Een zeemanslied gaat over zeelieden, over hun werk aan boord, hun reisbestemming, hun heimwee naar huis en geliefden, over de gevaren op zee en over de mooie kanten van het zeemansleven, over het vechten op zee en over het vissen op zee.
Algemeen
Het zingen van een lied aan boord van zeilschepen tijdens de Grote Zeilvaart had als doel het reilen en zeilen efficiënt te laten verlopen. De oudste verwijzing naar ritmische korte teksten bij het hijsen van zeilen staat in een Engels manuscript uit 1400. Een schip met pelgrims vertrok vanuit Engeland naar Santiago de Compostella. Een van de pelgrims schreef op wat hij hoorde.Hugill pp. 2,3 De verdere ontwikkeling naar het gezongen arbeidslied kwam eind 18e eeuw op gang bij Britse koopvaardijschepen onder de naam shanty. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was in de 17e eeuw de grootste zeevarende natie, maar arbeidsliederen van Nederlandse oorsprong zijn er naar verhouding weinig. Nederlandse zeelui zouden vooral arbeidsliederen in het Engels en het plat-Duits hebben gezongen.Davids pp. 40,41
Bepaalde momenten aan boord werden gemarkeerd door een ceremonielied. Niet het ritme, maar het juiste moment en de volgorde van handelingen waren belangrijk. Zo’n lied was er bijvoorbeeld voor het aflossen van de wacht ’s avonds en ’s nachts. Een ander belangrijk tijdstip was het spreekuur van de chirurgijn. Zijn lied begon steevast met; ‘Kreupelen en blinden, komt laat u verbinden.’
In de schaarse vrije tijd en tijdens werkzaamheden zoals het bereiden van eten en aardappelen schillen werden ontspanningsliederen gezongen. Dat waren zowel vrolijke liederen als liederen over heimwee en over de gevaren van het ruige zeemansleven. Deze ontspanningsliederen werden soms begeleid door een muziekinstrument als dat beschikbaar was. Bij het arbeidslied en het ceremonieel lied werd a capella gezongen. Over oorlogsschepen, vissersschepen, zeeroversschepen en schepen op de routes van en naar de Nederlandse koloniën werden nogal eens lange, verhalende liederen gezongen.
Aan de wal werden er ook zeemansliederen gemaakt. Om het tekort aan goede zeelui op te lossen werden liederen gemaakt waarin het zeemansleven werd verheerlijkt. Met zulke werfliederen probeerde men personeel te werven. De nette burgerij vond de meeste zeemansliederen ordinair en in die kringen begon men eind 18e eeuw nette zeemansliederen te schrijven met opvoedende teksten, die bovendien het nationaal gevoel moesten bevorderen.
Naarmate zeilschepen werden vervangen door stoomschepen en zwaar werk door machines werd overgenomen raakte het arbeidslied aan boord van schepen in onbruik. In de 20e eeuw namen veel populaire zangers en zangeressen nieuw gemaakte zeemansliederen op in hun repertoire. Vanaf de jaren 1970 ontstonden overal in Nederland shanty-koren die de oude zeemansliederen gingen zingen.
Arbeidslied
Bij eentonig werk werden ritmische liederen gezongen, waarbij de voorzanger (shantyman) het tempo aangaf en de coupletten zong. De bemanning zong de refreinen. Het ritme paste bij het soort werk: het wegpompen van water, het hijsen en afnemen van zeilen, het stouwen van lading en ballast, het lichten van het anker, het bedienen van de verschillende vallen en schoten bij verandering van koers, het reven van de zeilen, het opbergen van het grootzeil, het bedienen van de windas, het schrobben van het dek. Als het werk één moment van kracht vereiste, werd een eenregelig refrein besloten met een krachtig woord, bijvoorbeeld pull (trek), haul (haal) e.d. Als het werk constante kracht vergde zoals het ophalen van het anker met een kaapstander (of gangspil) hadden de refreinen meer regels. Uit de 17e en 18e eeuw zijn enkele Nederlandstalige korte, krachtige liedjes bewaard gebleven, waarvan geen melodieën bekend zijn. Ze gaan over het ophalen van het anker en het hijsen en bedienen van de zeilen. Met de voortgaande mechanisering van de scheepvaart in de loop van de 19e eeuw verdween het arbeidslied aan boord geleidelijk omdat het niet meer nodig was. Ze werden bewaard in diverse liederenbundels en vanaf het laatste kwart van de 20e eeuw werden ze door een toenemend aantal shanty-koren gezongen.
