thumb|Herdenkingssteen in Kennemerduinen waar de lichamen van 92 vermoorde verzetslieden zijn gevonden thumb|Een lokale verzetsgroep van Dalfsen in september 1944 (vooraan rechts Jan Houtman) thumb|Het smokkelen van wapens, verborgen onder een laag hooi, uitgevoerd door Jan Kruis en Anne Wind op 13 april 1945 Het Nederlands verzet in de Tweede WereldoorlogVoor dit artikel is hoofdzakelijk gebruikgemaakt van Dr. L. de Jong (1969-1982), Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog deel 4-7 en 10, Staatsuitgeverij, Den Haag. Veel van onderstaande informatie is passim ontleend en omgewerkt, daarom niet per pagina verantwoord. is de verzamelnaam voor alle personen en groepen die tijdens de Tweede Wereldoorlog weerstand boden aan de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Het verzet kenmerkte zich in vergelijking met andere bezette landen door relatief weinig gewapend en gewelddadig verzet en een zeer succesvolle onderduik, die leidde tot een grote verzetsorganisatie, de LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers). Uiteindelijk doken volgens het NIOD 350.000 Nederlanders onder (een record in bezet Europa), onder wie meer dan 25.000 Joden.

Geschiedschrijving van het verzet De historicus Loe de Jong had een sterke invloed als het ging om de geschiedschrijving van de oorlog en het verzet. Hij was de eerste directeur van het in 1945 opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) en was de auteur van het kolossale werk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, waarmee hij een stevige basis legde voor de geschiedschrijving van de oorlog en zijn stempel drukte op de manier waarop anderen over de oorlog en het verzet schreven.

De Jong maakte een verschil tussen verzet en illegaliteit. Verzet had voor hem een bredere inhoud dan het begrip illegaliteit. Verzet definieerde hij als volgt: "Verzet was steeds verzet tegen de bezetter: elk handelen waarmee men trachtte te verhinderen dat deze de doeleinden verwezenlijkte die hij zich gesteld had".Loe de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7 -2 mei '43 - juni '44, 1976, p. 1030 Onder die doelen verstond De Jong onder andere de omvorming van Nederland naar een nationaalsocialistische staat, de overname van de Nederlandse economie door de Duitsers en de deportatie van de Nederlandse Joden. Verzet kon bijvoorbeeld bestaan uit het luisteren naar Radio Oranje of het dragen van symbolen, zoals gebeurde op Anjerdag. Bij de illegaliteit ging het volgens hem om acties die door de Duitsers verboden waren en altijd in organisatorisch verband. Onder de illegaliteit rekende De Jong niet de Nederlanders die onderdoken of die hulp boden aan onderduikers.

Volgens L. de Jong zijn er tot september 1944 ongeveer 25.000 illegale werkers geweest die optraden in een vast organisatorisch verband. Niet meegeteld zijn individueel opererende verzetsmensen, onderduikers, huisvesters van onderduikers en overige niet bij een verzetsorganisatie aangesloten helpers van de illegaliteit. Vanaf september 1944 nam het aantal illegale werkers flink toe. Ten tijde van de bevrijding maakten circa 60.000 mensen benoorden de rivieren deel uit van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Niet al deze 60.000 leden hadden echter ook vóór de bevrijding werkelijk illegaal werk in engere zin verricht. De Jong schat het totaal aantal illegale werkers, zoals door hem gedefinieerd, tijdens de gehele bezettingstijd op circa 45.000.L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b (Den Haag 1981) pag. 744-746 Deze schatting komt neer op 0,5 procent van ongeveer de gemiddelde Nederlandse bevolking in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op deze definitie kwam later veel kritiek. Zo vond de historicus Bob de Graaff dat De Jong zich te veel had laten leiden door zijn eigen oorlogsverleden en betrokkenheid bij het verzet. De Nederlandse geschiedschrijving zou er bovendien last van hebben gehad dat het verzet zo klein was. Verder is het debat sterk politiek en moreel geladen geweest met het zoeken met een strikte scheiding tussen goed en fout.

