De geschiedenis van Tielt als stad begon tussen het jaar 1237 en het jaar 1275, toen het voor de eerste keer uitdrukkelijk als stad vernoemd werd. Deze plaats was echter al lange tijd bewoond geweest. Tijdens de Gallische Oorlog werd het gebied bezet door de Romeinen. Dat bleef het voor ongeveer vijfhonderd jaar, totdat het ingenomen werd door de Franken.

In 1105 wordt Tielt voor het eerst vermeld, en het kreeg in de dertiende eeuw stadsrechten. In het ancien régime kreeg Tielt het hard te verduren door doortrekkende legers, voedseltekorten en plunderingen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was in Tielt het hoofdkwartier van het Duitse vierde leger gevestigd in een aantal Tieltse herenhuizen. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen Tielt wederom bezet was door de Duitsers, werd het bevrijd door de 1e Poolse Pantserdivisie onder generaal Maczek.

Vroegste geschiedenis

Prehistorie thumb|Tielt Het gebied rond het Plateau van Tielt dat na de laatste ijstijd tot een eikenbos was geëvolueerd, bleef tot de achtste eeuw grotendeels met bos bedekt. Het lijkt erop dat dit bos met zijn talrijke bronnen, poelen en beken in het mesolithicum en neolithicum een gunstige omgeving voor jager-voedselverzamelaars geweest moet zijn.De geschiedenis van Tielt, 2009, deel 2, Lannoo, Tielt, p. 25

De eerste bewijzen van menselijke aanwezigheid in Tielt werden in het begin van de twintigste eeuw per toeval verzameld. In de jaren 1990 door systematische veldprospectie werden verschillende silexartefacten gevonden. De meeste hiervan stammen uit het meso- en neolithicum. Anderen stammen dan weer uit het middenpaleolithicum. Dit alles duidt op een meer dan toevallige aanwezigheid van de prehistorische mens.

Ook bronzen voorwerpen, sieraden en aardewerk werden gevonden, die wijzen op de aanwezigheid van mensen tijdens de bronstijd. Met luchtfotografisch onderzoek werden eveneens cirkelkleurige bodemverkleuringen opgemerkt, mogelijke restanten van grafheuvels.

Hoewel de aanwijzingen schaars zijn, tonen ze dat er in Tielt een sedentaire neolithische cultuur gevestigd was, die verder ging tijdens de bronstijd en de ijzertijd tot aan de tijd van de Romeinen.

Romeinse tijd

Traditioneel begint de geschiedenis over de gebieden rond Tielt met de campagnes van Julius Caesar tijdens de Gallische Oorlog. Er zijn echter geen bewijzen van zijn aanwezigheid in Tielt, en eveneens ontbreekt ook elke aanwijzing dat de Romeinse veldheer zelf het gebied van de Menapii, de Gallische stam die daar woonde, veroverde.

Rond het begin van de jaartelling startte de administratieve indeling van de veroverde gebieden in Gallië. Tielt lag toen in de civitas Menapiorum, een van de stamgebieden binnen de provincie Gallia Belgica. Dit gebied kende op enkele invallen van de Bataven (69-70) en de Chatten en Chauken (172-174) twee eeuwen van Pax Romana en een toenemende integratie in het Romeinse Rijk.

Tijdens het late keizerrijk verbond het groeiende wegennet in Belgica Secunda de bevolkingsconcentraties in dat gebied, maar de vraag blijft of er ook zo'n weg door Tielt liep. Het is echter wel waarschijnlijk door het strategisch belang.De geschiedenis van Tielt, 2009, p. 28

De Germaanse invallen begonnen op het einde van de derde eeuw de Romeinse provincies in Gallië onder druk te zetten. Dit leidde uiteindelijk tot het herschikken van de Romeinse provincies in civitates in 293. Tielt werd ingedeeld in de civitas Turnacensium, waarvan Doornik het centrum was. Nieuwe invallen in Noord-Gallië in het begin van de vijfde eeuw maakten echter definitief een einde aan de Romeinse heerschappij in dit gebied.

De gebieden werden nu bezet door de Salische Franken. Zij vestigden zich echter op andere plekken, waardoor de Romeinse villae onder het zand raakten of overgenomen werden door het bos.

