Asfaltovenator vialidadi is een vleesetende theropode dinosauriër, behorende tot de Tetanurae, die tijdens de Jura leefde in het gebied van het huidige Argentinië.

Vondst en naamgeving

In 2002 vond Leandro Canesa een mijl ten noordoosten van Cerro Condór het skelet van een grote theropode. De opgravingen begonnen in 2005. Een enorm blok steen werd in één keer uitgehakt en in zijn geheel in gips verpakt. Pas in 2007 kon het worden geborgen. Het werd geprepareerd door Mariano Caffa die daar vanwege de extreme hardheid van het gesteente vijf jaar over deed. Het onderzoek werd, naast de Argentijnse overheid en de Fundación Egidio Feruglio, gefinancierd door Volkswagen. In 2013, 2014 en 2015 werd het skelet vergeleken met andere soorten door exemplaren in musea over de gehele wereld nauwkeurig te onderzoeken.

In 2019 werd de typesoort Asfaltovenator vialidadi benoemd en beschreven door Oliver Walter Mischa Rauhut en Diego Pol. De geslachtsnaam verbindt een verwijzing naar de Cañadón Asfalto met het Latijn venator, "jager". De soortaanduiding eert de Dirección Nacional de Vialidad, voor de hulp gebonden aan het onderzoek door het Museo Paleontológico "Egidio Feruglio", in de vorm van een takelwagen die het blok ophees.

Het holotype, MPEF PV 3440, is gevonden in een laag van de Cañadón Asfalto-formatie die dateert uit het late Toarcien - Bajocien. De specifieke laag stamt wellicht uit het Aalenien en is ongeveer 171 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: vrijwel de volledige schedel met onderkaken, de wervelkolom van de eerste halswervel tot en met de dertiende ruggenwervel en vergroeide eerste sacrale wervel, de volledige schoudergordel minus vorkbeen, beide voorpoten, de "voeten" van de schaambeenderen, de onderzijde van het rechterdijbeen, de bovenzijden van een rechterscheenbeen en rechterkuitbeen, en van de rechtervoet het vierde onderste tarsale, het tweede, derde en vierde middenvoetsbeen en verschillende teenkootjes. In het blok steen werd overigens ook het scheenbeen van een sauropode aangetroffen.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken

Asfaltovenator heeft een geschatte lichaamslengte van zeven tot acht meter.

De beschrijvers wisten enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. Sommige daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. De premaxillaire tanden hebben grote kartelingen op de achterrand maar slechts minuscule vertandingen op de voorrand. Het exoccipitale heeft opvallende horizontale richels tussen de processus paraoccipitalis en het achterhoofdsgat. Bij de derde en vierde halswervel zijn de doornuitsteeksels driehoekig en schuin naar achteren gericht. De elfde en twaalfde ruggenwervel hebben op de onderste zijuitsteeksels een extra voorste richel naar het wervellichaam lopen.

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. Het postorbitale heeft een klein naar boven gericht hoorntje. In de onderkaak is het antarticulare verbeend. De halswervels zijn plat van voren en hol van achteren. Bij de voorste halswervels zijn de epipofysen rechthoekig en langwerpig. Bij de middelste halswervels bevindt zich op de onderzijde een put op de middellijn, tussen de parapofysen. De achterste halswervels zijn niet gekield, terwijl de kiel bij de voorste ruggenwervels zwak ontwikkeld is. Bij de middelste en achterste ruggenwervels is de richel tussen de parapofyse en het zijuitsteeksel goed ontwikkeld. De middenhand is als geheel breder dan lang. De derde vinger is aanmerkelijk slanker en korter dan de eerste of tweede vinger.

