miniatuur|ir. A.G. Lamminga Anske Gerben Lamminga (Makkum, 25 november 1855 - Den Haag 31 oktober 1920) was een Nederlands waterbouwkundige die grotendeels werkzaam was in Nederlands-Indië. Hij was de zoon van Jacob Roemers Lamminga, gemeenteontvanger in Wonseradeel en verzekeringsagent in Makkum, en Hieke Bakker.

Jeugd, opleiding en werkoriëntatie Na de lagere school ging hij naar de kostschool na C.J. Blok aan de Kolensteeg in Nieuwediep. In Nieuwediep heeft hij zich voorgenomen om later werk te zoeken in Nederlands-Indië. Na de kostschool ging hij naar de derde klas van de HBS in Sneek waar hij in juli 1876 het HBS b-diploma haalde. Hij slaagde hiervoor met zeer goede cijfers, waardoor hij het aanbod kreeg om op rijkskosten een opleiding tot Gouvernements-houtvester in Nederlands-Indië te volgen. Hij had echter een kleine hartafwijking, waardoor hij niet door de medische keuring hiervoor kwam. Hij wilde toch een betrekking in de koloniën hebben, en schreef zich in voor de opleiding voor civiel ingenieur aan de Polytechische School in Delft, met het doel om in irrigatieprojecten te gaan werken. Doordat hij pas na de medische afkeuring besloot om naar Delft te gaan, begon hij pas eind 1875 aan de studie. Desondanks, en ondanks het feit dat zijn vader dat jaar overleed en hij voor een aantal familiezaken naar Makkum moest, studeerde hij in mei 1878 af als civiel ingenieur. Vanwege zijn goede cijfers bij een tussentijds examen kon hij “worden aangenomen voor een verbintenis met het Departement van Koloniën, om te zijner tijd te worden uitgezonden voor den Indischen waterstaatsdienst. Die verbintenis verzekerde voor den verderen studietijd een toelage, voorts vrijen overtocht met uitrustingskosten en bracht mede dat men, na voltooide studie en alvorens naar Indië scheep te gaan, hier te lande op een voorloopig traktement kon worden te werk gesteld gedurende ten hoogste twee jaar, zooals het in de overeenkomst heette, voor praktische bekwaming", zoals zijn studievriend prof.ir. C.W. Weiss het in zijn in memoriam beschrijft Op 18 september 1879 werd hij dan ook benoemd tot aspirant ingenieur bij de Waterstaat in Nederlands-Indië. miniatuur|Gezicht op Rhenen met op de voorgrond de spoorbrug over de Rijn In het najaar van 1878 werd hij geplaatst bij de aanleg van de Nieuwe Waterweg, en vanaf maart 1879 bij de bouw van de spoorbrug bij Rhenen. De tussenliggende wintermaanden gebruikte hij om een studie te maken van de gemeentewerken van Rotterdam en Amsterdam. Dat hij de gelegenheid kreeg om eerst in Nederland wat ervaring op te doen heeft hij altijd als zeer positief ervaren. In later jaren ijverde hij er dan ook steeds voor om ingenieurs die naar Indië werden gezonden eerst wat ervaring in Nederland te laten opdoen

In Rhenen leerde hij zijn vrouw kennen, Jacoba Maria Sandbrink, met wie hij op 16 december 1880 in Rhenen trouwde, waarna ze samen kort daarna naar Nederlands-Indië vertrokken. Het huwelijk is tot beider leedwezen kinderloos gebleven.