Haallied
In de 17e eeuw werden er op VOC-schepen korte arbeidsliedjes gezongen. Bij het ophijsen van bepaalde zeilen zette de bootsman het lied in en de matrozen volgden: Hio hoch / Hio im hoch / Hio settop / Hio setthen droogh / Ay lustig als manne / Ay haaler wat anne. Eenmaal op zee werd bij het naar de wind zetten van de zeilen gezongen: Hio rise / Hio kayre / Hio rietneer / Hio ho. Bij het aanhalen van de schoot klonk: A schot an / A rhken schoot / A kleen en groot / A haalweg. Bij de uitroep ‘A’ werd ademgehaald, daarna kwam de ruk aan de schoot.Kettings schakel met de VOC, Vroege arbeidsliedjes, geraadpleegd 13 juni 2025
Van een haalliedje uit het midden van de 19e eeuw is de melodie bekend: Heintje, Katrijntje, boelijntje,/Amsterdam, Rotterdam, Dordt,/Jenever krijg je een schijntje,/zoutwater bij je gort. Bij de regel met de drie steden werden er drie forse rukken aan de boelijn gegeven.Davids pp. 89-91 Een andere versie begon met Haallijntje, boellijntje, Katrijntje. Tegenwoordig kent het lied vier coupletten.Haallijntje, boellijntje, haallijntje ho
Gangspillied
Bij het bedienen van de gangspil of kaapstander werd onder meer het lied Daar was laatst een meisje loos gezongen. Het bestond vroeger uit twaalf tweeregelige coupletten, waarvan de eerste regel eindigde met O Isabee en het refrein luidde: Jongens, jongens, jongens, wat een Isabee. Gangspilliedjes hebben vaak veel coupletten, waarbij de solist de verhalende tekst zingt en het koor het meestal weinigzeggende refrein zingt. Een voorbeeld: eerste couplet: En toen was er een kind van een jaar of twee,/rendowee rendo,/en toen ging het al met zijn vader op zee,/rendowee rendo. Totaal vijf coupletten, waarbij ten slotte het kind van tien al de Oost en de West had gezien. Ander voorbeeld: eerste couplet: In Hellevoetsluis daar staat een huis,/hoera, de ijzeren man,/daar zijn er de dames van Baggermans thuis,/hoera, de ijzeren man. Totaal negen coupletten over een dame die in vol ornaat naar de kerk gaat. Na elk couplet volgt het refrein: Dan zingen wij vrolijk falderaldera,/wie gaat er met ons mee,/wij varen naar Amerika,/het schip ligt op de ree.Davids pp. 92-101 Het refrein van dit lied vormde het eerste couplet van een lied voor vrolijke landverhuizers die met het schip De IJzeren Man naar Amerika voeren: Daar ligt een prachtig zeekasteel,/Hoera, de ijzeren man,/schoon wappert de vlag dat pronkjuweel,/hoera, de ijzeren man,/daar zingen wij vrolijk tralderaldela,/wie gaat er mee naar Amerika. Daarna volgen nog elf coupletten, waarin het leven aan boord en de verwachtingen over Amerika aan bod komen.
