De National Portrait Gallery (NPG) is een Amerikaans kunstmuseum in Washington dat deel uitmaakt van het Smithsonian Institution. Het museum werd opgericht in 1962 en ging in 1968 open. De collectie richt zich op portretten van Amerikaanse kunstenaars, politici, wetenschappers, uitvinders, activisten en performers die een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis, ontwikkeling en cultuur van het land. Samen met het Smithsonian American Art Museum is de NPG gevestigd in het historische Old Patent Office Building.
Geschiedenis Oprichting De oorsprong van een nationale portrettengalerij in de Verenigde Staten gaat terug tot 1796, toen Charles Willson Peale het American Pantheon oprichtte, ook bekend als Peale's Collection of Portraits of American Patriots. Deze galerie sloot echter al na twee jaar. In 1859 opende in Londen de National Portrait Gallery, maar dit kreeg weinig aandacht in Amerika.Thompson, Bob. "Who Gets Into the National Portrait Gallery, and Why?" Washington Post. June 13, 1999. Pas in 1886 werd het idee van een nationale portrettengalerij in de VS opnieuw naar voren gebracht, toen Robert C. Winthrope, voorzitter van de Massachusetts Historical Society, na een bezoek aan de Londense galerie pleitte voor een soortgelijk instituut in eigen land.
In januari 1919 gingen de Smithsonian Institution, de American Federation of Arts en de American Mission to Negotiate Peace een samenwerking aan om het National Art Committee op te richten. Het doel was het laten maken van portretten van vooraanstaande leiders uit de landen die betrokken waren bij de Eerste Wereldoorlog. Onder de leden bevonden zich onder meer oliemagnaat Herbert L. Pratt, kunstliefhebster Ethel Sperry Crocker, architect Abram Garfield, Mary Williamson Averell, bankier J.P. Morgan, advocaat Charles Phelps Taft, staalmagnaat Henry Clay Frick en paleontoloog Charles Doolittle Walcott. Deze portretten werden in mei 1921 tentoongesteld in het National Museum of Natural History en vormden de kern van de latere NPG-collectie. miniatuur|Andrew Mellon, wiens kunstcollectie een van de fundamenten vormde van de collectie van de National Portrait Gallery. In 1937 schonk Andrew Mellon een omvangrijke collectie klassieke en moderne kunst aan de Amerikaanse overheid, waarmee de National Gallery of Art werd opgericht. Deze collectie bevatte tal van portretten, en Mellon stelde dat deze overgedragen moesten worden aan een toekomstige portrettengalerij. David E. Finley, Jr., advocaat en vertrouweling van Mellon, werd de eerste directeur van de National Gallery of Art en zette zich actief in voor de oprichting van een afzonderlijke portrettengalerij.
In 1957 stelde de federale overheid voor om het Old Patent Office Building te slopen. Na publiek protest en overeenstemming over het behoud van het gebouw, keurde het Congres in maart 1958 het gebruik van het pand door het Smithsonian Institution als museum goed. In 1960 werd er een commissie gevormd om de oprichting van een nationale portrettengalerij in dit gebouw voor te bereiden.
De National Portrait Gallery werd uiteindelijk bij wet ingesteld en officieel opgericht in 1962. De wet omschreef het doel als het tentoonstellen van portretten van "mannen en vrouwen die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis, ontwikkeling en cultuur van het Amerikaanse volk". Aanvankelijk mocht de collectie enkel bestaan uit schilderijen, prenten, tekeningen en gravures.
Bij de oprichting beschikte de NPG slechts over een beperkte collectie. Smithsonian-secretaris S. Dillon Ripley, die in 1964 aantrad, was een fervent voorstander van het nieuwe museum. Onder zijn leiding werd er gekozen voor een selectieve opbouw van de collectie, met zorgvuldig geselecteerde werken op basis van academisch onderzoek. De eerste tentoonstelling, Nucleus for a National Collection, vond plaats in 1965 in het Arts and Industries Building. In 1966 verhuisde het museum samen met de National Fine Arts Collection naar het Old Patent Office Building. Op 7 oktober 1968 werd de NPG officieel voor het publiek geopend.
