Gerard Veltwijck (Ravenstein, ca. 1505 – Brussel, 1555) was een Brabantse staatsman in Habsburgse dienst, oosters taalkundige, gerenommeerd plantenkenner en heer van Bouchout en Ramsdonk. Hij werd door Karel V als eerste keizerlijke, gevolmachtigde gezant naar de Ottomaanse sultan Süleyman I gestuurd en onderhandelde succesvol over een vredesverdrag tussen het Habsburgse en het Ottomaanse rijk.
Naamsvarianten In akten en andere officiële documenten zoals schepenregisters werd hij doorgaans "Gerard van Veltwyck" genoemd. Zelf ondertekende hij zijn brieven met "Gerardus Veltwyck".Brief van Gerard Veltwijck aan Maria van Hongarije (Nürnberg, 29 april 1543) in: Algemeen Rijksarchief Brussel, Raad van State en Audiëntie, nr. 122, fol. 97r.
Daarnaast gebruikten tijdgenoten van Gerard verschillende varianten. In zijn De humani corporis fabrica (1543) verwees Andreas Vesalius naar zijn vriend Veltwijck als "Gerhardus Vueldbik". De Antwerpse uitgever Daniel Bomberg vermeldde Gerard als "Veltuyck" op de titelpagina van diens boek.
Herkomst In zijn boek Itinera Deserti vermeldde Gerard dat hij van Ravenstein afkomstig was. Ravenstein was een landelijke gemeente in de Brabantse heerlijkheid Land van Ravenstein, gelegen aan de Maas. De inschrijvingslijsten van de Leuvense universiteit vermelden eveneens zijn afkomst van Ravenstein.Inschrijvingsregister Oude Universiteit Leuven, inv. 23, fol. 322. https://agatha.arch.be/data/acts/MATRIKEL_00123374
Volgens andere bronnen was hij afkomstig uit Utrecht: de promotielijsten van de Leuvense universiteit omschreven hem als van 'Trajecto Inferiori' afkomstig.
Van geleerde tot staatsman Opleiding Veltwijck schreef zich op 23 februari 1525 in aan de Leuvense universiteit voor de artes-opleiding. Hij verbleef in de pedagogie De Borcht. In maart 1528 werd hij plechtig tot primus uitgeroepen.
Veltwijck volgde eveneens lessen aan het Collegium Trilingue, het 11 jaar eerder door Erasmus opgerichte college dat de kennis van de oud-bijbelse talen Grieks, Latijn en Hebreeuws wilde bevorderen. Daar kreeg hij Grieks van Rutger Rescius, Latijn van Conrad Goclenius en Hebreeuws ten slotte van Johannes Campensis.
Het is zeer waarschijnlijk dat Veltwijck na zijn basisstudies ook rechten gestudeerd heeft. Daarvoor zijn geen rechtstreekse bewijzen maar in de Geheime Raad werden enkel juristen toegelaten. Bovendien werd hij na zijn Ottomaanse zendingen honoris causa ingeschreven in de rechtenfaculteit van de universiteit van Padua.
Taalkundig geleerde miniatuur|Titelpagina van Itinera Deserti (1539) Na zijn studies te Leuven trok de jonge Veltwijck naar het Italiaanse schiereiland - een gebruikelijke studiereis voor Leuvense studenten in de 16de en 17de eeuw.
Daar legde hij zich toe op geneeskunde en theologie. In 1539 publiceerde hij in Venetië Shevile Tohu of Itinera Deserti, een in het Hebreeuws geschreven polemisch traktaat tegen het joodse geloof. Het rolde van de persen van de bekende drukkerij van Daniel Bomberg; enkele jaren later vertaalde Conrad Pellicanus het in het Latijn.
Met citaten uit de Talmoed en andere rabbijnse bronnen wilde Veltwijck aantonen dat het joodse geloof hol en dwaalziek was, terwijl het christendom de ware leer bood. In een mengvorm van proza en poëzie richtte hij zich tot zijn “stamgenoten” met de oproep tot bekering, waarbij hij ook persoonlijke herinneringen aan zijn jeugd invoegde en kritiek uitte op het gezag van de rabbijnen. Veltwijck beschouwde de kabbalistische traditie als een late en filosofisch beïnvloede leer, verwant aan Pythagoras en Plato, en plaatste ze lijnrecht tegenover de boodschap van Christus.
Zijn keuze om een bekeringswerk in het Hebreeuws te schrijven was uitzonderlijk en maakte indruk op tijdgenoten, die zijn eruditie prezen. Met Shevile Tohu nam Veltwijck een voorname rol op binnen de traditie van bekeerde joodse auteurs die hun kennis van de Hebreeuwse bronnen aanwendden om de superioriteit van het christendom te bepleiten.
