miniatuur|383x383px|Bij blokpolitiek wisselt de macht doorgaans volledig van het ene blok naar het andere, of blijft de bestaande regeringscoalitie aan.

Blokpolitiek is een politieke cultuur waarin partijen zich verenigen in blokken om gezamenlijk regeringsmacht te verwerven. Meestal ontstaan daarbij twee allianties die elkaar afwisselen in de regering: links (rood) en rechts (blauw). In tegenstelling tot centrumpolitiek, waar partijen pas na de verkiezingen beginnen met onderhandelen over samenwerking, zijn de verhoudingen in blokpolitiek vooraf duidelijker afgebakend: partijen vormen of steunen met name regeringen van het eigen blok.

Partijen behouden binnen een blok hun eigen identiteit en programma, maar geven elkaar waar nodig gedoogsteun, ook wel de parlementaire basis genoemd. Dit zorgt voor de stabiliteit die minderheidskabinetten mogelijk maakt, waarbij de regering met wisselende steun van andere partijen flexibel kan samenwerken, zelfs over ideologische grenzen heen, om specifieke wetsvoorstellen door te voeren.

In Nederland wordt deze samenwerking vaak aangeduid als een electorale alliantie, pre-electorale coalitie of stembusakkoord. Door de regelmatige afwisseling van blokken in de regering spreekt men van een penduledemocratie. Blokpolitiek contrasteert met centrumpolitiek waar pas na de verkiezingen coalities worden gevormd en de macht slechts beperkt wisselt; dit systeem staat ook bekend als waaierdemocratie.

Geschiedenis Het begrip blokpolitiek ontstond begin 20e eeuw in Scandinavië en werd voor het eerst gedocumenteerd in Denemarken in 1909. Een drijvende kracht achter blokvorming is het negatief parlementarisme. Dit houdt in dat een zittende regering enkel plaats hoeft te maken wanneer de oppositie een meerderheid behaalt, of wanneer er een motie van wantrouwen wordt aangenomen.

In de jaren 1910 en 1920 schakelden Zweden, Denemarken en Noorwegen over van een meerderheidsstelsel naar een kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging. Er ontstonden meerdere politieke partijen waardoor de noodzaak tot coalitievorming groter werd. Na de Eerste Wereldoorlog kenmerkte het politieke landschap zich door de opkomst van de sociaaldemocratie en de arbeidersbeweging. De arbeiderspartijen stonden echter zo sterk dat conservatieve en liberale partijen hen enkel door blokvorming konden verslaan. Deze waardenstrijd zette zich voort na de Tweede Wereldoorlog, waarbij de politieke blokken verder vorm kregen. Dit leidde tot de blokpolitiek die tot op de dag van vandaag kenmerkend is voor het Scandinavische politieke systeem.

Onafhankelijk hiervan heeft Nieuw-Zeeland in de jaren 1990 een eigen cultuur van blokpolitiek ontwikkeld. Kenmerken

Blokpolitiek wordt met name toegepast in landen met evenredige vertegenwoordiging en negatief parlementarisme. Op die manier combineert het de dynamiek van een tweepartijensysteem (zoals in de Angelsaksische landen met een meerderheidsstelsel zoals de Verenigde Staten en Groot-Brittannië) met de diversiteit van een meerpartijenstelsel. Kiezers hebben directe invloed op welke coalitie de regering zal vormen afhankelijk van welk blok de meerderheid behaalt, waardoor regeringsvorming snel en transparant verloopt. Bovendien is de democratische verantwoording groot, omdat kiezers eenvoudig kunnen kiezen voor een andere partij en/of ander blok als ze ontevreden zijn met het huidige beleid. Hierdoor hebben kiezers invloed op de machtsverhoudingen binnen elk blok, in tegenstelling tot tweepartijensystemen waar interne partijbeslissingen de richting bepalen.

