De Nederlandse muziek in de Gouden Eeuw (die goeddeels samenvalt met de 17e eeuw) is onder te verdelen in sacrale muziek, wereldlijke muziek en overige muziek. De in Nederland als de Gouden Eeuw bekend geworden periode werd met een muzikaal hoogtepunt ingeluid door de componist Jan Pieterszoon Sweelinck. Hoewel katholiek, componeerde hij van het begin af aan calvinistische muziek. Ook maakten andere componisten van kerkmuziek en werden psalm- en liedboeken van Calvijn en Luther vertaald in het Nederlands door Petrus Datheen. Wereldlijke muziek werd steeds belangrijker in deze periode. Er waren strijdliederen en door de economische groei hechtte men ook steeds meer belang aan het denken over kunst. Minder tot deze indeling te rekenen zijn verder de ontwikkelingen in de beiaardmuziek, muziek in huiselijke kring, muziek aan het hof en de opera's.
Voor de Gouden Eeuw thumb|Titelpagina van het Antwerps liedboek (1544) Veel muziek uit deze periode is niet bewaard gebleven. Een belangrijk genre was het lied. Vaak waren dit eenvoudige melodieën die mondeling overgeleverd werden. Deze werden vaak overgenomen en van een andere tekst voorzien, zoals een wereldlijke tekst naar een geestelijke, evenzo vice versa. Dit wordt contrafact genoemd. Bekende contrafacten zijn bijvoorbeeld het Wilhelmus, waarbij de melodie werd overgenomen van het lied Chartres. Dit was een lied waarbij de katholieken hun protest bezongen tegenover de protestanten: ironisch gezien is de tekst van het Wilhelmus precies omgekeerd, vanuit de protestantse zijde en antikatholiek. Deze liederen werden vaak gezongen op een bekende melodie. Maar als deze melodie niet bekend was bij de lezer, kon men deze ook voorlezen.
De contrafacten waren het principe bij de imitatio: de kunstenaar in de renaissance diende drie stappen te zetten bij het uitoefenen van zijn vak. Ten eerste de translatio, het vertalen, vervolgens de imitatio, het nabootsen en overnemen van bepaalde werken, en wilde men een erg goede kunstenaar zijn, dan zette men de laatste stap: de æmulatio, het ontwikkelen van een eigen stijl en zo de natuur emuleren.
De eerste liederen werden vooral mondeling overgeleverd. In de late middeleeuwen ontstond ook in Nederland de boekdrukkunst en konden daarom deze liederen gedrukt worden. De eerste liedboeken waren alleen maar voorzien van tekst. De bijbehorende melodie kende iedereen al, of werd – zoals hierboven ook vermeld – verteld. Het eerste liedboek dat gepubliceerd werd, waarbij de melodieën werden vermeld, was het Antwerps liedboek. In 1544 werd dit uitgegeven en bevat 221 liederen, waarvan zeker 21 muzikale contrafacten zijn. Deze liedbundel kan niet toegerekend worden tot de liederen uit de Gouden Eeuw, omdat het een samenstelling van vaak middeleeuwse teksten en melodieën is.
1540-1570 In de Zuidelijke Nederlanden is al wel een duidelijk muzikaal hoogtepunt, zeker in de kerkelijke muziek. Zo was de Vlaming Adriaen Willaart (1490-1562), mogelijk een leerling van de nog laatmiddeleeuwse componist Josquin des Prez, kapelmeester bij de San Marco in Venetië.Peeters, F., & Vente, D. (1984). De Orgelkunst in de Nederlanden. Amerongen: Gaade. De Henegouwse componist Orlando di Lasso (1532-1594) was een hoogstaand componist en was kapelmeester te Rome. Daardoor raakten ook vele Vlaamse componisten beïnvloed door de muziek uit de Italiaanse Renaissance. In de Vlaamse School van de muziek speelde polyfonie al snel een belangrijke rol: gelijkwaardigheid van de stemmen. Belangrijke kenmerken binnen de renaissancemuziek waren vooral gelijkwaardigheid binnen meerdere stemmen, wat gepraktiseerd werd door middel van imitatie van melodieën, zoals een canon (octavering), maar ook variërender door het motief terug te laten keren, waarbij het interval anders is. De Italiaanse canzones waren een van de eerste vormen hiervan; in Venetië ontwikkelde zich dit tot ricercares, instrumentale composities die complex gehouden kunnen worden door het ontbreken van een tekst. Ook keerden de motieven terug in kreeftengang, maar ook omgekeerd.