Asfaltovenator is al de derde basale tetanuur die uit de Cañadón Asfalto benoemd is. Hoewel de soort duidelijk anders is dan Piatnitzkysaurus zijn de verschillen met Condorraptor lastiger te bepalen wegens de beperkte vondsten van dat laatste taxon. Rauhut meende echter duidelijk onderscheidende kenmerken ten opzichte van Condorraptor te kunnen vaststellen. De middelste halswervels van Asfaltovenator zijn korter. De wervels aan het eind van de nek en het begin van de rug zijn niet, respectievelijk zwak, gekield. De elfde en twaalfde ruggenwervel hebben op de onderste zijuitsteeksels een extra voorste richel naar het wervellichaam lopen. Bij de achterste ruggenwervels en de voorste sacrale wervel is de spleet tussen de voorste gewrichtsuitsteeksels niet bovenaan rond verbreed. Bij het scheenbeen is de crista cnemialis sterker ontwikkeld en licht naar boven uitstekend.

Skelet Schedel

De schedel van Asfaltovenator, vijfenzeventig tot tachtig centimeter lang, heeft een typisch allosauroïde vorm, met een hoog horizontaal bovenprofiel dat in een geleidelijke bocht naar de snuit kromt. Het achterdeel is lager geplaatst dan de snuit. De snuit is ook vooraan hoog met een zeer groot neusgat. De fenestra antorbitalis is driehoekig en vrij klein maar de uitholling eromheen is juist zeer breed. De oogkas is mal met een scherpe punt onderaan. Het onderste slaapvenster is langer dan de oogkas, langwerpig en vrij smal.

Het hoofdlichaam van de praemaxilla is vrijwel vierkant in zijaanzicht. De voorrand van de snuit loopt bijna verticaal. Net achter en onder de voorrand van het neusgat wordt de praemaxilla schuin naar beneden en voren doorboord door een groot foramen. De praemaxilla draagt vier tanden. De voorste daarvan is duidelijk kleiner dan de achterliggende. Het bovenkaaksbeen heeft een korte hoge voorste tak en een opgaande tak met een knik in de voorrand wat een typisch megalosauride kenmerk is. De uitholling rond de fenestra antorbitalis loopt bij de achterste tak bijna tot aan de tandrij naar beneden door. Vooraan toont de uitholling een fenestra promaxillaris en daarachter een fenestra maxillaris met een gesloten binnenwand, net als bij megalosauriden. De binnenwand heeft aan de basis van de opgaande tak geen pneumatische uitholling. Het bovenkaaksbeen draagt dertien tanden die van achteren ondersteund worden door afzonderlijke interdentaalplaten. Boven het neusgat wordt het neusbeen uitgehold door een brede fossa. Meer naar achteren steekt ook de uitholling rond de fenestra antorbitalis maar boven in het neusbeen en wordt daar doorboord door twee foramina. Dat is juist een afgeleid allosauroïde kenmerk. Het snuitdak wordt gevormd door de twee gepaarde neusbeenderen met op de randen opstaande richel die naar achteren doorlopen tot de relatief kleine hoorntjes op de traanbeenderen. Het L-vormige traanbeen, met een voorste en een neergaande tak van gelijke lengte, wordt in de hoek doorboord door een venster dat door en balk in tweeën gesplitst wordt, net als bij allosauroïden. Het voorhoofdsbeen is robuust en de wandbeenderen zijn vergroeid. Het postorbitale is T-vormig. De voorste tak vormt een hoge richel boven de achterste oogkas. Daarachter steekt een driehoekig hoorntje omhoog. De neergaande tak is in zijaanzicht lang en slank maar overdwars verbreed en van achteren uitgehold tot een trog, zoals bij megalosauriden. Maar als bij allosauroïden loopt de uitholling rond het bovenste slaapvenster niet over het postorbitale door, evenmin in het squamosum stekend. Het jukbeen heeft een lange voorste tak met een kleine pneumatische uitholling in de fossa, is hoger onder de oogkas maar nog hoger in de achterste tak. Het quadratum helt naar voren.

Op het achterhoofd is de dwarskam, waaraan de nekspieren bevestigd waren, vrij laag maar breed. De uitgang voor de vena cerebri medialis is via een gebogen groeve verbonden met de deuk die het overblijfsel is van de fenestra posttemporalis, net als bij Allosaurus. Een andere overeenkomst met die soort is dat de processus paroccipitales sterk naar beneden gebogen zijn tot voorbij het achterhoofdsgat. Onder de achterhoofdsknobbel loopt een brede verticale groeve naar beneden zoals bij megalosauriden maar de voor die groep typische diepe uithollingen in die zone ontbreken. De recessus basisphenoideus is diep en de processus basipterygoidei zijn robuust, lang en schuin naar voren stekende, afgeleide kenmerken.

