thumb|Enkele Bijbelvertalingen in het Nederlands en andere talen in de bibliotheek in het Hoofdgebouw van de Vrije Universiteit Amsterdam Dit artikel behandelt Bijbelvertalingen in het Nederlands. Voor het Nederlandse taalgebied en Nederlandstalige gemeenschappen over de hele wereld zijn vrij veel verschillende vertalingen gemaakt, waarvan de oudste dateren uit de hoge en late middeleeuwen en in het Middelnederlands oftewel het Diets zijn geschreven.

Bijbelvertalingen en hun afkortingen Bijbelvertalingen worden vaak met een afkorting aangeduid, bijvoorbeeld Psalm 55:22 (NBV). Onderstaand tabel geeft een overzicht van bekende vertalingen weer: AK: Albert Koster, Hebreeuwse Bijbel (1991-2006) BB: BasisBijbel (2013) BGT: Bijbel in Gewone Taal (2014) EBV: Evangelische Bijbelvertaling (2020) GNB: Groot Nieuws Bijbel (1983, herzien 1996) HB: Het Boek (1988, herzien 1992) HSV: Herziene Statenvertaling (2010) LB: Lutherbijbel (1535) NB: Naardense Bijbel (2004) NBG 1951: "Nieuwe Vertaling" Nederlands Bijbelgenootschap (1951) NBV: Nieuwe Bijbelvertaling (2004) NBV21: geen afkorting, de naam staat voor Nieuwe Bijbelvertaling 2021 en Nieuwe Bijbelvertaling voor de 21e eeuw. OB: Obbink & Brouwer, Utrechtse Bijbel (1942) SV: Statenvertaling (1637) SV-J: Statenvertaling, Jongbloed-editie VDP: J.H. v.d. Palm (1830) WV: Willibrordvertaling (1961–1995)

Middeleeuwen Oudste vertaalpogingen Verschillende gedeeltelijke vertalingen van de Bijbel naar het Oudnederlands en het Middelnederlands (Diets) zijn bewaard gebleven in handschriften. Al deze middeleeuwse vertalingen werden gemaakt vanuit het Latijn, meestal de Vulgaat, de officiële versie gehanteerd door de Rooms-Katholieke Kerk.

De Wachtendonckse Psalmen zouden kunnen worden beschouwd als de oudstbekende Nederlandstalige bijbelfragmenten. Hoewel ze eind 16e eeuw door de Vlaamse humanist Justus Lipsius werden gevonden in de Abdij van Munsterbilzen, zijn deze teksten waarschijnlijk afkomstig uit het Nederlands-Duitse grensgebied tussen Maas en Rijn en stammen ze uit de 9e of 10e eeuw.Arend Quak, Die altmittel- und altniederfränkischen Psalmen und Glossen (1981). Amsterdam: Rodopi. De teksttaal is Oudnederlands, maar Psalmen 1 tot en met 3 vertonen duidelijk Middelfrankische kenmerken.Arend Quak, Joop van der Horst, Inleiding Oudnederlands (2002). Leuven: Universitaire Pers Leuven. . Algemeen wordt aangenomen dat de overgeleverde teksten een Oudnederlandse bewerking zijn van een Middelfrankisch origineel. Een andere kandidaat is de Middelfrankische of Rijnlandse Rijmbijbel: een reeks fragmenten van historiebijbelvertalingen naar een schijnbare mengelmoes van Oudhoogduits, Oudsaksisch en Oudnederlands uit de vroege 12e eeuw. Echter, door de schaarsheid aan bewijsmateriaal zijn deze geschriften moeilijk te dateren, taalkundig te classificeren en geografisch te situeren. Hoewel een aantal wetenschappers de werken associëren met het Duitse Rijnland, mogelijkerwijs de Abdij van Werden, blijf dit vraagstuk nog onopgelost.David A. Wells, The Central Franconian Rhyming Bible: An Early-Twelft-Century German Vers Homiliary (2004), p. 282. Amsterdam/New York: Rodopi B.V.Helmut Tervooren, Van der masen tot op den Rijn (2006), p. 45–47. Berlin: Erich Schmidt Verlag.

