Alfred Flechtheim (Münster, 1 april 1878 - Londen, 9 maart 1937) was een Duitse kunsthandelaar, kunstverzamelaar, galeriehouder en uitgever.

Hij wordt gezien als een van de succesvolste Duitse kunsthandelaren en promotoren op het gebied van de Duitse en Franse avant-gardekunst in de Weimarrepubliek. Hij speelde een grote rol in het promoten van vele kunstenaars, waaronder Braque, Gris, Léger en Picasso.

Na de opkomst van het nazisme in 1933 vertrok hij naar Londen, waar hij in 1937 in ballingschap stierf. De onduidelijkheid over zijn nalatenschap leidde tot rechtszaken tussen zijn erfgenamen en grote museale instellingen.

Jeugd en opleiding Flechtheim werd geboren in Münster op 1 april 1878 en groeide op in een joods gezin. Hij was de oudste zoon van Emil Flechtheim en Emma Heymann. Hij had een jongere broer, Hermann, en een zusje genaamd Erna. Flechtheim kwam uit een familie van vermogende graanhandelaren.

Nadat hij in 1895 afstudeerde aan het in Münster, begon hij met een studie aan de Franstalige privéschool in Rolle, Zwitserland. Na zijn terugkomst in Duitsland in 1897 volgde hij een beroepsopleiding bedrijfskunde. Hij werkte in Duisburg, Düsseldorf en Münster, en maakte daarnaast meerdere reizen naar Odessa, Parijs en Liverpool. De talenkennis die hij tijdens zijn opleiding had opgedaan, kwam hierbij goed van pas.

In 1901 en 1902 vervulde hij zijn dienstplicht bij het Westfaalse Ulanen-regiment. Nadat zijn oom in 1902 overleed, werd Flechtheim partner in het graanhandelbedrijf van zijn vader dat sinds 1895 in Düsseldorf gevestigd was.

Kunstverzamelaar Door zijn buitenlandse reizen, met name die naar Parijs, nam zijn interesse in kunst en literatuur toe. In 1905 liet hij een ex-libris ontwerpen door Hans Kohlschein en startte hij met het verzamelen van boeken en prenten.

In 1906 vertrok Flechtheim voor zijn werk naar Parijs en bezocht daar Café du Dôme. Het café was een ontmoetingsplek voor kunstverzamelaars, schrijvers en kunstenaars uit Midden- en Noord-Europa, waaronder leden van een Duitse kunstenaarskolonie. Hij was erg onder de indruk van de Franse moderne schilderkunst, wat zijn ambitie aanwakkerde om , een kunsthandelaar zonder eigen galerie, te worden. Via de Duitse kunstverzamelaar Wilhelm Uhde kwam Flechtheim in contact met belangrijke personen in de Parijse kunstwereld.

In 1907 reisde hij opnieuw naar Parijs en ontmoette daar kunsthandelaar . Kahnweiler had een voorliefde voor het kubisme en vertegenwoordigde de kubisten , , en . Dankzij Kahnweiler kwam Flechtheim met hen in contact, wat voor hem een 'ontwakende ervaring' was.links|miniatuur|Porträt des Kunsthändlers Alfred Flechtheim (1910) door Hanns Bolz (1885-1918)

Huwelijk In september 1910 trouwde hij met .Soms ook gespeld als 'Betty'. Ze was afkomstig uit een van de rijkste joodse families van Dortmund en was net als Flechtheim geïnteresseerd in kunst. De families Flechtheim en Goldschmidt hadden zowel een vriendschappelijke als zakelijke relatie met elkaar. Het huwelijk was door de ouders van Flechtheim geregeld, aangezien er geruchten rondgingen dat hij homoseksueel was. Ook de ouders van Betti waren blij met het huwelijk; hun dochter was 29 jaar oud en daarmee voorbij de toenmalige ideale huwelijksleeftijd.

Het echtpaar ging op huwelijksreis naar Parijs waar Flechtheim, naar verluidt, tot groot ongenoegen van zijn schoonouders een groot deel de bruidsschat investeerde in kubistische kunst. In een brief aan zijn schoonvader verzekerde Flechtheim hem dat hij zich geen zorgen hoefde te maken, en dat de waarde van de schilderijen zou verdubbelen. Zijn schoonouders dwongen hierna een scheiding van goederen af.

Sonderbund In zijn woonplaats Düsseldorf was Flechtheim in 1909 betrokken bij de oprichting van de . Bij deze vereniging van kunstenaars, museumdirecteuren, verzamelaars en handelaren zat hij als penningmeester in het bestuur. Daarnaast was hij voorzitter van de stuurgroep die verantwoordelijk was voor het organiseren van de exposities.