Zijn eerste periode in Nederlands-Indië (1881 -1892) In januari vertrokken Lamminga en zijn vrouw, alsmede zijn aanstaande ambtgenoten irs. J. Scheffer, P. Th. L. Grinwis Plaat en C.G. Weijs (Weijs en Griwis Plaats kwamen in Napels aan boord)) met het SS Conrad uit Amsterdam. Voor vertrek hadden zij het boekje va ir. C.L.F. Post gelezen "Over den Waterstaat in Nederlandsch-Indië", wat niet erg positief was over het soort werk wat ze te doen kregen. Zij waren ervan overtuigd dat zij beter werk zouden kunnen leveren. Na aankomst in Batavia konen zij even acclimatiseren en de havenwerken van Tanjung Priok bezoeken. Op 15 maart is het echtpaar naar Surabaya vertrokken met de Generaal Pel, waarna hij verder trok naar zijn standplaats Probolinggo. Het begin van zijn baan was helaas behoorlijk in overeenstemming met het negatieve beeld van ir. Post. Zij vriend, prof. Weijs schreef daarover: "Veel onbelangrijk onderhoudswerk, hoonend vaak „witten en teeren" genoemd. Zoogenaamde „zware reparaties", vooral zwaar met het daaraan verbonden, overdadig administratief gedoe. Nieuwe werken, die, zoo ze vielen op 't gebied der burgerlijke bouwkunde, gecopieerd moesten worden naar aan het Departement samengestelde „normaalprojecten" en, waren ze van anderen aard, ontworpen werden zonder voldoend voorafgaand onderzoek, op veeltijds een allergebrekkigste kennis van de voor hun deugdelijke en doeltreffende behandeling meest onmisbare gegevens."

De waterverdeling van de Pekalenrivier was heel inefficiënt ter hand genomen en hij wilde daar wat aan veranderen. Hij mocht dat waarmaken en werd overgeplaatst naar de dessa Pekalen in het onderdistrict Maron. Hij kreeg huisvesting in "een elk gerief missende, inlandsche sluiswachterswoning, als eenig mogelijk onderkomen aldaar, het had heel wat onaangenaamheden in" (volgens Weijs). In een periode van twee jaar bracht hij het gebied waterstaatkundig in kaart, deed nauwgezette waterstands- en afvoerwaarnemingen en maakte op grond daarvan de hoofdlijnen van een irrigatieplan, dat bekend zou worden onder de naam "Pekalenwerken". Hij heeft hier in eerste instantie over gepubliceerd in Nederlands-Indië, later ook in Nederland in het tijdschrift "De Ingenieur".

In afwachting van de beoordeling van dit voorontwerp aan het Departement en van de door de regering te nemen beslissing werd Lamminga, die inmiddels in 1883 bevorderd was tot ingenieur der 3de klasse, nog in hetzelfde jaar teruggeplaatst bij zijn eerste dienst in de hoofdplaats Probolinggo. Daar trad hij in 1884 gedurende enkele maanden op als eerstaanwezend ingenieur. miniatuur|Bevloeiingswerken op Java Zijn voorontwerp werk goedgekeurd en hij ging in 1885 weer naar Pekalen terug, waar hij verder ging met voortzetting van verschillende waarnemingen, zoals uitgebreide, nauwkeurige, horizontale en verticale terreinopneming en de kartering daarvan en met de samenstelling en uitvoering, achtereenvolgens in verschillende onderdelen, van de daarop steunende eindontwerpen van het zeer uitgebreide complex van werken, dat naar zijn voorontwerp nodig was.

Bij een reorganisatie van de Indische waterstaat werd in 1885 de "Irrigatiebrigade" in het leven geroepen Hij werd toegevoegd aan de in Batavia gevestigde chef van die brigade. Bij de opheffing van deze brigade in 1889 werd hij gesteld onder een meer nabij gelegen chef, nl. onder 5de Waterstaatsafdeling, die Probolinggo tot standplaats had. Ondanks al deze wisseling van diensten, waaronder hij met zijn werken viel, konden de werken echter ongestoord voortgang vinden.

De bedoeling was om deze werken via aanneming door verschillende aannemers te laten uitvoeren. Maar dit werkte niet omdat de aannemers in gebreke bleven. Lamminga ontbond de overeenkomst met de aannemers, en liet de werken daarna vooral in eigen beheer van B.O.W. uitvoeren. Dit gaf hem wel veel extra werk.

In 1891 waren de Pekalenwerken voor hun laatste onderdeel ontworpen en zo ver gevorderd, dat hun algehele voltooiing nog in datzelfde jaar verzekerd was. Lamminga, die inmiddels in 1889 bevorderd was tot ingenieur 2de klasse kon op op dat moment wegens twaalfjarige, onafgebroken dienst aanspraak maken op buitenlands verlof. Omdat de gezondheid van zijn vrouw niet best was besloot hij hiervan gebruik te maken. Het gevraagde verlof voor een jaar werd hem toegestaan. Onder eervolle ontheffing van de taak, die hem zo lang achtereen had bezig gehouden, vertrok hij in het begin van 1892 naar Europa. In Nederland werd zijn verlof met nog een jaar verlengd.