De eerste vertaling die met zekerheid 'Nederlands' te noemen is, is de Zuid-Nederlandse evangelievertaling. Deze is alleen aangetroffen in vier 14e-eeuwse handschriften, maar dateert waarschijnlijk van rond het jaar 1200. Het is ook de enige vertaling van de vier afzonderlijke evangeliën van voor 1300. C.C. de Bruin (1935) concludeerde dat het een voorbeeld was van een zeer slechte vertaling van de vier canonieke evangeliën vanuit de Latijnse Vulgaat: hij meende dat de auteur noch het Latijn noch zijn eigen geschreven moedertaal goed machtig was. Latere wetenschappers kwamen tot meer genuanceerde standpunten: deze evangelievertaling was slechts een hulpmiddel voor geestelijken die Latijn beheersten om de Vulgaat te hanteren en de betekenis van de tekst in de volkstaal uit te leggen. De vertaling was primair voor intern gebruik en voor een beperkte doelgroep bedoeld en zeker niet voor verspreiding naar buiten die doelgroep.Theo Coun, De Zuid-Nederlandse vertaling van de vier evangelien in Gillaerts, Paul (red.) De Bijbel in de Lage Landen (2015), Royal Jongbloed.Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300 (2006). Bert Bakker.

Historiebijbels en gevorderde deelvertalingen thumb|393px|Een fragment van handschrift nr. 1250, een Rijmbijbel-kopie die gemaakt is in de late 14e eeuw. Een later voorbeeld is de Rijmbijbel van Jacob van Maerlant (1271), een poëtische editie van de Historia scholastica (circa 1173) van Petrus Comestor. Het was geen letterlijke vertaling, maar een zogenaamde historiebijbel: een vrij vertaalde verzameling van teksten van de "historische boeken" van de Bijbel vermengd met buitenbijbelse bronnen en tradities. Nog een voorbeeld is het Luikse Leven van Jesus. Dit "Luikse diatessaron" is geschreven in de periode 1275-1300 en wordt sinds 1824 bewaard in de bibliotheek van de universiteit van Luik. De tekst bestaat uit 245 hoofdstukken en is een doorlopende vertelling van het leven van Jezus, vanaf zijn geboorte tot en met zijn dood, opstanding en hemelvaart. De tekst is gebaseerd op de vier canonieke evangeliën en heeft een chronologische volgorde waarbij de vier evangelisten elkaar als zegsman afwisselen. Tot aan omstreeks 1970 gingen enkele auteurs op het vakgebied uit van de hypothese dat de auteur van het diatessaron Willem van Affligem zou zijn. Daarna werden formuleringen gehanteerd van een auteur uit de kring van Willem van Afflichem. In het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw is een grote meerderheid op het vakgebied van opvatting dat er onvoldoende bewijs is voor het benoemen van welke auteur dan ook en blijft de schrijver dus anoniem.Frits van Oostrom (2013): Stemmen op schrift, p. 374.

Verscheidene Middelnederlandse vertalingen van de Openbaring van Johannes, de Psalmen, de epistelen en de evangeliën zijn eind 13e en begin 14e eeuw verschenen in Vlaanderen en Brabant. Enkele decennia later zou de entourage van de Brabantse mysticus Jan van Ruusbroec (1293–1381) een volledige vertaling van alle niet-historische boeken van het Nieuwe Testament voortbrengen. Het overgebleven bewijsmateriaal suggereert dat zulke laatmiddeleeuwse Nederlandse vertalingen wijdverbeid waren in de Lage Landen en het Duitse Rijnland onder kloosterlingen (monniken en nonnen) en welgestelde burgers.

Eerste bijna volledige en gedrukte vertalingen De eerste bijna volledige Middelnederlandse vertaling van de Latijnse Vulgaat was de Hernse Bijbel of Zuid-Nederlandse Historiebijbel. Deze anonieme vertaling kwam vermoedelijk tot stand in het kartuizerklooster van Herne in de tweede helft van de 14e eeuw, waarschijnlijk in of rondom 1360. Geleerden verwijzen bij gebrek aan een auteursnaam naar de anonieme schrijver als "de Bijbelvertaler van 1360"; sommigen hebben Petrus Naghel als de vertaler geïdentificeerd, maar anderen zijn niet overtuigd.Mikel Kors en Geert H.M. Claassens,De Bijbel voor leken. Studies over Petrus Naghel en de Historiebijbel van 1361, Leuven, 2007. Thom Mertens, What's in a name?, in: Madoc: Tijdschrift over de Middeleeuwen, 22 (2008), 54-56 (recensie van De Bijbel voor leken). Rond 1390 ontstond er ook een anonieme Noord-Nederlandse vertaling van het Nieuwe Testament. Het hiervan oudste bewaard gebleven handschrift stamt uit 1391 en had geen evangeliën, maar een manuscript uit 1399 bevat het gehele Nieuwe Testament. Wetenschappers achten het zeer aannemelijk dat het geschreven is door de Windesheimse lekenbroeder Johan Scutken (overleden 1423).Het is de meest gekopieerde Middelnederlandse vertaling van het Nieuwe Testament: er zijn ongeveer 160 handschriften van deze vertaling bewaard gebleven en bovendien in totaal 46 gedrukte versies bekend. In termen van oplage was deze vertaling in Nederland daarmee de meest succesvolle in de late middeleeuwen.Suzan Folkerts, "De Noord-Nederlandse vertaling van het Nieuwe Testament" in Paul Gillaerts (red.) De Bijbel in de Lage Landen (2015). Royal Jongbloed.Sabrina Corbellini, "De Noordnederlandse vertaling van het Nieuwe Testament. Het paradijs in een kloostercel" in Kwakkel, Den Hollander, Scheepsma (red.) Middelnederlandse bijbelvertalingen (2007). Hilversum: Uitgeverij Verloren.