Enkele jaren later, in 1542, publiceerde hij opnieuw een Hebreeuws werk, Sefer Amanah (Boek over het Geloof), 'om de ogen van de blinden te verlichten en hen die dwalen op het rechte pad te leiden'. De hebraïst Paul Fagius vertaalde het in het Latijn.
Tijdens zijn verblijf in Italië ontwikkelde Gerard Veltwijck zich tot een gerenommeerd hebraïst. Hij bouwde er een intellectueel netwerk uit, met andere geleerden als Johannes-Albert Widmannstadt, Andreas Masius en de Duitse jood Elia Levita. Met de humanist en latere kardinaal Pietro Bembo sloot Veltwijck vriendschap, die bezegeld werd in een lofdicht van Bembo. Ook kreeg hij toegang tot de kringen van kardinaal Aegidius van Viterbo.
In Habsburgse dienst Dankzij zijn reputatie als beloftevolle geleerde kreeg Veltwijck vervolgens toegang tot de kring rond de Franse ambassadeur in Venetië, bisschop Georges d’Armagnac, een mecenas en humanist. Als lid van diens hofhouding vergezelde Veltwijck de bisschop naar keizer Karel V. Daar werd hij opgemerkt door kardinaal de Granvelle die hem wist te overtuigen in Habsburgse dienst te treden. Veltwijck werd zijn secretaris en zou hem tijdens de eerstvolgende jaren vaak vergezellen in het buitenland.
In 1540 werd Veltwijck benoemd tot secretaris van de Geheime Raad. Hij combineerde dit ambt met frequente opdrachten voor de keizer, onder meer bij religieuze onderhandelingen te Worms (1540) en op de Rijksdag van Regensburg (1541). Ook vergezelde hij Karel V tijdens diens mislukte expeditie tegen Algiers in 1541 en was hij betrokken bij verdere diplomatieke missies in Italië, Spanje en het Roomse rijk.
Zendingen naar het Ottomaanse rijk De nood aan vrede in Zuidoost-Europa miniatuur|Gravure van sultan Süleyman (1562) Na de nederlaag van Hongarije bij de Slag bij Mohács (1526) en de daaropvolgende dood van koning Lodewijk II werd het land inzet van een langdurige strijd tussen de Habsburgers en het Ottomaanse Rijk. Terwijl Johan Zápolya zich met steun van de sultan liet uitroepen tot koning, claimde ook aartshertog Ferdinand de Hongaarse kroon.
De Ottomaanse veldtochten leidden tot de bezetting van Boeda en meerdere belegeringen van Wenen, maar ook tot moeizame vredesonderhandelingen. Tussen 1528 en 1547 werden talloze gezantschappen naar Constantinopel gestuurd, onder wie de Vlaming Cornelius Scepperus in 1533.
Halverwege de jaren 1540 werd zowel voor de Habsburgers als voor Süleyman I duidelijk dat een rustpauze noodzakelijk was in de strijd om Hongarije. De opeenvolgende veroveringen van Buda, Esztergom en Székesféhervár hadden Rooms koning Ferdinand onder zware druk gezet, terwijl het Ottomaanse rijk door de logistieke beperkingen van haar campagnesysteem eveneens nood had aan een adempauze om zich op de oorlog tegen Perzië te richten. In deze context, en met bemiddeling van Frans I van Frankrijk, besloot Karel V zich voor het eerst persoonlijk in de onderhandelingen te laten vertegenwoordigen. Het was in dit spanningsveld dat Gerard Veltwijck in 1545 naar Constantinopel werd gezonden om namens de keizer over een bestand te onderhandelen.
De keuze voor Veltwijck In 1544 kon Veltwijck op de Landdag van Tyrnau de ontevreden Hongaarse grootgrondbezitters geruststellen. Ze maakten zich zorgen over de intenties van de keizer om te onderhandelen met de sultan. Daarom achtte Karel V hem uiterst geschikt voor de opdracht. Veltwijcks uitgebreide talenkennis was eveneens een belangrijke meerwaarde. Bovendien waren de meeste Habsburgse diplomaten jong en ongehuwd - een profiel waaraan ook Veltwijck voldeed.