Blokpolitiek bestaat uit de volgende kenmerken:

Negatief parlementarisme: een regering hoeft enkel op te stappen wanneer een meerderheid tegen haar is. Dit zorgt ervoor dat enkel als een oppositieblok een meerderheid behaalt, deze de verkiezingen heeft gewonnen en de ruimte krijgt om een nieuwe regering te vormen. Twee dominante partijen: In landen met blokpolitiek wordt de politieke arena gedomineerd door twee grote partijen, vaak geassocieerd met verschillende kleuren, zoals rood en blauw. Deze partijen leiden de blokken en wanneer een blok de verkiezingen wint, leveren de kleinere partijen van het blok bewindslieden of gedoogsteun. Inclusieve partijvertegenwoordiging: Om een meerderheid te behalen en de verkiezingen te winnen, zijn alle partijen binnen een blok nodig. Dit betekent dat ook kleine partijen en partijen aan de uitersten van het politieke spectrum invloed hebben op het beleid, omdat hun steun nodig is om verkiezingen te winnen. Strijd om leiderschap: elk blok kiest voorafgaand aan de verkiezingen een leider die kandidaat is voor het premierschap, vergelijkbaar met het systeem in de Verenigde Staten. Na de verkiezingen is het snel duidelijk welk blok en welke leider de macht krijgt, wat zorgt voor een soepele overgang van de macht. Snelle regeringsvorming: omdat elk blok voor de verkiezingen een concept-regeerakkoord opstelt, kan de vorming van een nieuwe regering snel plaatsvinden, ongeacht welk blok wint. De contouren van het beleid zijn namelijk al vóór de verkiezingen bepaald. Minderheidsregeringen: partijen binnen het winnende blok regeren ofwel mee of leveren gedoogsteun. Dit wordt in Denemarken parlementaire basis genoemd en levert de stabiliteit die minderheidsregeringen gebruikelijk maakt. Deze regering kent flexibiliteit, maar dient voor elke beslissing opnieuw een meerderheid te vinden. Volledige machtswisseling: als een ander blok de verkiezingen wint, wordt de hele regering vervangen. Er nemen geen zittende partijen plaats in het nieuwe kabinet, wat leidt tot duidelijk verschillende beleidsperiodes, afhankelijk van welk blok aan de macht is. Eén wetgevend orgaan: alle landen met blokpolitiek hebben een eenkamerstelsel. Dit betekent dat er geen senaat is die wetgeving uit het parlement kan blokkeren, wat het wetgevingsproces efficiënter maakt.

Landen met blokpolitiek LandPositie op de Democratie-index (2023)Traditioneel dominante linkse partijTraditioneel dominante rechtse partijKiesdrempelAantal partijenLaatste kabinet op basis van blokmeerderheidUnicameralisme sindsNoorwegen1ArbeiderspartietHøyre0% (kiesdrempel van 4% voor vereffeningszetels)102021-heden2009Nieuw-Zeeland2LabourNational5%62023-heden1951Zweden4SocialdemokraternaModeraterna4%82022-heden1971Denemarken6SocialdemokraterneVenstre2%122019-20221953

Noorwegen

In Noorwegen is het politieke spectrum verdeeld in een rood-groen blok, van oudsher geleid door Arbeiderspartij, en een blauw (burgerlijk) blok onder leiding van de liberale Høyre. Het rechterblok heeft zich gevormd in de jaren 1950 toen samenwerking tussen burgerlijke partijen op gang kwam om de sociaaldemocraten te kunnen verslaan. De Arbeiderspartij had in Noorwegen sinds de Tweede Wereldoorlog een absolute meerderheid. Als reactie op de rechtse samenwerking ging de arbeiderspartij vanaf de jaren 1960 samenwerken met de socialistische partij. In 1989 behaalde de rechts-populistische Fremkrittspartiet een grote overwinning waarna zij werd opgenomen in het rechterblok. Dit leidde tot ongenoegen bij de Senterpartiet die daarna langzaam de overstap maakte naar het linkerblok. Vanaf de verkiezingen van 2005 was deze overstap een feit. Sinds de verkiezingen van 2025 is de Fremkrittspartiet de grootste partij binnen het burgerlijke blok.

De volgende blokken zijn ontstaan: Het rood-groene arbeidersblok: Arbeiderspartiet (sociaaldemocratisch), Socialistisk Venstreparti (socialistisch) en Senterpartiet (agrarisch). Sinds 2025 behoren de partijen Rødt (marxistisch) en Miljøpartiet De Grønne (ecologisch) ook bij dit blok. Het Blauwe burgelijke blok: Høyre (conservatief liberaal), Fremskrittspartiet (libertair populistisch), Venstre (sociaalliberaal) en de Christelijke Volkspartij (christendemocratisch).