Ballastlied West-Zuid-West van Ameland was een ballastliedje.Nederlandse Liederenbank West-zuidwest van Ameland Eén man zong en de anderen vielen in bij het laatste woord van elke regel en tegelijkertijd gooiden ze dan een schep ballast in het ruim: Hoog, hoog, ja hoog,/ de ballast die is droog,/maar onder op de grond/is hij zo nat als stront. Op Terschelling zong men bij het ballastladen Daar was laatst een meisje loos.Nederlandse Liederenbank Het Matrooze Meisje Een ander ballastliedje ging over huwelijksproblemen van een zeeman: eerste couplet: Ons stuurman heeft er een vrouwtje getrouwd,/en je moest er eens weten hoe of het hem rouwt,/faderalderi, falderaldera, hoera, hoera hoera. Totaal vijf coupletten, waarbij de stuurman met drank zijn verdriet mag verdrinken. Bij het ballast lossen zongen de Terschellingers: Terschelling heeft een hoge toren,/Flieland heeft zijn naam verloren,/Texel is een waaigat,/de Helderse kraaien zingen dat.Davids p. 101
Sterrelied
Een bijzonder arbeidslied maakte Robbert Robbertsz.. Hij was in Amsterdam vanaf 1586 leraar van zeelieden op de grote zeevaart, waarvan de meesten zich alleen op de noordpoolster konden oriënteren. Hij leerde hen ‘op alle sterren te varen’ en voor het praktisch gebruik maakte hij het Sterrelied. Het werd vooraf gegaan door een instructie op rijm, hoe het lied moest worden gebruikt.
Het sterrelied zelf was gemaakt op de wijs van psalm 8. Voor elke maand was er een couplet Door die berijmde coupletten uit het hoofd te leren hadden de zeelui het systeem altijd paraat.Moes pp. 100-105; Het derde couplet van psalm 8 luidt in de berijming van Petrus Datheen: Maar als ik wil aanzien ende bemerken,/De hemelen Heer! Uwer handen werken,/De sterren, de mane, die Gij door 't woord,/Maakt ende stelt een ieder op zijn oord.
Ceremonielied De bemanning was ingedeeld in kwartieren, die om beurten de wacht hielden. Het kwartierlied was zowel op koopvaardijschepen als op oorlogsschepen in gebruik. Binnen de algemene naam kwartierlied kende men het lied van de provoost, het porderslied en de roerzang.Davids pp. 49, 50
Provoostlied De provoost was aan boord van spiegelretourschepen of Oost-Indiëvaarders verantwoordelijk voor orde en gezag. Geconstateerde onregelmatigheden bracht hij voor de scheepsleiding, die de verdachte berechtte. De straffen varieerden van een boete via lijfstraffen (waaronder kielhalen) tot de doodstraf. Maar de provoost had ook een rol in de dagelijkse gang van zaken. Hij zong of riep zijn lied aan het begin van de eerste wacht om acht uur ’s avonds, nadat hij enkele stokslagen tegen de grote mast had gegeven. Aan het eind van de 17e eeuw luidde zo’n lied:
Porderslied Om de matrozen die lagen te slapen wakker te maken voor hun wacht en hen te stimuleren om op te staan (rijzen) werd een porderslied gezongen, zoals:
Bij het tweede wekliedje werd na elke zin met een stok over de traptreden geroffeld en na het gezang werd voor de zekerheid nog geroepen: Heb je ‘t gehoord?
Roerzang
De oudst bekende roerzang verscheen in 1566 in druk en had als lange titel: Het ghoede woort voor die Schipluiden tsavonds te roepen, als men dat Lof beginnen te zingen sal omme Godt te bidden voor alle waarlyckheyt te behoeden, om voorspoet ende ghelucke te geven. De oorsprong van het latere kwartierlied lag in een avondgebed. De roerzang eindigde met: Behouden reis verleen je God./Keer het glas en lui de klok!/Wachtvolk naar boven, de rest naar kooi./Vuren, licht en pijpjes uit./Rollezer! Wachtsvolk, luister naar je namen.Timeëis pp. 102, 103
Aan boord van een Harlinger walvisvaarder werd omstreeks 1860 op de thuisreis een lange roerzang gezongen, die begon met: Hier zeilen wij met Gods verheven,/In zijnen naam voor deze keer,/En zeilen op zijn gebaande wegen,/Ons schip dat slingert heen en weer. De eerste drie coupletten gaan over de gevaren op zee en over de dank aan God die voor een veilige reis zorgt. In het vierde couplet wordt de aflossers gevraagd: Daarom maak u tezaam bereid,/en wilt de zoete slaap afbreken. Het laatste couplet luidt:
Een vergelijkbaar lied werd al in de 17e en 18e eeuw gezongen aan boord van Compagnieschepen. Daar zong een kwartiermeester het bij de wisseling van de wacht om middernacht en wellicht ook om vier uur ’s morgens. Davids pp. 106,107
Lied van de man op wacht