Hans Blom leverde gelijksoortige kritiek op De Jongs benadering. Hij stelde in een oratie in 1983 dat veel geschiedschrijving over de oorlog uitgaat van een zwart-witperspectief waardoor er geen sprake is van objectieve geschiedschrijving en er worden bovendien geen nieuwe inzichten ontwikkeld.Hans Blom, In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland (1983) in J.C.H. Blom, Crisis, bezetting en herstel (Den Haag 1989) 105.

Chris van der Heijden stelde in zijn boek Grijs verleden dat het onderscheid tussen verzet en illegaliteit gekunsteld was. Zelf maakte hij het onderscheid tussen verzet en verzetjes. Onder verzetjes verstond hij symbolische daden waarmee mensen hun onvrede toonden, maar geen gevaar liepen.Chris van der Heijden, Grijs verleden. Nederland in de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2002), p. 271

Andere kritiek op De Jongs beschrijving van het verzet kwam in 2015 van een van zijn opvolgers als NIOD-directeur Marjan Schwegman. Doordat hij hulp aan onderduikers niet zag als illegaal werk had hij in standaardwerk ook geen aandacht voor de rol van veel vrouwen die vaak een ondersteunende rol speelden binnen het verzet, en met hem veel historici die schreven over de oorlog. Als de rol van vrouwen al werd beschreven, dan vaak in de rol van koerierster. Alleen de rol van een paar bekende vrouwen die vaak een opzienbarende rol speelden in het gewapend verzet, zoals Hannie Schaft en Truus Menger-Oversteegen, werd vaak verder uitgediept.Hoe vrouwen uit het verzet verdwenen, Trouw, 19 april 2015

Nederlands-Indisch verzet Het verzet in Nederland beperkte zich niet alleen tot deelname van ingezetenen van Nederland, maar ook door inzet van in Nederland in de jaren 1940-1945 verblijvende Indische Nederlanders en leden uit de inheemse bevolking van de voormalige Nederlandse kolonie.Te weinig oog voor Indisch verzet tijdens de Duitse bezetting, Trouw, 4 november 2019

Ten grondslag aan de deelname in het verzet lag de discriminatie jegens hen in Nederland, die zich uitte in een bewijsdrang om beter te willen zijn dan de gemiddelde Nederlander, en bovendien waren zij avontuurlijker ingesteld. Het betrof zowel de totoks als de Indo’s en een aantal Nederlands gezinden uit de inheemse bevolkingsgroepen van Nederlands-Indië. Een aantal was in Nederland op verlof of terug om weer terug te keren, maar het merendeel bestond uit studenten. Zo sloten velen zich aan bij verzetsgroepen of gaven zich op als Engelandvaarder, rond 11%; van de 900 uit Nederland afkomstige RAF-personeelsleden, waren er 207 geboren in Nederlands-Indië. 100 inheemsen uit Nederlands-Indië die een studie in Nederland volgden, werden actief in het verzet. Tot de verzetsgroep rond Gerrit van der Veen behoorden veel uit Nederlands-Indië afkomstige leden en ook zij die banden met Nederlands-Indië hadden, zoals de daar geboren Erik Hazelhoff Roelfzema. Andere verzetsstrijders waren onder andere: Evy Poetiray, inheems ingezetene van Nederlands-Indië, was betrokken bij het drukken en verspreiden van illegaal drukwerk, zoals de Waarheid en Vrij Nederland; Rudy Jansz, van Nederlands-Indische afkomst, vervalste persoonsbewijzen, hielp mensen aan onderduikadressen, zette een knokploeg en een spionageploeg op; Rachmed Koesoemobroto, inheems ingezetene van Nederlands-Indië, ving Joodse kinderen op en bood hen onderdak op onderduikadressen. Vergeten Helden, Seizoen 1 Afl. 2 - Nederlands-Indië, NPO, 3 mei 2022 De inheemse studenten waren verenigd in de tijdens het interbellum opgerichte Perhimpoenan Indonesia.