De eerste zending (1545): wapenstilstand In juni 1545 werd Veltwijck door keizer Karel V naar Constantinopel gestuurd. Hij was de eerste, formele keizerlijke gezant die naar de sultan gezonden werd, in tegenstelling tot Cornelis de Schepper die in 1533 niet officieel in naam van de keizer onderhandelde. Veltwijcks opdracht was om een vredesregeling met het Ottomaanse Rijk uit te werken. Gezien de onervarenheid van de keizer met Habsburgse diplomatie, ging deze in op het voorstel van de Franse koning Frans I om een gezamenlijke zending te sturen. miniatuur|Titelpagina van Favolius' reisverhaal Veltwijck reisde naar Venetië, vanwaar hij de reis voortzette met de Franse diplomaat Jean de Monluc. In Veltwijcks reisgezelschap bevonden zich Matthias Laurijn, een zoon van de Brugse humanist Pieter Laurijn, de Middelburgse student Hugo Favolius en de Griekse kopiist en handschriftkenner Nicander Nucius van Corcyra. Zowel Favolius als Nicander schreven een reisverhaal over deze zending.
Vanuit Venetië werd met galeien de Adriatische Zee overgestoken en aangemeerd in de stadsstaat Ragusa. Vervolgens werd over land - door het bezette Zuidoost-Europa - gereisd. Na een reis van 55 dagen kwam het Frans-Habsburgse gezantschap aan in Constantinopel.
Al snel bleek tijdens de audiëntie met de sultan en de onderhandelingen met grootvizier Rüstem Paşa, dat Süleyman inderdaad nood had aan een militaire rustpauze. Ondanks de intriges van Monluc slaagde Veltwijck erin een wapenstilstand van 18 maanden af te sluiten.
Voor het verstrijken van die termijn moest de keizer opnieuw een gezantschap sturen om te onderhandelen over een vredesverdrag - reeds in de 16de eeuw een gebruikelijke manier van werken. Een aantal zaken bleef immers onuitgeklaard, zoals de overgave van strategisch belangrijke Hongaarse kastelen en het vastleggen van de grens in Hongarije.
De tweede zending (1546-1547): het verdrag van Edirne miniatuur|Audiëntie van een Habsburgse diplomaat bij de sultan (1586) Keizer Karel en Ferdinand kozen opnieuw Gerard Veltwijck om de vredesonderhandelingen tot een goed einde te brengen. Hij was immers een van de best geplaatste diplomaten, na zijn succes in het voorbije jaar. Veltwijck zou officieel handelen in naam van Ferdinand en werd daartoe - net als Cornelius de Schepper 13 jaar eerder - uitgeleend door de keizer aan zijn broer. Hij mocht echter ook in naam van de keizer onderhandelen.
De situatie in Hongarije bleef gespannen, ondanks de wapenstilstand: verschillende kastelen werden veroverd door het Ottomaanse leger en voortdurend waren er grensschendingen. En ook deze keer stuurde de Franse koning een gezant: Gabriel d'Aramont. Maar in tegenstelling tot vorig jaar was dit geen gezamenlijke Frans-Habsburgse delegatie en had Veltwijck meer de handen vrij.
Met een grotendeels onbekend gebleven reisgezelschap vertrok Veltwijck uit Wenen op 12 augustus 1546. Deze keer werd gereisd over land naar Constantinopel. Eind september werd de diplomaat eervol ontvangen aan de poorten van de stad. Enkele maanden later verhuisden de onderhandelingen naar Edirne (het vroegere Adrianopel) omwille van het mildere klimaat.
Ondanks verwoede pogingen van de Franse diplomatie om de gesprekken te bemoeilijken, slaagde Veltwijck er midden juni 1547 in een vredesverdrag (een ahdname of capitulaties) voor 5 jaar af te sluiten. Gedurende die periode was er een vrede van kracht tussen de Habsburgse vorsten Karel en Ferdinand en de sultan. Ook de Franse koning Hendrik II, paus Paulus III en de stadsstaat Venetië waren inbegrepen in het verdrag. Territoriaal werd de status-quo behouden in Hongarije. In ruil voor het bezit van het Habsburgse deel van Hongarije betaalde Ferdinand voortaan een jaarlijks tribuut van 30.000 dukaten dat - door de vele geldsommen voor Ottomaanse functionarissen - een jaar later al opliep tot meer dan 40.000 dukaten.Wenen, Hofkammerarchiv, Reichsakten, nr. 190, fol. 26: Memoriale ad Dominos de Camera pro expeditione Justi de Argento in Turciam. Ook economisch was het vredesverdrag van Edirne belangrijk: kooplieden van de betrokken landen mochten vrijuit reizen in het Ottomaanse rijk en de Barbarijse piraten mochten geen christelijke schepen aanvallen.