Johanna Ey, geboren als Johanna Stocken (Wickrath, 4 maart 1864 - Düsseldorf, 27 augustus 1947) was een Duitse galeriehoudster en kunstmecenas.

Ey staat bekend als vanwege de moederlijke rol die zij vervulde tegenover de kunstenaars met wie ze hechte vriendschappen onderhield. Tot haar protegés behoorden onder meer Otto Dix, Max Ernst en Otto Pankok, aan wiens carrières ze een grote bijdrage leverde. Haar galerie in Düsseldorf was van 1921 tot en met 1923 de uitvalsbasis van de kunstenaarsvereniging .

Door haar contacten met diverse kunstenaars werd Ey frequent geportretteerd, waardoor zij de meest geportretteerde vrouw van Duitsland wordt genoemd. In de collectie van het bevinden zich ongeveer 100 portretten van Ey.

Jeugd Ey werd geboren op 4 maart 1864 in het dorpje , in de buurt van . Ze was de jongste dochter van wever Peter Stocken en Josepha Engels. Ey groeide op in een arm, katholiek gezin met zeven kinderen dat werd beïnvloed door het gewelddadige gedrag en de drankzucht van haar vader. Over haar jeugd zei ze zelf: 'mijn vader was een drinker, mijn moeder was een geduldige vrouw. Wij kinderen leefden elke dag in angst.'

In haar memoires schreef Ey dat ze tijdens haar schooljaren zowel plezier haalde uit het vervullen van haar plichten als zich verzette tegen autoriteit. Toen ze veertien jaar oud was, stopte ze met school en werkte twee jaar lang als dienstmeisje.

Huwelijk In 1882 verhuisde ze naar Düsseldorf waar ze een jaar later meesterbrouwer Robert Ey ontmoette. Ze raakte in 1884 zwanger van hem en vertrok naar Brussel waar ze bij familie verbleef. Hun dochter Maria Klara werd in 1885 in Brussel geboren. In 1886 of 1887 keerde ze terug naar Duitsland en liet haar dochter achter bij haar oudere zus Barbara.

Op 1 mei 1888, drie jaar na de geboorte van hun dochter, trouwde ze in Duisburg met Robert Ey. Ze woonden afwisselend in , en . Op 6 oktober 1899 verhuisden ze naar Düsseldorf. Ey en haar echtgenoot kregen samen twaalf kinderen, waarvan er acht op jonge leeftijd overleden. De twee hadden een ongelukkig huwelijk en net als haar vader had haar echtgenoot een drankprobleem. Ey en hun vier kinderen waren regelmatig slachtoffer van huiselijk geweld. Zelf omschreef ze haar huwelijk als 'zeer triest'. Haar echtgenoot verliet haar in 1904 en vertrok naar Berlijn. Zes jaar later werd de echtscheiding gefinaliseerd.

Nieuw begin miniatuur| 45 waar de bakkerij van Ey gevestigd was (ca. 1920)|303x303pxVanaf het moment dat haar echtgenoot haar had verlaten, stond ze er als moeder van vier kinderen alleen voor. Op 9 november 1904 verhuisde ze met haar kinderen naar de in Düsseldorf, waar Ey een baan bij een bakkerij vond. Naast haar werk in de bakkerij werkte ze in de avonduren als naaister. In 1907 opende ze verderop in deze straat een eigen bakkerij.

De bakkerij evolueerde en in 1910 werd het een , een informeel koffiehuis, dat de bijnaam ('rode schildersdoos') kreeg. Doordat het in de buurt lag van de kunstacademie van Düsseldorf en het , en door de lage prijzen van de aangeboden koffie en broodjes, werd het een populaire ontmoetingsplek voor kunstenaars, studenten, hoogleraren, acteurs en theatermedewerkers.

Als de kunststudenten weinig geld hadden, accepteerde Ey kunstwerken als vorm van betaling en verstrekte zij kleine leningen. Doordat Ey zelf veel moeilijkheden en ontberingen had ervaren in haar leven, voelde ze zich emotioneel verbonden met personen die in armoede of moeilijke omstandigheden leefden. In een interview later in haar leven zei ze dat ze vroeg of laat altijd door de kunstenaars is terugbetaald. Ze ontpopte zich als een moederfiguur voor de kunstenaars: ze stopte hun sokken, verstelde hun kleding en knipte hun haar.