Later deze periode waren het niet alleen componisten uit de Nederlanden die naar het buitenland vertrokken om daar te musiceren, maar dit was evenzo andersom het geval. Sommigen kwamen als katholiek uit het toen geanglicaniseerde Engeland. Peter Philips (1560-1633), een componist aan het hof in Brussel, was voordat hij in Brussel verbleef eerst in Rome, waardoor hij ook sterk beïnvloed raakte door de Italiaanse muziek. Veel van zijn werken vertonen daarom ook invloeden van de Venetiaanse componisten Giovanni en Andrea Gabrieli, die leerlingen van Willaert waren. De voor orgel geschreven fantasia’s zijn eenvoudig en structureel in ABA-vorm en zijn vaak voorzien van een ricercare of een canzona. John Bull (1563-1628) was een andere organist die in Vlaanderen zijn oeuvre naliet. Hij componeerde op een andere wijze voor orgel, maakte veel meer gebruik van wisseling van klank in eenzelfde stuk, zoals het wisselen van manuaal een tot manuaal twee, zodat contrasten gemaakt konden worden. Deze fantasia’s waren veelal polyfoon, maar de thema’s werden wel constant herhaald.Beijer (1989): Muziek in de Nederlanden van 1100 tot heden.
1570-1620 Jan Pieterszoon Sweelinck en zijn tijdgenoten thumb|Jan Pieterszoon Sweelinck: kopergravure van J. Müller, 1624, Kunstverlag Lucien Mazenod, Genève, 1946 Aan het begin van de Gouden Eeuw bevindt zich gelijk een muzikaal hoogtepunt. Jan Pieterszoon Sweelinck is een van de eerste componisten die van meet af aan calvinistische muziek componeerde – hoewel hij katholiek was en dit waarschijnlijk tijdens de Opstand bleef. De uitvoering van de muziek in de kerk verschilde met die van de katholieke kerk. Calvijn vond namelijk dat kerkmuziek sober zijn moest, eenstemmig. Het waren composities voor de orgelbegeleiding van de gemeentezang. Na de Synode van Dordrecht, waar de contra-remonstranten de overhand hadden, mochten zelfs orgels niet meer klinken. Toen men merkte dat het volk zonder ondersteuning niet goed of zelfs vals zong, werd het orgel ter begeleiding weer toegestaan. Aparte orgelwerken waren uit den boze tijdens de dienst – enkel op andere momenten mochten die gespeeld worden.
Tijdens speciaal georganiseerde concerten kon de burgerij luisteren naar orgelmuziek. Hiervan maakte Sweelinck gebruik. Zijn composities waren een ware æmulatio. De meerderheid van zijn werken was religieus, maar ook gebaseerd op wereldlijke muziek. Dit was een veelvoorkomend contrafact in het begin van de Gouden Eeuw. Sweelincks werken waren in die zin vernieuwend, dat er in zijn fantasia’s vaak meer dan één thema ten gehore werd gebracht. Daarnaast heeft hij de bekende echofantasia geïntroduceerd in de orgelliteratuur, beïnvloed door de echofantasia’s aan het Venetiaanse hof door Gabrieli en anderen, maar ook de verscheidenheid van het klankpalet bij het orgel zoals bij Bull. Echofantasia’s waren niet meer dan thema’s die zich voortdurend herhaalden in een groot contrast.
