alt=Franz Schubert (1846) door Josef Kriehuber|miniatuur|Franz Schubert (1846) door Josef Kriehuber alt=Friedrich Rückert (1826) door Carl Barth|miniatuur|Friedrich Rückert (1826) door Carl Barth Du bist die Ruh' (D. 776; Op. 59, nr. 3) is een lied in mei 1823 gecomponeerd door Franz Schubert (1797-1828). De tekst is afkomstig uit een bundel gedichten van de Duitse dichter Friedrich Rückert (1788–1866). Het is het derde en bekendste van zijn vijf liederen naar gedichten van Rückert, geschreven voor solozang en piano. Het oorspronkelijke manuscript is verloren gegaan.

Beschrijving Tekst Rückerts gedicht afkomstig uit Oestliche Rosen, uitgegeven door Brockhaus in Leipzig in 1822, had oorspronkelijk geen titel. Schubert gebruikte als gewoonlijk de eerste regel van het gedicht als titel van het lied. Rückert gaf zijn gedicht, het 99e van de 356 verzen van de bundel, later de titel Kehr’ ein bei mir. Aangenomen wordt dat de armlastige Schubert de bundel onder ogen kreeg via zijn vriend Franz von Schober die de middelen bezat voor een eigen bibliotheek.

Het lied komt neer op een hymne aan de geliefde die wordt vereenzelvigd met rust, vrede en geluk, een heiligdom waarin de dichter zijn thuis vindt. Semantisch en ook metrisch, met strikt voor iedere uit vier lettergrepen bestaande regel van alle vijf strofen twee jamben met uitsluitend mannelijk eindrijm, bezit de tekst een sterke structuur.

In de eerste strofe is de strekking van “was sie stillt” tweeledig: “stillen” betekent in het Duits zowel voeden als bevredigen.

Het “weihe” uit de tweede strofe bezit de religieuze connotatie van consecreren en wat geconsecreerd wordt, is het oog en hart van de dichter dat plechtig aan de geliefde toegewijd wordt, als het ware de naar God geheven hostie uit de katholieke eredienst.

De derde strofe vormt de kern van het gedicht. Rückerts latere keus voor de eerste regel van deze strofe als de titel van het hele gedicht en het toevoegen van een uitroepteken benadrukt het belang van deze strofe. Het “Kehr’ ein bei mir” betekent niet zozeer trek bij mij in of kom op bezoek, maar komt neer op een liefdesafspraak of een rendez-vous. Het stil de deur achter je sluiten benadrukt dit extra. Ook de gebiedende wijs in het “Kehr’” wijst op het dringend karakter van het verzoek aan de geliefde. Met deze verhulde boodschap omzeilde Rückert niet alleen de censuur, maar vermeed hij ook aanstoot te geven aan de vrouwelijke lezers van de brave almanakken van zijn tijd waarin hij publiceerde en waarvan hij voor zijn inkomen grotendeels afhankelijk was. De naar liefde smachtende Schubert moet vast de betekenis van deze strofe meteen gevat hebben.

De vierde en vijfde strofe presenteren de consummatie van de liefde. Het neologisme Augenzelt (“Zelt” betekent in het Duits tent) uit de laatste strofe valt niet eenduidig te verklaren. Filologische excursie naar het Farsi van de poëzie van de Perzische dichter Rumi, waarmee Rückert als vertaler vertrouwd was, geeft geen uitsluitsel. “Augenzelt” kan misschien het beste begrepen worden als het heiligdom of tabernakel van de ogen, de mystieke plaats waarin de geliefde verblijft overeenkomstig de aanbeveling van de dichter in de tweede strofe. Te denken valt eenvoudig ook aan de uitdrukking de ogen zijn de spiegel van de ziel.

De voortgang in het gedicht verschilt op sommige punten wel van de toonzetting door Schubert, die compact en zingbaar moest zijn. De tweede strofe bijvoorbeeld kenmerkt zich als een lange zin zonder interpunctie. Maar welke zanger houdt het voorgeschreven legato vol zonder adempauze? Schubert laste een cesuur in tussen de eerste en tweede regel.

Muziek Du bist die Ruh' geldt al een van Schuberts meest serene en geliefde liederen met een rustige pianobegeleiding. Het stuk staat in 3/8 maat en heeft als tempo "Langsam". Het is geschreven in barvorm met AAB-structuur en de toonsoort is Es-majeur. Het begint met beide handen die gebroken drieklanken spelen, zacht en langzaam in de G-sleutel.

De eenvoud van de melodie maakt het stuk des te moeilijker om te zingen, omdat het perfecte legato veel ademcontrole vereist. Elke inconsistentie in de klank kan de 'vrede' van het gedicht verstoren. Schubert verleent een teder en zacht karakter aan Rückerts tekst en de eenvoud van de pianopartij versterkt nog eens de eenvoud van het lied. De harmonische progressie herhaalt zich volgens de barvorm en bevestigt telkens de toonsoort van het stuk.

De eerste en tweede strofe zijn bijna exact gelijk aan de derde en vierde, met uitzondering van één noot. De laatste strofe is het begin van het B-gedeelte: "Dies Augenzelt, von deinem Glanz allein erhellt, o füll es ganz!". Zowel de piano als de zang blijven pianissimo tot maat 57, waar op het eind een crescendo volgt en wel in de eerste paar maten van het B-gedeelte. In maat 59 schrijft Schubert forte voor. Hier treffen we de climax en de hoogste noot van het stuk aan, gevolgd door een decrescendo. Daarna volgt een maat rust, en Schubert noteert voor de volgende inzetten weer pianissimo om de stemming van het lied opnieuw te beklemtonen.

Schubert herhaalt deze tekst, waardoor een zesde strofe ontstaat. Hij eindigt de zanglijn op de dominant (Bes), waarna de piano de melodie mooi kan afmaken.. Door de hele partituur heen plaatst Schubert woorden als "vreugde" op de tonica, en woorden als "pijn" op dominante akkoorden.

Du bist die Ruh'

Du bist die Ruh’, der Friede mild, die Sehnsucht du, und was sie stillt.

Ich weihe dir voll Lust und Schmerz zur Wohnung hier mein Aug' und Herz.

Kehr' ein bei mir, und schließe du still hinter dir die Pforten zu.

Treib' andern Schmerz aus dieser Brust! Voll sei dies Herz von deiner Lust.

Dies Augenzelt, von deinem Glanz allein erhellt, O füll es ganz!

Friedrich Rückert, 1819/20

Andere muzikale vertolkingen Franz Liszt heeft veel liederen van Schubert voor piano bewerkt, waaronder ook "Du bist die Ruh’" (S. 558/3). De melodie en harmonieën zijn volledig van Schubert, maar Liszt voegde zijn eigen interpretatie toe, terwijl hij trouw bleef aan de oorspronkelijke strekking van Rückerts gedicht.

"Du bist die Ruh’" werd ook op muziek gezet door Fanny Mendelssohn in haar Opus 7 in 1839.

Bronnen

Categorie:Compositie van Franz Schubert Categorie:Lied (klassieke muziek)