Middeleeuwen

Franken

In de vijfde eeuw kwamen de verschillende Frankische koninkrijkjes tot stand, waaronder dat van Merovech. Onder zijn zoon Childerik en kleinzoon Clovis breidden ze uit tot het Frankische Rijk. Daarin werden de civitates vervangen door pagi. Tielt lag in de pagus Mempsicus. Maar ook voor deze periode zijn er erg weinig gegevens over Tielt zelf. Met uitzondering van enkele opgravingen zijn er over deze periode in heel West-Vlaanderen bijna geen archeologische vondsten voorhanden.

De pagus Mempsicus kreeg het in de negende eeuw zwaar te verduren toen de Noormannen de valleien van de Leie en de Schelde terroriseerden. Of ook de streek rond Tielt door hen geplunderd werd, is echter niet bekend. Toch hadden hun invallen sowieso ingrijpende gevolgen voor de machtsverhoudingen binnen de pagus. De grootgrondbezitters waren weggevlucht, waardoor het platteland jarenlang ontredderd achterbleef. Door de afwezigheid van een centraal gezag zagen ambtenaren van koninklijke domeinen de kans schoon om de controle over te nemen en de landerijen voor eigen rekening uit te baten.

Toen de Noormannen in 883 definitief vertrokken waren, profiteerde Boudewijn II, de graaf van de pagus Flandrensis, van het ontstane machtsvacuüm door onder andere de pagus Aarenburg en de pagus Mempsicus in te palmen. Hij was zo de stichter van het graafschap Vlaanderen. Door hemzelf en zijn zoon Arnulf I was Vlaanderen een machtig graafschap geworden.

Tielt als stad thumb|De hallentoren van Tielt In de omgeving van Tielt konden in de Karolingische tijd heel wat dorpen aangetroffen worden, onder meer die van Wakken (villa Wackinis), Aalter (villa Halestra) en Kanegem (villa Caningahem). De villa (wat nu dus eigenlijk 'dorp' betekende) "die Tielt genoemd wordt", kan echter maar voor het eerst teruggevonden worden in een document uit 1105.villa que dicitur Tiletum. De geschiedenis van Tielt, 2009, p. 36

De verstedelijking in Vlaanderen was in de tiende eeuw al op gang gekomen, maar toch was dit nog niet zo duidelijk in de meeste Vlaamse steden in de elfde eeuw. Het proces raakte echter in een stroomversnelling toen graven Diederik en Filips van de Elzas in hun duel met de adel aan een aantal opkomende steden privileges toestonden. Tussen 1165 kregen onder meer Ieper, Gent, Brugge en Rijsel stadsrechten dankzij hun loyaliteit aan de graaf. Kleinere woonkernen kregen die rechten in het laatste kwart van de twaalfde eeuw. In die tijd vertoonde Tielt nog maar weinig stadskenmerken. In die tijd waren steden vaak met stadswallen omringd. Er wordt beweerd dat Tielt in 1172 een stadsmuur had, maar dit wordt tegengesproken: "Geen enkele betrouwbare tekst komt die bewering staven."Egidius Strubbe, De Costume van Thielt, p. 249 Er is ook nooit een spoor van een stadsmuur gevonden. Toch suggereren toponiemen als 'de Keidam' of 'het Overdamse' het bestaan van vroegere verdedigingswerken rond de stad.

Tielt werd pas in de dertiende eeuw een stad. Een keure die dit bevestigt bleef echter niet bewaard, of heeft misschien zelfs nooit bestaan.

Op het einde van de dertiende eeuw werd ook het belfort van Tielt, oftewel de hallentoren, gebouwd. Het belfort werd gekoesterd als symbool van de vrijheid van Tielt. Na branden, oorlog of natuurgeweld werd deze toren steevast hersteld.

Vlaanderen tegen Frankrijk

Heel wat conflicten tussen Vlaanderen en de Franse koning domineerden het begin van de veertiende eeuw. De koning wilde de feodale band met het graafschap nauwer aanhalen en speelde om dit te bereiken in op de vete tussen de verschillende huizen van Vlaanderen. Graaf Gwijde van Dampierre probeerde met de hulp van de Vlaamse steden de inmenging van de koning te beperken. Het conflict leidde in 1302 tot de Guldensporenslag, waarin ook 'Jan, heer van Aarsele' en 'Pieter de Schrivere' uit Tielt meevochten. In 1304 eindigde de Slag bij Pevelenberg onbeslist, en de zoon van Gwijde van Dampierre zag zich gedwongen het Verdrag van Athis-sur-Orge te ondertekenen; Vlaanderen diende hierin in te staan voor de herstelbetalingen van de oorlog. De Vlaamse steden moesten zich jarenlang inspannen om te kunnen betalen. Dit viel de hele bevolking, dus ook die van Tielt, zeer zwaar.