Door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog in 1914 moest Ey haar winkel sluiten. Ze had nagenoeg geen klanten meer, aangezien het grootste deel van haar cliënteel werd gemobiliseerd. Haar zoons gingen in dienst bij de marine, waardoor haar inkomen verder daalde. Om de kost te verdienen werkte ze in een recyclingcentrum voor militaire uniformen en ontving financiële ondersteuning van haar kinderen. Tijdens de oorlog hield ze contact met de gemobiliseerde kunstenaars door hen brieven te schrijven en kleding toe te sturen.

Kunsthandel Rond 1916 maakte Ey de overstap naar de kunsthandel. Ze verkocht een kunstcollectie die ze had verzameld voor 500 mark aan een verkoopstentoonstelling, waarvan de opbrengst bedoeld was voor de hulp aan oorlogsslachtoffers. Naar eigen zeggen wist ze niet goed hoe ze verder moest. Het idee om kunst te verkopen kwam af en toe ter sprake in de jaren dat ze haar bakkerij uitbaatte, mogelijk omdat ze toen al eens schilderijen van bevriende kunstenaars verkocht. Uiteindelijk besloot ze een carrière als kunsthandelaar serieus te overwegen.

Veel van de kunstenaars die normaliter haar koffiehuis bezochten, bevonden zich in deze periode echter nog steeds aan het front en haar netwerk was beperkt. Haar plan kreeg daardoor pas concreet vorm nadat ze haar idee had gedeeld met Een Revierpolizist is een Duitse term voor een wijkagent of buurtpolitieagent. . Hij bracht haar in contact met de restaurator die haar voorstelde werken te verkopen van enkele prominente kunstenaars uit de Düsseldorfse traditionele school. Ey startte haar loopbaan met de verkoop van dit type kunst in 1917 vanuit een winkel op Thans 1a in de buurt van de , waar de meeste kunsttentoonstellingen werden gehouden. Voor de huur van het pand kreeg ze hulp van enkele kunstschilders, voormalige klanten van haar koffiehuis, die haar ook enkele schilderijen in commissie gaven. Nadat haar winkel op een nacht werd beroofd, verhuisde ze op 19 mei 1918 naar een grotere galerie op 11.

Junge Kunst - Frau Ey miniatuur|Van links naar rechts: Peter Ludwigs, Johanna Ey, Robert Pudlich en Luzie Uptmoor bij de ingang van de galerij (jaren twintig).

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog keerden de gemobiliseerde kunstenaars terug naar Düsseldorf en bezochten ze haar galerie. Door Otto Pankok en Gert Wollheim maakte Ey kennis met een vernieuwende kunststijl. Pankok, die voor de oorlog vaste klant was in haar koffiehuis, bezocht begin 1920 samen met Wollheim de galerie en toonde haar enkele van hun werken. Ze vond de werken 'interessant' en 'niet alledaags' en stelde voor ze in de etalage te plaatsen. Naar eigen zeggen wilde ze iets 'levendigs, nieuws [en] interessants bieden'.

De werken veroorzaakten grote opschudding op de stoep van de galerie, waardoor de politie moest ingrijpen. In plaats van de werken uit de etalage te verwijderen, besloot Ey zich vanaf dat moment te richten op het tentoonstellen van moderne kunst. Ze bood Pankok en Wollheim een vaste etalage aan waar zij hun werken konden plaatsen. In 1920 veranderde ze de naam van haar galerie in Journalist en kunstcriticus Max Osborn omschreef haar catalogus als: 'Alles wat nieuwe gedachten in het hoofd, nieuwe visies in de ogen, lef en onbeschaamdheid in de borst droeg, schoot vanuit hier zijn manifestaties de lucht in...'.

In juni 1920 richtten Pankok en Wollheim de kunstenaarsgroep Das Ey op die verbonden was aan de galerij. De groep gaf driemaal een gelijknamig periodiek uit met artikelen en kunstafbeeldingen. Daarnaast waren ook meerdere kunstenaars van , een kunstenaarsvereniging die in 1919 werd opgericht door dichter Herbert Eulenberg, kunstschilder Arthur Kaufmann en auteur Adolf Uzarski, regelmatige bezoekers van haar galerie. Onder meer Mathias Barz, Trude Brück, Fritz Feigler, Johann Baptist Hermann Hundt, Peter Ludwigs, Karl Schwesig en Adalbert Trillhaase kwamen regelmatig over de vloer.

Zelf omschreef ze deze periode als 'een prachtige, mooie tijd' doordat ze was omringd door 'spiritueel waardevolle kunstenaars'. Daarnaast was ze het niet eens met de stelling dat zij kunstenaars had geholpen, in haar optiek hadden de kunstenaars haar geholpen. Zonder hen zou ze naar eigen zeggen haar 'hele leven lang dom gebleven zijn'.

