miniatuur|Kaart van Nova Zembla, met de locatie van het vastgevroren schip, het Behouden Huis en de route van de terugtocht van de twee open boten. De Derde Noordreis, met twee schepen onder leiding van Willem Barentsz, vertrok op 10 mei 1596 vanuit Amsterdam om een noordoostelijke doorvaart te zoeken naar China, en volgde op twee eerdere pogingen daartoe. Onderweg werden Spitsbergen en Bereneiland ontdekt. Het ene schip, met Jan Corneliszoon Rijp, voer daarna richting de Noordpool, maar moest terugkeren vanwege het pakijs. Het andere schip, met Willem Barentsz en Jacob van Heemskerck, kwam in het noorden van Nova Zembla vast te zitten in het ijs. Na een overwintering in een van aangespoelde bomen gebouwde blokhut, die bekend is geworden als het Behouden Huys, keerde de bemanning in juni 1597 in twee open boten terug en werd eind augustus in Kola opgepikt door Rijp, die daar toevallig langs kwam met een handelsschip. Barentsz was onderweg overleden. De anderen keerden eind oktober terug in Nederland.

Aanleiding miniatuur|Voorblad van het boek van Gerrit de Veer uit 1598. De Tweede Noordreis had niet het gewenste resultaat opgeleverd, maar ook was uit niets gebleken dat de noordoostelijke route naar China onmogelijk was. Er werd daarom al snel gesproken over een derde reis. Op 25 maart 1596 verzocht de vroedschap van Amsterdam de Staten van Holland en West-Friesland om twee schepen uit te rusten voor een route benoorden Nova Zembla, in plaats van de meer zuidelijke route via Straat Nassau (Straat Joegor) van de tweede reis. Op 13 april namen de Staten-Generaal het voorstel over en loofden een premie uit van 25000 gulden bij gebleken succes. Vanwege bezwaren tegen de route haakte De Moucheron, Zeeuwse initiatiefnemer van de eerste twee reizen, af. Ook Cornelis Nay, expeditieleider, en Jan Huygen van Linschoten, koopman en journaalschrijver, gingen niet mee, en ten slotte haakte ook de stad Enkhuizen af. Het vertrek in april 1595 van de Eerste Schipvaart naar Azië via de Kaap de Goede Hoop, en de vooruitzichten daarvan, kan hierin ook een rol hebben gespeeld. miniatuur|Replica van het schip van Barentsz. Besloten werd tot uitzending van een schip van 110 ton en ongeveer 25 meter lang en 5 meter breed, met als schipper de 29-jarige Jacob van Heemskerck, en een nog kleiner scheepje van 60 ton met als schipper de 26-jarige Jan Cornelisz. Rijp. Beiden uitgekozen vanwege hun ervaring opgedaan op de vorige reis, waarop ze onderkoopman waren. De namen van de schepen zijn onbekend.Mogelijk heette het schip van Barentsz en Van Heemskerck de Witte Swaen. Het schip werd recent in Harlingen gereconstrueerd en door de deelnemende scheepsarcheoloog zo genoemd. Het maakte in september 2023 zijn eerste proefvaart. – https://www.debarentsz.nl/ Willem Barentsz, met zijn omstreeks 46 jaar zeer ervaren en met al twee noordreizen achter de rug, was 'beleyder' en opperstuurman van de expeditie. Hij hoefde zich niet bezig te houden met de schipvaart maar mocht zich volledig concentreren op de cartografie van het te ontdekken gebied. Als zijn assistent ging mee de 'volontair' Gerrit de Veer, die een verslag van de reis schreef dat hij in 1598 uitgaf als 'Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort'. De te volgen route zou op advies van Petrus Plancius pal naar het noorden zijn, omdat hij geloofde dat de pool bestond uit een open en grotendeels ijsvrije zee waarover men naar China kon zeilen.Men verkeerde destijds in de veronderstelling dat ijs alleen gevormd werd op land en in rivieren, baaien en kuststroken, en van daar bij dooi de zee opdreef. Een open zee met veel deining zou niet dicht kunnen vriezen. Men werd gesterkt in dit idee door het relatief warme klimaat in de Atlantische Oceaan en op Groenland, waar veel vegetatie was en grasetende dieren leefden. Aan de Russische noordkust, op ongeveer dezelfde of zelfs lagere breedte, was het kouder. Dit zou veroorzaakt worden door het vele ijs daar. De werkelijke verklaring, de warme golfstroom, kende men uiteraard niet. Zoals Gerrit de Veer schreef: 'Uit alle welck blijckt dat niet de naeheyt vanden Pool het ys ende coude geeft, maer de Tartarische zee (de Ys-zee ghenoemt) ende de naeheyt vant lant, daerontrent het ys blijft dryven. Want inde ruyme Zee, tusschent landt van de 80. graden ende Nova Sembla, twelck wel 200. mylen van malcanderen leijdt, o.n.o. ende w.z.w. was weynich ofte gheen ys, maer so dickwils wy ontrent het landt quamen, so raeckten wy terstont inde coude ende int ys.' Barentsz daarentegen geloofde in het bestaan van een poolcontinent en had een voorkeur voor een route bovenlangs Nova Zembla langs de kust van Siberië (Tartrië) naar het oosten. Dit meningsverschil zou tijdens de reis belangrijk blijken.