Hij speelde als stuurgroepvoorzitter een belangrijke rol bij de organisatie van de -tentoonstellingen in Düsseldorf (1911) en Keulen (1912). Deze tentoonstellingen brachten voor het eerst Franse avant-garde kunst en Duitse modernistische kunst samen. Tijdens deze exposities werden meerdere werken uit Flechtheims privécollectie getoond.

Dankzij Betti's vermogen kon Flechtheim meer kunst aankopen, waardoor zijn privécollectie na hun huwelijk aanzienlijk toenam. Flechtheim was inmiddels een vaste klant van Kahnweiler geworden en kocht vele werken bij hem aan. Vanwege zijn grote collectie werken van Picasso werd Flechtheim in deze periode beschouwd als een van de belangrijkste verzamelaars van zijn werk. Daarnaast bezat hij ook werken van Bonnard, Braque, Cézanne, Gauguin, Munch, Rousseau, Seurat en Van Gogh. Hij omschreef zijn passie voor kunst als 'sterker dan gokken, alcohol en vrouwen'.

Kunsthandelaar miniatuur|Konsthandlare Alfred Flechtheim (1913) door Nils Dardel (1888-1943)Met het graanhandelbedrijf van de familie Flechtheim ging het financieel steeds minder goed en in 1913 dreigde een faillissement. Flechtheim had een schuld van 30.000 mark die was ontstaan door risicovolle investeringen in Spanje en Marokko. Flechtheim was wanhopig en dacht aan zelfmoord. Hij sloot een levensverzekering af die Betti na zijn dood zou moeten ondersteunen. In zijn dagboek schreef hij: 'Trouw opnieuw, lieverd. Iemand anders zou je blij moeten maken. […] Ik hoop dat je een man zult vinden die je meer waard is; trotser en groter.' Om zijn schulden te kunnen afbetalen, overwoog hij enkele werken van de hand te doen en begon met het inventariseren van zijn collectie.

Dankzij noodhulp van twee banken werd het familiebedrijf in de zomer van 1913 gered. Flechtheim ambieerde een carrière in de kunsthandel, maar zijn vader vond dat te risicovol en wilde hem hier financieel niet in ondersteunen. Mede door de aanmoediging en financiële hulp van kunsthandelaar Paul Cassirer en zijn vrouw Betti besloot Flechtheim de stap toch te zetten.

In het najaar van 1913 opende hij samen met een compagnon aan de in Düsseldorf. In de eerste catalogus van de galerie schreef hij de tekst: 'Eindelijk kan ik een lang gekoesterde wens vervullen: mij uitsluitend op de kunst concentreren.''' Zijn betrokkenheid bij de Sonderbund werkte in zijn voordeel; hij kwam hierdoor in contact met Rijnlandse kunstenaars van wie hij werken kon tentoonstellen en verkopen in zijn galerie.

De galerie verkocht werken van onder anderen , , Van Gogh, Kokoschka, , en . Door zijn grote aanbod Franse kunst werd de galerie omschreven als een 'Franse galerie'.

Eerste Wereldoorlog De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog was een grote tegenslag voor Flechtheim. De banden die hij in Frankrijk had opgebouwd met kunstenaars, kunsthandelaars en vrienden werden door de oorlog verbroken. Hij meldde zich als vrijwilliger bij het vijfde Westfaalse Ulanen-regiment en werd benoemd tot luitenant. Hij was op dat moment 36 jaar en daarmee te oud om aan het front te dienen. Om die reden was hij in dienst bij de in België.

In Brussel werd hij onderdeel van een groep Duitse intellectuelen en kunstenaars die in België waren gestationeerd en zich rond de Duitse auteur Carl Sternheim hadden verzameld. Hiertoe behoorden onder meer Gottfried Benn, Wilhelm Hausenstein, Otto Flake en Carl Einstein. Zij ontmoetten elkaar regelmatig in een café aan en in de villa van Sternheim. Reeds voor de Eerste Wereldoorlog had Flechtheim al connecties in België, onder meer met de kunstenaars Ferdinand Schirren, George Minne en William Degouve de Nuncques. De contacten die hij in België opdeed, bleven ook na de Eerste Wereldoorlog belangrijk. Tot aan het einde van de oorlog in 1918 bleef Flechtheim in dienst.