Machtsbalans de afgelopen vijf verkiezingen

2009 861164112103041 832013 72I755109104829 962017 79II114919884527 882021 8983134828I833621 682025 88989539372447 81

Nieuw-Zeeland

In Nieuw-Zeeland zijn politieke partijen traditioneel geclusterd in een centrum-links en een centrum-rechts blok. Tot de jaren negentig gebruikte het land een meerderheidsstelsel, waardoor de twee grote partijen, Labour en National, domineerden. In 1996 transformeerde het politieke landschap door de invoering van een gemengd kiesstelsel (mixed-member proportional), een vorm van evenredige vertegenwoordiging. Dit zorgde voor een grotere vertegenwoordiging van kleinere partijen en leidde tot coalitieregeringen.

Om stabiele regeringscoalities veilig te stellen, zochten de twee grote partijen vaste bondgenootschappen met kleinere partijen. Sommige kleinere partijen, zoals New Zealand First, de Māori Party en United Future, nemen een pragmatische middenpositie in. Ze maken hun blokkeuze afhankelijk van politieke kansen en beleidsonderhandelingen, waardoor ze vaak een sleutelrol in coalities vervullen.

Hierdoor worden de blokken in de praktijk ook gedefinieerd door wie er op dat moment in de oppositie belandt, aangezien partijen soms van blok wisselen afhankelijk van de uitkomst van onderhandelingen en electorale verhoudingen.

De gebruikelijke samenstelling van de blokken is als volgt:

Centrum-links blok: Labour Party (sociaaldemocratie en progressief beleid) en Green Party (milieuvraagstukken en sociale rechtvaardigheid) Centrum-rechts blok: National Party (vrijemarktbeleid en conservatisme) en ACT New Zealand (neoliberale economie en individuele vrijheden) Pragmatische middenpartijen: New Zealand First, Māori Party, United Future; deze partijen positioneren zich flexibel tussen de blokken om hun invloed te maximaliseren

Machtsbalans de afgelopen vijf verkiezingen 2011 14341813591 2014 14321112601 2017 8469561 2020 106523310 2023 1534684811

Zweden

Zweden kent sinds 1945 een sterke traditie van blokpolitiek, maar deze werd tijdelijk doorbroken tussen 2010 en 2022. In 2010 maakten de radicaal-rechtse Zweden-Democraten voor het eerst hun intrede in de Rijksdag met 20 zetels. Bij de verkiezingen van 2014 groeiden ze naar 49 zetels, wat leidde tot het ontstaan van een derde blok. Omdat geen van de traditionele blokken bereid was om met hen samen te werken, kon geen van de blokken nog zelfstandig een meerderheid behalen. Dit dwong hen op zoek te gaan naar alternatieve meerderheden.

Er trad een verschuiving op na de verkiezingen van 2018 toen de Centrumpartij ervoor koos om de sociaaldemocratische premier van het rode blok te steunen in plaats van samen te werken met radicaal-rechts. Dit leidde ertoe dat de rechtse oppositie de handen vrij kreeg om samen te gaan werken met de Zweden-Democraten. In het najaar van 2021 namen de Zweden-Democraten voor het eerst deel aan de besprekingen over de staatsbegroting. Bij de verkiezingen van 2022 won het blauwe blok met behulp van de Zweden-democraten als gedoogpartner met een zetel verschil, ondanks het vertrek van de Centrumpartij.

Vanaf 2022 bestonden de politieke blokken in de Zweedse Rijksdag uit: Het rood-groene blok: Sociaaldemocraten, Groene Milieupartij, Linkse Partij en Centrumpartij (officieel nog aangesloten bij het burgerlijke blok). Het burgerlijke blok: Gematigden, Christendemocraten, Liberalen en de Zweden-Democraten (enkel gedoogsteun).

Machtsbalans de afgelopen vijf verkiezingen 2010 156191122523241071920 1732014 15921113252219841649 1412018 14428100163120702262 1432022 17324107182416681973 1762026 3099222519702262

Denemarken