Expeditie

Naar het noorden miniatuur|Het natuurverschijnsel. De 10e mei verlieten de beide schepen Amsterdam en zeilden bijna een maand lang naar het noorden. Op 4 juni zag men een bijzonder natuurverschijnsel: een zon met twee bijzonnen en twee regenbogen er doorheen. Kort daarna was er onenigheid toen Barentsz een oostelijker koers wilde varen maar Rijp daar niet in mee ging. Op 6 juni zag men de eerste grote ijsvelden. Op de 9e ontdekte men een eiland, dat men Bereneiland noemde, omdat er met behulp van roeiboten een zwemmende ijsbeer werd gedood met musketten, hellebaarden en bijlen, na een gevecht van ruim twee uur. Het vlees werd opgegeten en de huid werd meegenomen. miniatuur|Gevecht met de ijsbeer bij Bereneiland. Op 19 juni kwam weer land in zicht, op ongeveer 80 graden noorderbreedte. Er broedden veel rotganzen, zodat iedereen zich te goed deed aan de ganzen en hun eieren, en ook hier werd, met drie sloepen, een beer gevangen. Men noemde het land Spitsbergen en verkende enkele baaien en eilanden. Onduidelijk bleef of het onderdeel was van Groenland. De zon bleef hier dag en nacht boven de horizon en het was er niet koud. Het kostte echter veel moeite om verder te komen vanwege het vele ijs, en op 1 juli was men weer bij Bereneiland. Hier besloten Barentsz en Rijp uit elkaar te gaan. Barentsz vermoedde verderop nog meer land en ijs en zette daarom alsnog koers naar Nova Zembla. Rijp volgde de instructies van Plancius en vertrouwde erop dat als hij voorbij Spitsbergen kon komen de weg open lag naar wat tegenwoordig de Beringstraat heet. Degene die in zijn poging niet zou slagen zou alsnog de ander volgen. Ze lieten op het strand een merkteken achter met een brief voor eventuele nakomenden.

De tocht van Rijp Rijp zeilde zo'n 150 mijl tussen ijsvelden door maar botste toen in dichte mist tegen een ijsberg, waardoor het schip lek raakte. Door de lading en ankers naar één kant te verplaatsen kon men het schip voldoende laten kantelen om het lek vanuit een sloep provisorisch te repareren. Het werd echter steeds moeilijker om door het ijs te komen, zodat Rijp besloot om toch Barentsz maar te volgen. Via de Noordkaap en Wardhuys (Vardøhus) zeilde hij langs de kust van Nova Zembla helemaal tot aan Kaap Nassau in het noorden, maar werd ook daar tegengehouden door het ijs, zonder het schip van Barentsz en Van Heemskerck nog te zien. Hij keerde toen terug en kwam eind november of begin december 1596 terug in Nederland.