Fasen in het verzet thumb|Na de Duitse capitulatie werden, althans in de Alblasserwaard, leden van de Landelijke Knokploegen die actief waren geweest in het verzet, opgenomen in de Prinses Irene Brigade In het eerste oorlogsjaar (mei 1940-februari 1941) heerste vrij algemeen het idee dat het met de Duitse bezetting wel enigszins mee zou vallen. Die indruk werd zeker gestimuleerd door de strategie van Seyss-Inquart om Nederland door middel van een 'massage-politiek' geleidelijk rijp te maken voor de nationaalsocialistische ideologie en opname in een Groot-Duits Rijk of een Groot-Germaans Rijk. Dit idee bestond echter het minst bij de groep van ongeveer 15.000 Joodse vluchtelingen uit Duitsland.

Er werd na de capitulatie mondjesmaat actief verzet geboden, laat staan gewelddadig. Er waren mensen die al voor de oorlog besloten hadden niets met totalitaire denkbeelden te maken te willen hebben, van links noch van rechts; de CPN, vrijwel meteen door de Duitsers verboden, riep haar leden op tot actief verzet; in de krantenwereld zagen velen zich genoodzaakt ondergronds te gaan vanwege de censuur die meteen werd ingesteld. Ook veel uit krijgsgevangenschap terugkerende militairen hielden het been stijf.

De enige twee organisaties die onmiddellijk na de Duitse bezetting het ondergrondse verzet gingen organiseren waren de communisten in de CPN en de RSAP onder leiding van Henk Sneevliet. De CPN had al op 15 mei 1940 in het partijgebouw Parlando op het Frederiksplein in Amsterdam een vergadering van de partijleiding waar besloten werd om een ondergrondse organisatie van 2000 personen op te bouwen. Bij de opbouw werd gebruikgemaakt van adviezen van illegale communistische vluchtelingen uit Duitsland. Ze hebben zich van begin af aan verzet tegen de anti-Joodse maatregelen. Een flink aantal leden was van joodse oorsprong. Ook de nieuw verkozen leider voor de ondergrondse CPN Paul de Groot had een joodse achtergrond.

Al direct na de Duitse machtsovername waren er ook niet-communisten die zich opmaakten om weerstand te bieden. De eerste van hen was Bernardus IJzerdraat. Met kettingbrieven en pamfletten werden de burgers opgeroepen het Duitse bewind niet te erkennen. Hier en daar werden plannen gesmeed om tot actie over te gaan. Uit krijgsgevangenschap teruggekeerde militairen namen met elkaar contact op.

De methoden van deze eerste verzetsgroepen waren vaak nogal primitief - vrijwel niemand had enige ervaring. Groepen als de Geuzen en de Oranjewacht werden opgerold voordat ze actie hadden kunnen ondernemen; velen werden ter dood veroordeeld. Pas toen bleek dat de bezetter iedere vorm van protest of verzetsactie met harde hand vervolgde, werd men voorzichtiger en gingen sommigen ondergronds. Het fusilleren van achttien gevangenen (waaronder Bernardus IJzerdraat) op 13 maart 1941 was een grote schok, ook omdat hun vergrijpen niet verder waren gegaan dan kleine sabotagedaden, en geen Duitse slachtoffers hadden gekost. Tegelijk bracht het ook meer mensen in het geweer. Tijdens de oorlog zijn in totaal ruim 3000 Nederlanders gefusilleerd, bijna allemaal verzetsmensen. Slechts enkele groepen als de Oranje Vrijbuiters, CS-6, de Groep Albrecht en de groep-Dobbe hielden het langer vol. Ook het zogeheten Militair Comité van de CPN bleef actief ondanks zware vervolging.

Na de Februaristaking van 1941 en vooral na de April-meistaking van 1943 werd het verzet intensiever. Echter tot aan de zomer van 1943 waren er over de hele breedte nauwelijks mensen die actief verzet pleegden. Daarna namen er méér mensen aan deel en tegelijk werd de druk om zich hechter te organiseren groter.