Tijdens de oorlog werd de galerie gesloten. Flechtheim kon door zijn verblijf in het buitenland geen handel drijven, en zijn compagnon, tevens de enige werknemer van de galerie, was kort na het uitbreken van de oorlog gesneuveld. Daarnaast bestond een groot deel van de inventaris van de galerie uit kunstwerken die afkomstig waren uit Frankrijk, dat als vijandelijk gebied werd beschouwd. Op aanraden van Karl Koetschau, museumdirecteur van de Städtischen Kunstsammlung Düsseldorf, besloot Flechtheim werken uit de inventaris van de galerie te veilen. In het veilinghuis van Paul Cassirer en Hugo Helbing in Berlijn gingen op 5 juni 1917 bijna tweehonderdvijftig werken onder de hamer, maar een groot deel bleef onverkocht. De veiling bracht in totaal 200.000 Duitse mark op. miniatuur|293x293px|Catalogus van de heropening van de galerie in Düsseldorf (1919)|links

Herstart In 1919 opende Flechtheim met de opbrengst van de veiling opnieuw een galerie in Düsseldorf, maar koos voor een exclusievere locatie aan de . Hij wilde de stad op de kaart zetten als kunststad en exposeerde werken van avant-garde kunstenaars die verbonden waren aan de vereniging . Daarnaast legde hij de focus op Duitse expressionistische kunst van en werken van -kunstenaars.Der Sturm was een Duits kunsttijdschrift dat tussen 1910 en 1932 werd uitgegeven. Het richtte zich hoofdzakelijk op avant-garde kunststromingen zoals het expressionisme, dadaïsme, kubisme en surrealisme.

Naast Europese avant-garde kunst was hij ook zeer geïnteresseerd in tribale kunst uit Afrika, Amerika, Oceanië en Azië. Kort na de oorlog verkocht hij in zijn galerie geen Franse kunst, aangezien dat niet was toegestaan in de Weimarrepubliek.

In deze periode werd Berlijn steeds belangrijker als kunststad, waardoor hij besloot zich tevens op deze stad te concentreren. In 1919 huurde hij twee ruimtes in Galerie Cassirer van Paul Cassirer. Twee jaar later opende Flechtheim een galerie aan de in het , een wijk met veel kunstgalerieën. In de jaren daarna opende hij tevens galerieën in Frankfurt (1921)Flechtheim leidde de galerie in Frankfurt samen met Gustav Kahnweiler; om die reden heette deze galerie 'Galerie Flechtheim und Kahnweiler'., Keulen (1922) en Wenen (1922).

Vertegenwoordiger Flechtheim vertegenwoordigde meerdere kunstenaars, waaronder , , , , , , , , en . Een aantal van hen waren op het moment dat zij bij hem tekenden nog onbekend bij het grote publiek. Voor de verkoop van hun werken ontving Flechtheim een percentage aan commissie. Om kunstenaars te ondersteunen, bood hij sommigen een vast inkomen aan in ruil voor een hoger commissiepercentage.

Naast het houden van tentoonstellingen in zijn eigen galerieën, werkte Flechtheim samen met kunstverenigingen en -handelaren in Londen, Parijs en New York om kunstenaars te promoten. Ook bracht hij kunstenaars actief onder de aandacht bij verzamelaars en leende, schonk of verkocht hij werken aan musea. Zo had Flechtheim onder meer invloed op de bekendheid en populariteit van de kubisten Braque, Gris, Léger en Picasso in de Weimarrepubliek. Onder zijn klanten bevonden zich veel prominente personen, waaronder kunstverzamelaars en . Uitgever miniatuur|Alfred Flechtheim (tussen 1922 en 1927) door Rudolf Großmann (1881-1942)Kort na de heropening van de galerie in 1919 startte Flechtheim met het uitgeven van grafieken, boeken en exclusieve tentoonstellingscatalogi. Hij zei dat hij 'gegrepen was door het uitgeversvirus'. Van 1921 tot en met 1924 gaf Flechtheim het avant-garde tijdschrift ("De doorsnede") uit dat zich richtte op kunst, sport en literatuur. Wat aanvankelijk als een reclamemiddel voor de galerie begon, groeide al snel uit tot een van de belangrijkste geïllustreerde tijdschriften in de Weimarrepubliek.

Roerige jaren twintig In december 1923 verhuisde FlechtheimSommige bronnen stellen dat hij samen met zijn vrouw naar Berlijn verhuisde, anderen zeggen dat Betti tot 1928 in Düsseldorf bleef wonen. naar Berlijn en betrok een bel-etage van 400 vierkante meter aan de vlak bij de Kurfürstendamm. De luxe woning was gevuld met kunstwerken van bekende kunstenaars zoals Léger, Pascin en Picasso.