Nova Zembla miniatuur|Afteijckeninghe hoe dat wy ghenootsaeckt waren een huys te timmeren, om voor de coude ende wilde beesten beschermt te zijn, daer toe ons Godt hout verleent hadde, dat van over de zee op Nova Sembla was comen dryven. Na het afscheid van Rijp waren Barentsz en Van Heemskerck op 17 juli bij Cruijs Eylandt voor de kust van Nova Zembla aangekomen, ongeveer in het midden van het langgerekte eiland, en waren toen naar het noorden gevaren door geulen in het kustijs. Op 6 augustus rondden ze Kaap Nassau en voeren in oostelijke richting en dan om de kop van Nova Zembla heen naar het zuiden, belaagd door ijsbergen en ijsvelden die hen dreigden te pletten, en af en toe een ijsbeer vangend voor zijn pels. Eind augustus werd duidelijk dat vanwege het vele pakijs de doortocht naar het oosten niet zou lukken en werd besloten om terug te keren naar Nederland. Een poging om via Straat Nassau om de zuidpunt van Nova Zembla heen te varen mislukte al snel, maar ook de weg terug naar het noorden zat nu dicht, zodat men gedwongen was aan een grote ijsschots te ankeren in een baai die men de IJshaven noemde. Het was toen 26 augustus. Het schip zou er niet meer wegkomen. Muurvast in het ijs werd het de dagen daarna door het kruiende ijs omhoog geperst. Het was toen duidelijk dat de opvarenden, 17 in getal, ter plekke zouden moeten overwinteren.

Het Behouden Huis miniatuur|In het Behouden Huys. Achterin vaste kooien, rechts het wijnvat dat door de chirurgijn tot badkuip was omgebouwd en in het midden het vuur met de zieke man erbij. Rechts in de hoek hangt de scheepsklok die bevroor. Links op een tafel staat de zandloper. Op een geschikte plek werd een 'huys''Om ons daer in te onderhouden soo wy best mochten, ende voort de saecke Godt te bevelen'. gebouwd van verderop gevonden aangespoelde ontwortelde bomen, die ook tot brandhout dienden. Ook planken uit het ruim en de kajuit van het schip werden er voor gebruikt. De bouw, af en toe belemmerd door verblindende sneeuwstormen, hevige koude en hongerige ijsberen, nam twee maanden in beslag. Op 23 september stierf de naamloos gebleven timmerman, zonder wie de anderen de winter waarschijnlijk niet hadden overleefd. Uiteindelijk werd het huis 9,5 bij 6 meter in omtrek en 2,5 meter hoog. Zelf noemden ze het nooit het Behouden Huis, maar zo zou het later bekend worden. Eind oktober waren al het proviand, het benodigde materiaal en de bemanning, waaronder een zieke die gedragen moest worden, van het schip overgebracht naar het huis. Barentsz stelde ook de scheepsklok op, zodat deze weer liep en sloeg, maar korte tijd later begaf hij het door bevriezing. Daarna probeerden ze de tijd bij te houden met een zandloper, wat lastig was aangezien er geen verschil meer was tussen dag en nacht. Vanaf begin november kwam de zon niet meer boven de horizon en was de poolnacht begonnen. Een voordeel was dat de ijsberen verdwenen en in hun plaats vossen verschenen, die makkelijker waren te vangen met vallen, en volgens De Veer smaakten naar konijnen. Van de vellen werden mutsen gemaakt.

Overwintering miniatuur|Het huis, vossenvallen en mannen die een ijsbeer villen. 'Afbeeldinghe van een wreeden Beyr die seer stout tottet huijs aenquam, ende dicht voor de deur gheschoten werde van een van ons volck die inde deur stont'. Omdat de schoorsteen vaak dicht sneeuwde konden ze het vuur niet altijd laten branden omdat het huis zich dan vulde met rook. In december werd het zo koud dat zich dikke lagen ijs vormden op de muren en het plafond en iedereen in zijn kooi bleef. Toen ze een keer een kolenvuur maakten met een dichte schoorsteen verloren ze allen bijna het bewustzijn door koolmonoxidevergiftiging. Sneeuwstormen dwongen hen soms om dagenlang binnen te blijven. Na het liggen van de storm bleken dan het huis en de vossenvallen ingesneeuwd te zijn. Vanwege de kou konden ze maar korte tijd buiten blijven om sneeuw te ruimen en nieuw brandhout te halen. Ze groeven toen vanuit een zijdeur een tunnel door de sneeuw naar het brandhout. Rond de jaarwisseling was het zo koud dat het vuur nauwelijks warmte bracht. Toen op 16 januari vanwege helder weer de mannen weer eens buiten konden vertoeven zagen ze voor het eerst weer wat 'rodicheyt' in de lucht, een voorteken van de terugkerende zon. Overdag werd het toen iets warmer, zodat er als het vuur brandde af en toe een stuk ijs van het plafond viel. Ook de ijsberen kwamen uit hun winterslaap, want hun sporen werden aangetroffen bij het controleren van het schip. Met het verschijnen van de ijsberen verdwenen geleidelijk de vossen. In het schip bleek een dikke laag ijs te liggen van naar binnen gestroomd water.