostel der apostelen) Het Albanus Psalter (St Albans Psalter in de literatuur) ook Albani PsalterDeze namen zijn niet eenduidig omdat zij verwijzen naar meerdere psalters die in de abdij van Sint-Albanus geproduceerd werden. Zie Peter Kidd, 2008, p.41 of Psalter van Christina van MarkyateZie Peter Kidd, 2008, p.41 genoemd is een verlucht handschrift gemaakt in de twaalfde eeuw in de abdij van Sint-Albanus in Hertfordshire in Engeland. Het is een van de psalters die werden gemaakt in de abdij en qua vorm is het een psalter voor de privé-devotie, dus geen psalter voor gebruik in het klooster bij de officies.Kristen M. Collins, Peter Kidd, Nancy Turner, The St. Albans Psalter: Painting and Prayer in Medieval England, Getty Publications, 2013, p. 21.
Het manuscript is eigendom van de parochie "Zum Heiligen Kreuz" in HildesheimPeter Kidd, 2008, p.143 noot 1; dikwijls wordt St. Godehard genoemd maar de website van de Dombibliothek Hildesheim zegt men dat het Psalter terechtkwam in de kerkschat van de voormalige abdijkerk van St. Godehard die nu behoort tot de parochie "Zum Heiligen Kreuz". en wordt daar bewaard in de Dombibliothek van Hildesheim. Een los blad van het manuscript wordt bewaard in het Schnütgen Museum in Keulen.Anton von Euw, Die Handschriften und Einzelblätter des Schnütgen-Museums Köln: Bestandskatalog (Keulen, 1997), no. 5 pp. 64-68.
Het handschrift wordt algemeen erkend als een van de belangrijkste boeken die zijn overgeleverd uit de romaanse periode in Engeland.C. M. Kauffmann, Romanesque Manuscripts, 1066–1190, A Survey of Manuscripts Illuminated in the British Isles, 3, ed. J. J. G. Alexander, London, 1975, p. 69 Het manuscript werd bijzonder rijkelijk verlucht en bevat onder meer een cyclus van veertig volbladminiaturen met illustraties van het Nieuwe Testament voor het eigenlijke psalter. Het psalmboek zelf bevat nog meer dan 200 gehistorieerde initialen. Daarnaast bevat het handschrift de waarschijnlijk oudste versie van het AlexiusliedTony Hunt, The Life of St. Alexis in Christina of Markyate ed. Samuel Fanous, Henrietta Leyser, Routledge, 2005 p. 219-222. in het vernaculair. Het Alexiuslied is een van de eerste grote werken die geschreven werden in de Langues d'Oïl. Volgens Michel Zinc de specialist van de literatuur van de Franse Middeleeuwen, was er in dat taalgebied voordien nooit een zo groot werk, met een perfect uitgewerkte versvorm ontstaan.Zink 1993, p. 25-26 = M. Zink, Introduction à la littérature française du Moyen Âge, Paris, 1993. Daarnaast is het psalter ook bijzonder omwille van de historische context. Het is een van de weinige boeken uit die periode waarvan we van de opdrachtgever en de bestemmeling over een eigentijdse biografie beschikken.
Codicologische beschrijving miniatuur|Psalm 24 Het handschrift is samengesteld uit 209 perkamenten folia gemaakt uit kalfshuid van zeer goede kwaliteit.Kristen M. Collins, Peter Kidd, Nancy Turner, The St. Albans Psalter: Painting and Prayer in Medieval England, Getty Publications, 2013, p. 68. De folia meten 27,6 bij 18,4 cm, maar ze zijn in de loop der tijden bijgesneden. Het boek bevat 24 katernen, waarvan 17 quinions (een katern bestaande uit vijf bifolia), 4 quaternions (een katern bestaande uit vier bifolia) en 3 bifolia. De bladen zijn bovenaan rechts op de rectozijde genummerd in Arabische cijfers. Deze nummering moet zijn aangebracht in de late negentiende of de vroege twintigste eeuw gezien de foto's uit 1886 van de bladzijden van het Alexiuslied ongenummerd zijn en Adolph Goldschmidt zijn eigen nummering gebruikte bij zijn eerste studie in 1898. De miniaturen zijn onderaan het blad apart genummerd.The St Albans Project -codicology. Gearchiveerd op 10 mei 2019.
