Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Sankt Pölten, de oudste stad of een van de oudste steden van Oostenrijk.
Prehistorie De eerste menselijke nederzetting in het gebied van het huidige St. Pölten vond in het neolithicum plaats. Uit deze tijd zijn in het stadsdeel Pottenbrunn vondsten van keramiek en stenen werktuigen gedaan. Ook in de bronstijd en in de Hallstatt-periode woonden hier mensen. In de zevende en zesde eeuw voor Christus woonden er Illyriërs, waar ook enkele vondsten van zijn.
Van de Kelten zijn geen vondsten gedaan. Maar de oudste vorm van de naam van de rivier de Traisen is Tragisa, wat een Keltisch woord is voor 'snelstromende'. Ook "Cetium" komt van het Keltische woord "keto", dat "hout" of "bos" betekent. Karl Gutkas, Werden und Wesen der Stadt St. Pölten - Kulturamt St. Pölten, 1970, p. 16
Oudheid Municipium Aelium Cetium (2e-4e eeuw) De oude binnenstad van Sankt Pölten bevindt zich op de plek waar van de 2e tot de 4e eeuw de Romeinse stad Municipium Aelium Cetium lag. Deze plaats werd door Aelius Hadrianus tot stad verheven, die ook zijn naam aan de stad gaf. De naam Cetius gaat terug op de Griekse naam "ketion horos", in het Latijn "Cetius mons". Met deze naam benoemde Ptolemaeus het Wienerwald, mogelijk inclusief het Dunkelsteinerwald. Aelium Cetium was een van de drie steden ten zuiden van de limes aan de Donau in Noricum, naast Ovilava (Wels) en Lauriacum (Lorch, tegenwoordig een deel van Enns). Municipium Aelium Cetium wordt genoemd in de Romeinse reisgids Itinerarium Antonini.
Christenvervolging In de vierde eeuw werd Favianae of Favianis (Mautern) belangrijker dan Aelium Cetium. Mogelijk was Aelium Cetium toen verwoest. Aelium Cetium wordt nog genoemd in de beschrijving van het lijden van de martelaar Florianus van Noricum. Deze was de hoogste ambtenaar (ex principe officii praesidis) onder de stadhouder van Noricum ripens in Ovilava (Wels), maar hij werd in 303 ontslagen, omdat hij christen was en weigerde een offer aan de Romeinse goden te brengen. In 303 had de Romeinse keizer Diocletianus verordend om christelijke ambtenaren te ontslaan. Florianus werd verbannen naar het verafgelegen Aelium Cetium, waar mogelijk een christengemeenschap was. Hannsjörg Ubl in "Dom und Stift Sankt Pölten - und ihre Kunstschätze", 1985, , p. 15 In 304 ging hij ondanks zijn verbanning naar Lauriacum (Lorch, Enns) om de christenen tegen wie een proces was aangespannen bij te staan. Daar werd hij op bevel van Romeinse stadhouder Aquilinus gearresteerd en samen met andere christenen ter dood veroordeeld. Op 4 mei 304 werd hij verdronken in de Enns met een molensteen om de hals. In 308 werd bij de Keizersconferentie van Carnuntum het christendom weer toegestaan in het Romeinse Rijk. Aelium Cetium wordt in de levensbeschrijving van Severinus, die in de vijfde eeuw leefde, niet meer genoemd.
Einde Romeinse tijd (5e eeuw) In 488 trokken de Romeinen weg uit Noricum ripens. Het is niet bekend of er nog mensen in Aelium Cetium bleven wonen. Er zijn in St. Pölten geen sporen gevonden van volkeren uit de 5e tot 8e eeuw. Wel woonden er in het midden van de zesde eeuw in de buurt van St. Pölten, in het zuidoosten van het Dunkelsteinerwald Bajuwaren, die uit het oosten waren gekomen. Dit valt af te leiden van plaatsnamen die op -ing eindigen (bijvoorbeeld Neidling en Afing), wat Bajuvaars is. Iets later woonden er ook Slaven, die vermoedelijk als onderworpen volk met de Avaren waren meegekomen. Er zijn in de omgeving van St. Pölten ook plaatsnamen en rivieren die Slavisch van oorsprong zijn, zoals Perschling, Sierning, Pielach en Böheimkirchen.
Middeleeuwen Overwinning van Karel de Grote op de Avaren (8e eeuw) Voor de kruistochten van Karel de Grote tegen de Avaren (791-797) heette het land ten oosten van de rivier de Enns, het huidige Neder-Oostenrijk, het land van de Avaren. Na de kruistocht, waarbij geen veldslag plaatsvond, omdat de Avaren het leger van Karel de Grote, bestaande uit Beieren, Franken, Friezen en Saksen niet durfden aan te vallen, kwam dit gebied bij het rijk van Karel de Grote. Het verlies aan de kant van Karel de Grote was beperkt tot negen tiende deel van de paarden die door een infectieziekte werden geveld.