Verlof in Nederland (1892-1895) miniatuur|Verdeelsluis van de Pekalenwerken Van dat verlof maakte Lamminga o.a. gebruik om voor het Kon Instituut van Ingenieurs een volledige beschrijving samen te stellen van zijn werken, zowel wat betreft hun voorbereiding als wat aangaat hun uitvoering. Deze beschrijving, door een zestiental platen toegelicht, werd opgenomen in de Verhandelingen 1894/1895. Veel later, namelijk in De Ingenieur in november 1905 deelde hij mede in hoeverre die werken technisch hadden voldaan, welke wijze van beheer en exploitatie daarvoor was aangenomen en welke uitkomsten financieel en economisch met die werken bereikt waren.

Met name door de publicaties werd het werk van Lamminga veel breder bekend, Hierdoor was het mogelijk om ook een betere verdeling te maken van het water voor de suikerrietcultuur en de cultures der inlandse bevolking. Dit was niet geheel naar de zin van de suikerriet exploitanten, maar door zijn goede takt is hiervoor toch overeenstemming verkregen. Deze overeenstemming is bekend geworden als "Pekalenregeling" en is later leidend geworden voor bevoeiingsregelingen elders op Java.

Dat Lamminga ook is voorgegaan in bijzondere belangstelling voor de economische en financiële uitkomsten van tot stand gebrachte, geregelde bevloeiingswerken, bleek ook al in de publicaties van 1905. Dit heeft hem een zeer bijzondere positie doen innemen voor het economisch onderzoek van tal van latere irrigatieplannen.

Zijn tweede periode in Nederlands-Indië (1895-1904) Na terugkeer in Indië werd hij tijdelijk geplaatst bij het kantoor van de directeur B.O.W. wegens het ontbreken van een geschikte vacature, maar in maart werd hij overgeplaatst aan de 2e waterstaatsafdeling voor de opnemingen en uitvoering van werken voor verbetering van de bevloeiing en de waterafvoer in NoordTegal. In 1900 werd ook Noord-Pekalongan hierbij getrokken. Tot eind maart 1903 bleef hij in die functie. In maart 1896 werd hij bevorderd tot ingenieur 1e klasse.

Strekten de Pekalenwerken zich uit over een bevloeide oppervlakte van rond 10000 bouw, Lamminga's taak gedurende de acht jaar in deze nieuwe functie breidde zich geleidelijk uit over een reeks van belangrijke werken, met tezamen een ruim zestien maal zo grote bevloeide oppervlakte. Deze werken, met een lengte van mer dan 80 km lagen langs de noordkust van Java en waren van west naar oost: De Djengkellokwerken (8000 bouw). Hiervoor werd door hem een voorontwerp opgemaakt, dat leidde tot hun uitvoering. Maar pas in 1903 kon met die uitvoering worden begonnen, zodat onder Lamminga's leiding alleen de eindontwerpen voor de prise d'eau en voor het hoofdkanaal werden samengesteld. De Kaboejoetanwerken (5000 bouw). Deze waren bij zijn komst ten dele uitgevoerd. Onder zijn leiding werden ze voltooid en in exploitatie gebracht. De Babakanwerken (5000 bouw). Hieromtrent valt, wat betreft Lamminga's bemoeienis betreft, hetzelfde te zeggen als voor de Kaboejoetanwerken, onder toevoeging alleen dat aan het bij zijn komst reeds voltooide gedeelte onder zijn leiding nog verschillende verbeteringen werden aangebracht. Binnen de irrigatiegebieden van de drie tot hier genoemde werken werd ook de waterafvoer in hoge mate verbeterd. Daarvoor werd van de rivieren Tjisenggaroeng, Tandjoeng, Kaboejoetan, Tandjongpasar en Babakan de benedenloop genormaliseerd en verruimd. De jaarlijkse inundaties hier waren zo groot dat de grote postweg van Tandjoeng tot Losari gedurende de westmoesson vaak voor lange duur werd overstroomd en de verbinding met een te Tandjoeng gestationeerde prauwvloot moest worden onderhouden. Dit probleem werd, in overeenstemming met de verwachtingen van het ontwerp, dusdoende zo goed als geheel weggenomen.

miniatuur|Het aquaduct en de brug in het Pemali-hoofdkanaal over de Pemali rivier