Het boek heeft nog een middeleeuwse band in varkensleder over houten platten. De band is op verschillende plaatsen hersteld (binding van 1936). Het handschrift werd meerdere malen herbonden, de laatste inbinding dateert van 1936.Peter Kidd, 2008, pp. 136. Maar ook daarvoor werd het tweemaal heringebonden waarschijnlijk in de veertiende eeuw in Engeland en daarna nogmaals in de zeventiende of achttiende eeuw in Duitsland.
Indeling Het boek bestaat uit vijf grote delen: Deel Katernen Blz. Inhoud VerluchtingI.1Kalender1-1612 ronde vignetten met de werken van de maand en 12 dierenriemtekensII.2-4Illustraties Nieuw Testament17-5640 volbladminiaturenIII.5Alexiuslied e.a.57-72Een grote afbeelding van het leven van Alexius, drie volbladminiaturen en een grote beatus-initiaal als inleiding bij psalm 1IV.6-22Psalmen en Litanie.73-410214 gehistorieerde initialen V.23-24Diverse gebeden410-418Miniatuur met de marteldood van Albanus en een met Koning David en zijn muzikanten
Bladspiegel De grootte van het tekstblok verschilt van onderdeel tot onderdeel: Kalender: 135 x 180 mm met 35 lijnen per blad Miniaturen cyclus: 141 x 181 mm Alexiuslied: ca. 144 x 211 à 220 mm variabel aantal lijnen per blad, gemiddeld 35 Psalter: psalmen, kantieken en litanie Beatus vir pagina: 133 x 191 mm pp. 74 – 330: 108 x 180 met 22 lijnen per blad pp. 331–410: afgelijnd in 2 kolommen van elk 59 x 204 mm met 25 lijnen per blad, maar alleen de litanie is in twee kolommen geschreven Diverse gebeden pp. 411–414: 152 x 231
miniatuur|Psalm 118 voorbeeld van het script Scribenten De tekst is geschreven in het Latijn en in een lettertype dat typisch is voor St. Albans. Er zouden aan het handschrift vijf of zes verschillende scribenten gewerkt hebbenRodney M. Thomson Manuscripts from St Albans Abbey 1066-1235, Woodbridge, Suffolk: Brewer, 1985, p. 119. waarvan een de kalender schreef, de tweede hand wordt gevonden in de psalmen en de gebeden en de derde in het katern met het Alexiuslied. De andere handen werden gevonden in obiits, en kleine aanpassingen. Drie van de vijf of zes scribenten kunnen geassocieerd worden met het scriptorium van St. Albans op basis van andere handschriften afkomstig van de abdij. De schrijver van de psalmen, het belangrijkste deel, kon niet worden teruggevonden in andere handschriften wat sommige onderzoekers liet veronderstellen dat dit gedeelte elders geschreven werd, maar ook hiervoor zijn er geen materiële bewijzen.