In 799 werd de stad als Treisma of Traisma vermeld, naar de rivier de Traisma (Traisen). Later werd de plaats vernoemd naar de heilige Hippolytus, van wiens naam Pölten een verbastering is.
Rond 800 werd hier, bovenop de resten van Aelium Cetium, het benedictijnenklooster Hippolyt gesticht als dochter van de abdij van Tegernsee in Zuid-Beieren en bevolkt vanuit Tegernsee. Sint-Hippolytus werd in dit klooster herbegraven en daarom is dit klooster naar hem genoemd. Waarschijnlijk kreeg Tegernsee dit klooster als beloning voor de deelname aan de strijd tegen de Avaren. Het was het oudste middeleeuwse klooster van Neder-Oostenrijk. Tot de late middeleeuwen was het klooster Hippolyt met zijn bezittingen eigendom van het bisdom Passau. St.-Hippolyt stond wel nog op twee middeleeuwse lijsten van verloren gegane voormalige bezittingen van het benedictijnenklooster Tegernsee.
In 1050 kreeg St. Pölten marktrecht.
Augustijns klooster In 1081 werd het benedictijnse klooster door de bisschop van Passau veranderd in een klooster van augustijner koorheren (kanunniken). De benedictijnen werden uit het klooster gezet en probeerden nog zonder succes het klooster met geweld te heroveren.
Stadsrecht (12e eeuw) Op 10 mei 1159 verleende Koenraad van Babenberg, toen bisschop van Passau, stadsrecht aan St. Pölten. Daarmee kan St. Pölten zich de oudste middeleeuwse stad van Oostenrijk noemen Karl Gutkas, Werden und Wesen der Stadt St. Pölten - Kulturamt St. Pölten, 1970, p. 19, hoewel dat niet onomstreden is.
Economische activiteiten in de middeleeuwen In de twaalfde eeuw waren er lakenwevers in St. Pölten actief, die roodgekleurd, grofgeweven textiel produceerden, dat in het toenmalige Duits das Pöltinger Tuch genoemd werd. Dit werd verhandeld door handelaren uit Wilhelmsburg, Kilb, Loosdorf, Pöchlarn, Melk en Ybbs en in St. Pölten en op de Weense markt verkocht. Als lokale maat werd de Pöltinger Metzen ingevoerd. Er was een beroepsmatige geldwisselaar. Karl Gutkas, Werden und Wesen der Stadt St. Pölten - Kulturamt St. Pölten, 1970, p. 20
Stadsmuur (13e eeuw) In de dertiende eeuw werd St. Pölten versterkt met een stadsmuur.
Pogroms Rond 1300 wordt melding gemaakt van Joden in St. Pölten. Joden hadden meestal als beroep het verstrekken van krediet tegen rente. In 1306 en 1338 ("de pogrom van Pulkau") waren er in diverse steden in Neder-Oostenrijk, waaronder St. Pölten, pogroms tegen Joden. De beschuldiging luidde "hostieschennis" ("Hostienfrevel").
Eerste jaarmarkt (1338) In augustus 1338 mocht St. Pölten in augustus vier weken rond de feestdag van St.-Hypolytus op 13 augustus een jaarmarkt houden.
Wiener Gesera (1420/1421) In 1420 werden de Joden in het hertogdom Oostenrijk (tegenwoordig Opper- en Neder-Oostenrijk en Wenen) opnieuw beschuldigd van hostieschennis, maar dit keer ook van steun aan de Hussieten. In 1420 vaardigde hertog Albrecht V een edict uit om de Joden van 17 steden in het hertogdom Oostenrijk gevangen te nemen. De belangrijkste steden in Neder-Oostenrijk waren Wenen, Krems en Wiener Neustadt. St. Pölten wordt niet bij die 17 steden genoemd, Herzogenburg ten noorden van St. Pölten wel. Joden zonder vermogen moesten per kano het hertogdom via de Donau verlaten. Vermogende Joden werden langer vastgehouden en in 1421 veroordeelde Albrecht V in Wenen zelfs ruim tweehonderd Joden tot de brandstapel. Deze gebeurtenissen staan bekend onder de naam "Wiener Gesera".
Tweede jaarmarkt (1451) In 1451 werd de tweede jaarmarkt gehouden. Op jaarmarkten werden producten van verderaf gelegen gebieden verkocht. De jaarmarkt was belangrijk voor St. Pölten, maar niet zo belangrijk als de jaarmarkten van Linz en Krems.