Het vierstralige verhemeltebeen heeft een verbrede tak naar het jukbeen en bovenop een pneumatische uitholling. Eenzelfde soort uitholling dringt de binnenzijde van het ectopterygoïde binnen. De tak naar het jukbeen van dit bot heeft een fors naar voren en beneden gericht uitsteeksel, als bij Dubreuillosaurus. Bij het pterygoïde heeft de tak naar het ectopterygoïde ook al een bovenste uitholling.

Onderkaken In de onderkaak draagt het dentarium veertien tanden. Ook die hebben gescheiden interdentaalplaten. Het dentarium is vooraan licht verbreed tot een "kin". In de fossa Meckeliana, de horizontale groeve aan de binnenzijde, liggen vooraan twee foramina. Het os spleniale aan de voorste binnenzijde is achteraan gevorkt, een foramen myliohyoideum volledig omsluitend. Een zijvenster lijkt volkomen te ontbreken en heeft hoogstens bestaan uit een lage spleet. De ruimte wordt opgevuld door een hoge voorste tak van het surangulare. Indien dit juist is, ontbrak ook een (functioneel) zijgewricht en was de zijwaartse beweeglijkheid van de onderkaak gering. Het achterste twee derden deel van het bovenvlak van het surangulare wordt gevormd door een breed beenplateau. Dat wordt niet van het kaakgewricht gescheiden door een opstaande richel, een afgeleid kenmerk. Tussen het prearticulare en articulare bevindt zich volgens Rauhut een fors driehoekig antarticulare, een nieuwvorming die eerst wel werd gezien als een autapomorfie van Allosaurus. Het articulare zet zich naar achteren voort in een tongvormig kort retroarticulair uitsteeksel waarmee de musculus depressor mandibulae de muil opende. Het is wat zijwaarts geplaatst en breder dan lang. Het heeft bovenop een brede schuin naar boven en achteren gerichte uitholling voor de aanhechting van de spier.

De tanden zijn dolkvormig. Ze lijken bij het fossiel extra lang doordat ze gedeeltelijk uit de tandkassen zijn gegleden.

Postcrania De wervelkolom bestaat, voor zover bewaard, uit tien halswervels en dertien ruggenwervels. De halswervels zijn kort en robuust en platycoel: plat van voren en hol van achteren. De halswervels achter de draaier en de voorste ruggenwervels hebben pneumatische openingen aan de voorste zijkant. Hierdoorheen drongen uitlopers van de luchtzakken het bot binnen en holden het uit. De draaier heeft een zwakke kiel, maar verder zijn de halswervels aan de onderzijde plat; bij de eerste en tweede ruggenwervel is de kiel slechts zwak ontwikkeld, heel anders dan bij de leefgenoten Piatnitzkysaurus en Condorraptor die hoge keilen bezitten onder deze hele sector. De middelste halswervels hebben op de voorste onderzijde een ondiepe deuk. De wervelbogen van de nek hebben krachtige richels op de zijkanten. Hun voorste gewrichtsuitsteeksels zijn groot en zijwaarts geplaatst. De epipofysen, waarmee de nek heen en weer kon worden bewogen, zijn ook groot en schuin naar achteren, boven, en bezijden gericht: bij de voorste en middelste wervels overlappen ze geheel de achterste gewrichtsuitsteeksels waarop ze geplaatst zijn. De derde halswervel heeft een vreemd doornuitsteeksel in de vorm van een smalle haaievin met een gebogen voorrand en een verdikte achterrand. Bij de vierde wervel heeft het doornuitsteeksel een rechte basis met evenwijdige randen maar de top is ook hier wat naar achteren gekromd met een gebogen voorrand. Verder in de reeks zijn de doornuitsteeksels recht en hoger dan breed in zijaanzicht, met evenwijdige randen.