Hierbij werd terrassendynamiek gebruikt. Dit kon gedaan worden door op een klavier erg luid te registreren; op een ander klavier klonken minder registers. Daarnaast bracht hij duidelijke verschillen aan in compositie tussen virginaal of klavecimbel en orgel. De invloed van Bull komt hier duidelijk naar voren. Als oorspronkelijk virginalist ging hij anders te werk als organist dan de toen werkzame organisten.
De orgels mochten niet meer als religieus instrument bespeeld worden, maar mochten wel ten gehore gebracht worden. Sweelinck liet met zijn werken zien wat een orgel in zich had. Doordat hij vaak parodieerde op bekende melodieën, snapten de mensen het ook. Bekende melodieën als Malle Symen en Est-ce Mars werden voor orgel bewerkt en vervolgens werd hierop gevarieerd. Ook deze variaties zijn in zijn composities voorhanden. Daarnaast componeerde hij ook psalmen, die a capella (of in begeleiding van een luit konden worden) werden gezongen. De Geneefse Psalmen die hij componeerde op de tekst van Clément Marot en Théodore de Bèze waren veelstemmig en borduurden voort op de stijl van de Renaissance: soberheid stond centraal. Deze Psalmen zijn echter op een katholieke wijze gecomponeerd: ze beginnen met unisono-zang en de daaropvolgende verzen worden meerstemmig (polyfoon) gezongen, zoals men van oudsher ook deed.Grijp, L. P. (1991). Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw. Amsterdam: P.J. Meertens-Instituut.
Sweelincks vrijheid binnen de composities zorgde voor een belangrijke invloed in de muziekgeschiedenis. Hij is de bron voor vele componisten geweest, die zijn werk hoog waardeerden. Zo kwamen er ook hoogstaande organisten uit Duitsland zoals Heinrich Scheidemann en Samuel Scheidt, dé Thomaskantoren in Leipzig.
Een andere belangrijke tijdgenoot van Sweelinck was de Leidse organist Cornelis Floriszoon Schuyt, die op de achtergrond is geraakt door de bekendheid en originaliteit van Sweelincks werken. Schuyt was niet de eerste die in Italië was geweest voordat hij ging componeren. Italië was een belangrijke bron voor de muziek in deze periode en dat werd erg gewaardeerd. Belangrijk te vermelden is dat de kerkmusici niet alleen aangesteld waren door kerkrentmeesters, maar ook door de stad. Over zijn taken als organist is veel bekend. Zo speelde hij elke zondagsdienst, maar moest hij ook twee jongens onderwijzen ter versiering en ondersteuning van de zang. Daarnaast moest hij het orgel op werkdagen bespelen tot de meeste eere ende recreatie ende tot voorcominge van onderlinge twist ende oneensheyt en omme dezelve [= het volk] duer middel vandien te meer uyt herbergen ende tavernen te houden.
Het was dus ook een middel om de openbare orde te handhaven. Doordat hij gedeeltelijk door de stad was aangesteld, kreeg hij eveneens de opdracht de twee beiaarden in Leiden te versterken. (Over de beiaard en de functie zie 1650-1700). Een uur lang mocht hij ook het orgel bespelen, mits dat niet op zondag was. Vanaf 1604 bespeelde hij tussen oktober en april dagelijks het orgel in de Hooglandse kerk. Tot nu toe zijn weinig composities bekend, maar die mogen niet veronachtzaamd worden in de Nederlandse muziekgeschiedenis.
Een van de vaak ongeschreven (en ongesigneerd indien ze geschreven waren) genres waar van hem wel muziekliteratuur bekend is, is de pijpersmuziek. Veel steden hadden hun eigen stadspijpers, blazers die aangesteld werden om te spelen tijdens plechtigheden. Vaak waren dit trompetten, hoorns en schalmeien, maar werden ondersteund door pauken of tamboer.Beijer (1989): Muziek in de Nederlanden van 1100 tot heden.
Psalm- en liedboeken