Renovatie en uitbouw van de collectie In 1969 werd het Old Patent Office Building gerenoveerd door het architectenbureau Faulkner, Fryer and Vanderpool. Deze renovatie leverde het gebouw in 1970 een National Honor Award op van het American Institute of Architects. In 1971 startte de NPG met de National Portrait Survey, een poging om alle portretten in zowel openbare als particuliere collecties in de VS in kaart te brengen en te documenteren.
Op 4 juli 1973 opende de tentoonstelling The Black Presence in the Era of the American Revolution, 1770–1800, de eerste expositie in het museum die volledig was gewijd aan Afro-Amerikanen. In 1974 schonk filantroop Paul Mellon 761 portretten van de Frans-Amerikaanse graveur C.B.J.F. de Saint-Mémin aan het museum.
In januari 1976 keurde het Congres een wetswijziging goed die het de NPG toestond om ook portretten in andere media dan grafische kunst te verzamelen. Hierdoor kon het museum beginnen met het verzamelen van fotografie. Hoewel de Library of Congress aanvankelijk bezwaar maakte om haar eigen rol als fotobeheerder te beschermen, wist NPG-directeur Marvin Sadik de weerstand te doorbreken. In oktober 1976 werd een eigen fotografieafdeling opgericht. De eerste fototentoonstelling, Facing the Light: Historic American Portrait Daguerreotypes, vond plaats in september 1978.
In deze periode werden ook andere kunstwerken aan de collectie toegevoegd. In februari 1977 verwierf het museum een zelfportret uit 1880 van Mary Cassatt, een van slechts twee die zij schilderde. Elf maanden later ontving het een zelfportret van John Singleton Copley, een rond schilderij (een zogeheten roundel), gedoneerd door de Cafritz Foundation.
In mei 1978 schonk het tijdschrift Time 850 originele portretten die tussen 1928 en 1978 op de cover verschenen. In mei 1979 werden deze werken gepresenteerd in een grote tentoonstelling.
De Stuart-controverse miniatuur|Het onvoltooide portret van George Washington door Gilbert Stuart, een van de twee schilderijen die centraal stonden in de Stuart-controverse. In 1979 ontstond een groot conflict rond de poging van de National Portrait Gallery om twee schilderijen van Gilbert Stuart aan te kopen. Het betrof de beroemde, onvoltooide portretten van George en Martha Washington, die eigendom waren van het Boston Athenaeum. Deze instelling, een particuliere collectie, had de schilderijen sinds 1876 in bruikleen gegeven aan het Museum of Fine Arts in Boston. Tegen het einde van de jaren zeventig kampte het Athenaeum echter met financiële problemen. In de twee jaar voorafgaand aan 1979 had het tweemaal aangeboden de portretten aan het Museum of Fine Arts te verkopen, maar het museum weigerde telkens.
Begin 1979 bereikte het Athenaeum een voorlopige overeenkomst met de National Portrait Gallery om de werken te verkopen voor een bedrag van vijf miljoen dollar. Toen de verkoopgesprekken in april 1979 publiek werden gemaakt, leidde dit tot felle tegenstand in Boston.
De directeur van de NPG, Marvin Sadik, weigerde de verkoop te annuleren en stelde dat de portretten van nationaal historisch belang waren en thuishoorden in het Smithsonian. In reactie hierop begonnen prominente inwoners van Boston een inzamelingsactie om vijf miljoen dollar bijeen te brengen om de portretten in Massachusetts te houden. De burgemeester van Boston, Kevin H. White, spande een rechtszaak aan om de schilderijen in Boston te houden, waarbij hij de procureur-generaal van Massachusetts, Francis X. Bellotti, dagvaardde. Volgens de grondwet van de staat is Bellotti namelijk verantwoordelijk voor het toezicht op openbaar bezit. "Iedereen weet dat Washington geen cultuur heeft – ze moeten het kopen," sneerde White.
Op 12 april 1979 kwamen het Athenaeum en de NPG overeen om de verkoop uit te stellen tot 31 december van dat jaar, zodat Boston de tijd kreeg om het benodigde geld in te zamelen. Hoewel de rechtszaak geen volledige blokkade opleverde, had ze wel effect: procureur-generaal Bellotti verklaarde in de zomer dat de Stuart-portretten niet mochten worden verkocht zonder zijn toestemming.