Grote Stadsbrand (1474) In 1474 brandde bijna de hele stad, die grotendeels uit houten huizen bestond, af. Alleen de Lederergasse en het klooster van de franciscanen bleef de brand bespaard.
Hongaarse tijd (1481-1490) In 1481 koos St. Pölten voor de benoeming van Friedrich Mauerkircher, de bisschop van Passau, die de keizer en de paus tegen zich had. Friedrich Mauerkircher verpandde uit geldgebrek de stad aan de Hongaarse koning Matthias Corvinus. Deze maakte de stad tot steunpunt in de oorlog tegen Frederik III.
Habsburgse tijd (1490-1918) Maximiliaan I verdreef de Hongaarse koning in 1490 en eiste bij de vrede van Pressburg van 1491 St. Pölten op als krijgsbuit. Hij gaf het niet terug aan het bisdom van Passau, dat er ook aanspraak op deed.
Papiermolen In 1496 werd in Stattersdorf aan de rivier de Traisen de eerste papiermolen van Oostenrijk gebouwd ("Die Untere Papiermühle an der Traisen"). Stattersdorf was toen overigens nog geen deel van St. Pölten.Duitse webpagina "Salzer Holding".
Tweede grote brand (1512) In 1512 brandde weer een groot gedeelte van de stad uit. De brand zou door Venetiaanse huursoldaten zijn gesticht, die geen salaris hadden ontvangen. Dit leidde tot omvangrijke maatregelen van de regering. De tweede toren van de kloosterkerk, de latere domkerk, brandde af en werd niet meer op de oude hoogte herbouwd, maar alleen ter hoogte van het dak afgedekt.
Eerste Ottomaanse invasie (1529) In 1529 hielp de stadsmuur St. Pölten te verdedigen tegen het Ottomaanse leger van Süleyman I.
Reformatie In 1544 waren er in het augustijnenklooster nog slechts tien geestelijken. In 1550 kon het klooster niet zelf voor een predikant zorgen in de kerk. Geleidelijk aan werd er in de abdijkerk door lutherse predikanten gepreekt. De adellijken in de omgeving gingen over op het lutheranisme. Rond 1560 was een groot deel van de bevolking luthers geworden. In 1563 werd een protestant, Martin Zandt, stadsrechter. In 1568 stond keizer Maximiliaan II in 1568 godsdienstvrijheid toe aan de hogere standen. Deze vrijheid gold toen echter niet voor de steden.
Contrareformatie In 1573 liet de nieuwe proost Georg Huber, die niet achter "de nieuwe leer" stond, de kerk sluiten. 's Nachts werd door raadsleden onder leiding van de stadsrechter Martin Zandt de kerkdeur opengebroken. Als gevolg daarvan werd de predikant door de keizer weggestuurd en werd de stadsrechter gearresteerd en uit zijn ambten gezet. Tijdens de contrareformatie moesten nieuwe burgers die in St. Pölten wilden gaan wonen de katholieke geloofsbelijdenis afleggen. In 1589 kreeg een radicale protestantse groep toch de meerderheid in de raad.
Boerenoorlog In 1595 brak er in het westen van Neder-Oostenrijk een boerenoorlog uit. St. Pölten werd belegerd, maar bleef trouw aan de Habsburgers en sloot zich niet aan bij de opstand. Keizerlijke troepen verdreven de boeren en 29 leiders werden uitgeleverd. Eén leider van de boeren, Haller, werd doodgeschoten en één leider, de leraar Steinhausen, pleegde zelfmoord. Vier boerenleiders werden vier weken later op gruwelijke wijze terechtgesteld. De Vlaming Joris Hoefnagel maakte een gravure waarop de stad St. Pölten te zien is met de opgestelde galgen op de voorgrond. Deze gravure verscheen in 1617 in het stedenboek van Braun. Karl Gutkas, Werden und Wesen der Stadt St. Pölten - Kulturamt St. Pölten, 1970, p. 29
Meer maatregelen van de Contrareformatie Vanaf 1603 moesten de handelingen van de gemeenteraad in overeenstemming met de wil van de vorst van het aartshertogdom zijn. In 1603 kwam de bisschop van Wiener Neustadt Melchior Khlesl persoonlijk naar St. Pölten en verplichtte de burgers te zweren om de missen in de nu weer katholieke stadskerk te bezoeken. In 1623 werden er in het kader van de contrareformatie jezuïeten naar de stad gehaald. In dat jaar moesten ook 25 families die weigerden katholiek te worden St. Pölten en Oostenrijk verlaten. Karl Gutkas, Werden und Wesen der Stadt St. Pölten - Kulturamt St. Pölten, 1970, p. 32 thumb|upright|De Dom van Sankt Pölten