Haar persoonlijke contacten met de kunstenaars waren sterk en er ontstond een uitgebreide kunstenaarskring rond Ey. Dit leverde haar in de jaren twintig de bijnaam ('moeder Ey') op, een bijnaam die ze aanvankelijk hekelde, maar later omarmde.Naast 'Mutter Ey' werd ze ook 'Asta' genoemd, naar de actrice Asta Nielsen die werd gezien als het toonbeeld van de moderne vrouw. In 1920 zei auteur Ludwig Beil over haar:Ken je mevrouw Ey? Ze is een moederlijke vriendin van bohemienjongeren. Iedereen die schildert en niets heeft en jong is, is haar dierbaar. Ze kunnen naar haar kleine salon aan de Hindenburgwal komen [...], waar ze 's middags altijd koffie krijgen tot hun hart bonst. En als het een stralende dag is voor Moeder Ey, dat wil zeggen, als haar favoriete tumultueuze en hoopvolle protégés haar allemaal tegelijk ontmoeten, dan is er zelfs cognac. Dan zit ze daar, rond en blij, haar heldere oogjes stralend alsof ze zijn schoongemaakt op een knopvork. “Oh, kinderen,” zegt ze graag, ”dertig jaar jonger, wat zou ik voor jullie kunnen zijn!” Ze is goed, mevrouw Ey, we kunnen haar gebruiken.

Otto Dix In dezelfde periode kwam ze in contact met Otto Dix. Ze speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van zijn carrière door hem vroeg te steunen en zijn werk te verkopen. Ey vroeg de toen nog onbekende kunstenaar om enkele werken die ze in haar galerie kon aanbieden. In 1920 werd zijn werk voor het eerst in haar galerie tentoongesteld. De tekeningen spraken het cliënteel erg aan, waarna Dix haar meer stukken toestuurde. Ey vroeg hem in een brief om een foto van zichzelf op te sturen en nodigde hem vervolgens uit als gast, omdat ze hem sympathiek vond en zijn 'open en brutale gezicht' haar aansprak. Nadat Dix in 1921 naar Düsseldorf verhuisde, stelde Ey hem voor aan zijn eerste verzamelaar en werd hij onderdeel van de 'Ey-kring'. Ook met kunstschilder Max Ernst onderhield ze persoonlijk contact: in 1921 hield hij zijn eerste solotentoonstelling in de galerie van Ey.

miniatuur|Johanna Ey met kunstschilder Robert Pudlich (jaren twintig)In 1921 kwamen de leden van in conflict met een aantal traditioneel ingestelde kunstenaars tijdens een algemene vergadering van de . Deze kunstenaars wilden de leden van de vereniging niet toestaan te exposeren in de . Als reactie besloten zij vanaf 14 juli 1921 de galerie Junge Kunst – Frau Ey als hun nieuwe uitvalsbasis te gebruiken en ging Das Ey op in . De kunstenaars kwamen dagelijks om elf uur samen in de galerie van Ey.

Vanaf dat moment fungeerde de galerie als centraal punt voor de organisatie van de activiteiten van de kunstenaarsvereniging en veranderde het in het centrum van de Rijnlandse avant-garde. Iedere veertien dagen vond er een expositie plaats die van lokale, nationale en internationale betekenis was. Het hoogtepunt kwam in 1922 met de 1.Internationale Kunstausstellung Düsseldorf 1922. Ey werd hiermee ook de belangrijkste handelaar van de werken van . Voor de verkoop van de werken ontving Ey een percentage aan commissie. Ze vertegenwoordigde onder meer Wollheim en Pankok.

Zoals in de beginjaren, toen ze haar koffiehuis uitbaatte, bleef ze ook in deze periode kunstenaars financieel ondersteunen. Op kunstwerken van jonge kunstenaars plaatste ze soms bordjes met 'verkocht' om hen een gevoel van trots te geven of een excuus te hebben hen wat extra geld toe te stoppen. In 1922 uitte Otto Dix zijn dankbaarheid voor een lening met de tekening Johanna Ey als rettender Engel. Twee jaar later financierde ze een studiereis naar Saigon voor de kunstschilder Max Ernst, in ruil voor werken die hij in Parijs had gemaakt.

Veranderingen miniatuur|Johanna Ey in haar galerie (jaren twintig)