Plunderingen van Tielt

Tijdens de Honderdjarige Oorlog verlichtte Frankrijk zijn grip op Vlaanderen een beetje. Hierdoor kwam het tot kleinere conflicten tussen de verschillende steden in Vlaanderen. Zo vielen de Gentenaars gebieden binnen om het economische leven in de andere steden te ontwrichten. In 1381 kwamen de Gentenaars delen van Tielt in brand steken. Zowat de hele stad was in puin achtergelaten. Het was een van de grootste catastrofes in de Tieltse geschiedenis.

Deze conflicten ontaardden tot een opstand tegen Filips de Stoute, de hertog van Vlaanderen en Bourgondië – Vlaanderen was overgegaan op de hertog van Bourgondië. Hij riep de hulp in van de Franse koning. In 1382 versloeg het Franse leger de Gentenaars en hun bondgenoten. Deze slag had ook belangrijke gevolgen voor Tielt. 146 inwoners van de gebieden rond Tielt sneuvelden. Wie zich achter de Gentenaars had geschaard, zag zijn eigendommen verbeurd worden. Na de slag stuurde Filips aan op een verzoening met de Vlaamse steden, en het kwam in 1385 tot een vrede met de Gentse opstandelingen. De geconfisqueerde gronden werden teruggegeven aan de vorige eigenaars en in dat jaar werden de rechten en vrijheden van de Tieltenaren bevestigd. In 1393 stond hij hen toe om een vrije jaarmarkt te houden.

In 1452 kwam Gent opnieuw in opstand door een nieuwe belasting op graan en zout. Tijdens het neerslaan van de rebellie werd Tielt onder de voet gelopen. Het Bourgondische leger en de Gentenaars staken de stad opnieuw in brand. Al het bruikbare materiaal werd naar Gent overgebracht.

In 1486-1492 brak er weer een conflict tussen Gent en Brugge uit. Een aantal Gentenaars werd later gevangengenomen en onthoofd in Kortrijk omdat ze deze gebieden onveilig maakten. De andere Gentenaars koelden hun woede op Tielt. Ze vielen weer binnen en staken de stad wederom in brand. Het Tieltse begijnhof werd ook vernietigd. De vernietigingen waren zo aanzienlijk dat de regent van Vlaanderen in 1492 de bevolking uitstel van betaling van belastingen verleende.

Nieuwe Tijd Tachtigjarige en Dertigjarige Oorlog

De Tachtigjarige Oorlog zorgden voor nog meer problemen rond Tielt. Franse en Spaanse troepen wisselden elkaar af als bezetters. Door de oorlog viel het economische leven stil en de bevolking sloeg massaal op de vlucht. In 1578 werd de stad geplunderd en in brand gestoken door het leger dat er toen passeerde. Ook in de jaren daarna stond Tielt meerdere keren in brand. Het zou nog vele decennia duren voor Tielt weer zou kunnen opklimmen uit het dal waarin het zich nu bevond.

Het Twaalfjarig Bestand bracht in 1609 uiteindelijk enig soelaas. De vroegere bewoners van Tielt kwamen op grote schaal terug en de heropbouw van de stad begon. Dit was echter niet meer dan een interbellum, want de oorlog laaide erna weer op. Ondertussen was ook de Dertigjarige Oorlog tussen Frankrijk en Spanje uitgebroken. De Verenigde Provinciën kozen vanzelfsprekend partij tegen Spanje. In 1631-2 had Tielt erg te lijden van doortrekkende en kamperende soldaten. Deze huurlingen van de Spaanse koning eisten gewoon op wat ze nodig hadden. Tot overmaat van ramp leidde het verblijf van die massa's soldaten tot het uitbreken van een pestepidemie.

In 1643 versloeg het Franse leger het Spaanse bij Rocroi en het stroomde Vlaanderen binnen terwijl de Spanjaarden zich terugtrokken. De Fransen namen Tielt in en plunderden de stad. De Sint-Pieterskerk en veel huizen in het centrum werden in brand gestoken. Ze werd daarna weer ingenomen en daarna weer door de Fransen, en ook nu werd de stad weer geplunderd. De plunderingen bleven nog enkele jaren doorgaan.