Peter Kidd onderscheidde acht scribentenPeter Kidd, 2008, pp. 115-122. die hij associeerde met de volgende onderdelen: Scribent 1: de kalender (eerder eind elfde eeuw dan begin twaalfde); misschien terug te vinden in de Retorica van Cicero van St. Albans, Londen, British Library, Harley MS 2624 Scribent 2: de psalmen, litanie en gebeden); werk van deze scribent komt niet voor in andere boeken van St. Albans Scribent 3: het Alexiuslied en de rest van het katern; sommige onderzoekers denken dat dit katern geschreven werd door abt Geoffrey Scribent 4: de toevoeging van de wijding van de priorij van Markyate aan de kalender; slechts 2 lijnen, een op 27 mei en een op 20 juli Scribent 5: de obiits: de scribent die de obiits toevoegde aan de kalender; dit zou de scribent zijn die in meerdere handschriften van St. Albans werd geïdentificeerd, hij was actief tussen 1130 en 1151. Scribent 6: het nieuwe beginfolium van de psalmen. Het buitenste bifolium van de psalmen is niet van dezelfde hand dan de rest van de psalmen, men gaat ervan uit dat het originele bifolium om een of andere reden werd vervangen. Scribent 7: de schrijver van de tekst bij de Christina initiaal Scribent 8: de corrector van de psalmen
Ondanks de verschillende handen die vastgesteld kunnen worden werd door alle scribenten eenzelfde lettertype gebruikt, een variant van de Karolingische minuskel. Ze gebruiken allemaal de dubbelgecompartimenteerde a, de hoge s, de rechte d (zoals onze huidige drukletter) en de lange g in de vorm van het cijfer 3 of gelijkaardig aan onze moderne g. De versalen (eerste letter van een vers) worden afwisselend in een rode en blauwe hoofdletter geschreven en elke psalm begint met een grote gehistorieerde initiaal.
Herkomst miniatuur|Geboorte van Christus Het psalter is nu in het bezit van de parochiekerk van St. Godehard in Hildesheim, waar het terechtkwam toen het klooster van Lamspringe werd opgeheven in 1803. Het klooster van Lamspringe, oorspronkelijke een nonnenklooster, werd gesticht in 873 en kende een bewogen geschiedenis. In 1568 werd het door Julius van Brunswijk-Wolfenbüttel omgevormd tot een protestants damesstift. Tijdens de Dertigjarige Oorlog leed het gebouw enorme schade en in 1643 kwam het terug in het bezit van het Prinsbisdom Hildesheim. De bisschop stelde de gebouwen ter beschikking van benedictijner monniken die uit Engeland gevlucht waren omwille van de Engelse Burgeroorlog. Het waren waarschijnlijk deze vluchtelingen die het boek naar Duitsland brachten. Toen het klooster in 1803 werd gesloten werden de meeste boeken van de bibliotheek van Lamspringe overgebracht naar de bibliotheek van de kathedraal van Hildesheim en men heeft tot op heden niet kunnen nagaan hoe het psalter niet werd opgenomen in de bibliotheek van de kathedraal maar terechtkwam in St. Godehard in Hildesheim.
Dat het handschrift zich bevonden heeft in Lamspringe is duidelijk uit notities op de schutbladen: ‘L[iber] Monasterii Lambspring 1657’ en ‘Liber Monast[erii] Lam/spring O.S.B. Cong[regationis] Angl[icanae]’.
Uit de inhoud, de litanie en het schrift van onder meer het Alexiuslied dat overeenkomt met een handschrift dat met zekerheid aan de St. Albanusabdij kan worden toegeschreven (British Library, Egerton MS. 3721), kan men met vrij grote zekerheid afleiden dat het handschrift tot stand kwam in de abdij van Sint-Albanus. Een miniatuur bij het begin van psalm 105 en obiits (notities van overlijden) toegevoegd aan de kalender relateren het boek vrij duidelijk aan Christina de eerste priorin van Markyate,Aberdeen website: Provenance. Gearchiveerd op 10 mei 2019. maar of het inderdaad specifiek voor haar gemaakt werd is ondertussen een punt van discussie
Het boek was tijdens de Engelse reformatie nog in Engeland omdat het woord "paus" of referentie naar de paus overal geschrapt werd zoals het door Hendrik VIII was bevolen met een bevelschrift van 9 juni 1535.Peter Kidd, 2008, pp. 137. Waar het tussen de dertiende eeuw en 1650 verbleef is onbekend, maar waarschijnlijk was het heel die tijd in de priorij van Markyate tot die eind 1536 of begin 1537 werd opgeheven.
Datering