De Hernse Bijbel diende als sjabloon voor de oudste gedrukte vertaling van Bijbelboeken in het Middelnederlands: de Delftse Bijbel werd in 1477 in Delft gedrukt. Deze vertaling vanuit de Latijnse Vulgaat bevatte enkel het Oude Testament met Apocriefen, maar geen Psalmen en het Nieuwe Testament ontbrak dus ook. Rondom dezelfde tijd werden delen van Johan Scutkens Historiebijbel ook gedrukt: de Epistelen en evangeliën (eerste uitgave in Utrecht in 1478) en de Psalmen (eerste publicatie te Delft in 1480). Omdat deze laatste voorzagen in de behoefte van de meeste volkstaallezers – hoofdzakelijk nonnen in kloosters – is er tot aan de Reformatie nooit een volledige Nederlandse Bijbelvertaling in gedrukte vorm tot stand gekomen.Encarta Winkler Prins Encyclopedie (1993–2002) s.v. "bijbel § 3.1 Bijbelvertalingen in het Nederlands". Microsoft Corporation/Het Spectrum.

Protestantse en rooms-katholieke Bijbels vanaf de Reformatie Liesveltbijbel (1526–1542) De Liesveldtbijbel is de eerste gedrukte volledige Nederlandstalige bijbel. Jacob van Liesvelt verzorgde de eerste uitgave van 1526 op basis van de Lutherse vertaling van het Nieuwe Testament; het Oude Testament baseerde hij nog deels op de Vulgaat. De uitgave van 1535 bevatte de complete vertaling van Maarten Luther. De uitgave van 1542 bevatte ook reformatorische kanttekeningen.

Vorstermanbijbel (1528–1543) De eerste volledige editie van de Vorstermanbijbel werd in 1528 door Willem Vorsterman uitgebracht. Het werd gepresenteerd als een nieuwe geautoriseerde rechtzinnige katholieke bijbelvertaling. Feitelijk had de uitgave een hoog eclectisch gehalte waarin nogal wat delen van de vertaling gebaseerd waren op eerder gepubliceerd materiaal. Dat was zowel Middelnederlands materiaal uit het tijdperk van voor de Reformatie als ook uit reformatorische kringen. Een tweede editie kwam in 1529 uit. Hierin waren al essentiële reformatorische passages verdwenen, waardoor deze aanzienlijk meer aansloot op de tekst van de Vulgaat. De Vorstermanbijbel is in de jaren daarna tot aan 1543 inclusief nadrukken nog eens in 8 edities gedrukt. In 1546 werd een aantal edities van de Vorstermanbijbel waaronder de eerste van 1528 op de Index van Leuven geplaatst.

Leuvense Bijbel (1548) en Moerentorfbijbel (1599) Deze vertaling werd in 1548 gemaakt door de Leuvense augustijner kannunik Nicolaas van Winghe, op basis van de in 1547 door de Leuvense professor Johannes Henten herziene versie van de Vulgaat. Van de Leuvense Bijbel zijn vele herdrukken verschenen. In 1566 verscheen een druk bij Plantijn in Antwerpen, in 1599 verscheen een nieuwe druk bij Jan Moerentorf (Moretus), schoonzoon en opvolger van Plantijn. In deze druk is de vertaling van Van Winghe gecorrigeerd volgens de nieuwe officiële editie van de Vulgaat na het Concilie van Trente. De 'Leuvense Bijbel' of 'Moerentorfbijbel' bleef tot in de 19de eeuw de rooms-katholieke standaardtekst van de Nederlandse Bijbelvertaling.

Biestkensbijbel (1560) De Biestkensbijbel werd in 1560 door Nicolaes Biestkens gedrukt in Groessen bij Zevenaar. Dit gebied maakte toen onderdeel uit van het hertogdom Kleef en viel niet onder het gezag van de Spaanse autoriteiten. Het beoogde lezerspubliek waren met name doopsgezinden maar deze bijbel werd ook veel gelezen door lutheranen.