In november 1979 had de inzamelingsactie slechts $ 885.631 opgebracht. Het Museum of Fine Arts beloofde dit bedrag te verdubbelen indien nodig, maar de campagne kwam daarmee nog steeds vier miljoen dollar tekort. Het Athenaeum weigerde de vraagprijs te verlagen en noemde de vijf miljoen dollar een aanzienlijke korting ten opzichte van de werkelijke waarde van de portretten.
Onder toenemende publieke en politieke druk bereikten het Museum of Fine Arts en de National Portrait Gallery op 7 februari 1980 een akkoord over gezamenlijke aankoop. De overeenkomst bepaalde dat de schilderijen eerst drie jaar tentoongesteld zouden worden in de National Portrait Gallery (vanaf juli 1980), en daarna drie jaar in het Museum of Fine Arts in Boston. In maart gaf procureur-generaal Bellotti goedkeuring voor het plan. Conform de overeenkomst werden de portretten op 1 juli 1980 in Washington voor het publiek tentoongesteld.Rosenfeld, Megan. "New Faces in Town". Washington Post. 24 juni 1980; Radcliffe, Donnie. "Back In the Picture". Washington Post. 4 juli 1980.
NPG-directeur Marvin Sadik, die zijn ongenoegen over de Stuart-kwestie al eerder had geuit, nam in januari 1981 een sabbatical van zes maanden. In juli dat jaar kondigde hij zijn vertrek bij het museum aan.
Uitbreiding van de collectie Ondanks de mediastorm rond de Stuart-controverse breidde de National Portrait Gallery haar collectie gestaag uit. In april 1979 verwierf het museum vijf andere portretten van Gilbert Stuart. Deze schilderijen — van de presidenten George Washington, Thomas Jefferson, James Monroe, John Adams en James Madison — stonden bekend als de Gibbs-Coolidge-set en werden zonder enige controverse geschonken door de familie Coolidge uit Boston.
In december van datzelfde jaar kreeg het museum een buste van Alexander Hamilton van John Trumbull, mogelijk gebaseerd op het portret dat later zou worden gebruikt voor het biljet van tien dollar. Ook ontving de NPG een portret van afgevaardigde Fisher Ames, geschilderd door Gilbert Stuart, afkomstig uit de familie van Henry Cabot Lodge in Massachusetts.
In april daaropvolgend schonken Varina Webb Stewart en Joel A.H. Webb belangrijke portretten van Jefferson Davis en zijn echtgenote Varina Howell Davis aan het museum. Beiden waren achterkleinkinderen van het echtpaar Davis. In 1980 verwierf de NPG, via aankopen en bruiklenen, diverse werken van grafisch kunstenaar Howard Chandler Christy. Deze omvatten onder meer zijn beroemde “Christy girl”-rekruteringsposters en geschiedkundige werken zoals Scene at the Signing of the Constitution of the United States.
De "cracked-plate" Lincoln miniatuur|Het "cracked-plate"-portret van Abraham Lincoln, verworven door de National Portrait Gallery als onderdeel van de Alexander Gardner-collectie. Tegen 1981 omvatte de collectie van de National Portrait Gallery meer dan 2.000 objecten. In dat jaar werden ook twee grote negentiende-eeuwse fotografische collecties verworven. De eerste was de Frederick Hill Meserve-collectie, bestaande uit 5.419 glasnegatieven van de beroemde burgeroorlog-fotograaf Mathew Brady en zijn assistenten. Van deze negatieven werden met historisch verantwoorde technieken afdrukken gemaakt, die vervolgens roulerend tentoongesteld werden. The Washington Post omschreef deze aanwinst als het moment waarop de NPG het “epicentrum” van Brady-onderzoek werd.
Later in 1981 kocht het museum nog eens 5.400 glasnegatieven uit de burgeroorlog periode, ditmaal van fotograaf Alexander Gardner, eveneens afkomstig uit de collectie van de familie Meserve. Onder deze beelden bevond zich het beroemde “cracked-plate” portret van Abraham Lincoln, genomen in februari 1865 — de laatste foto van Lincoln vóór zijn dood in april van dat jaar.
Belangrijke aankopen en diefstal