miniatuur|Close-up van de torens van de poort De Porta Soprana, ook bekend als de Porta di Sant’Andrea (in het Ligurisch: Pòrta de Sant’Andria), is een van de bekendste overblijfselen van de middeleeuwse architectuur in Genua. De poort, gelegen op de top van de heuvel Piano di Sant’Andrea, dankt haar historische naam aan de Latijnse vorm Superana, wat "verheven" betekent en verwijst naar haar hoge positie ten opzichte van de rest van de stad.
De huidige architectonische staat is het resultaat van restauraties die tussen 1882 en 1914 werden uitgevoerd door Alfredo d'Andrade. Hij herstelde de poort naar het uiterlijk dat deze vermoedelijk had in de 12e eeuw, tijdens de aanleg van de derde stadsmuur, bekend als de Muren van Barbarossa (1155–1159).
De poort markeerde de toegang tot de stad voor reizigers uit het oosten en vanuit Rome en speelde al een strategische rol sinds de bouw van de tweede stadsmuur (9e–10e eeuw). Samen met de Porta dei Vacca is de Porta Soprana een van de weinige overgebleven poorten van de middeleeuwse muren. De torens zijn tegenwoordig te bezichtigen. In de nabijheid bevindt zich het Huis van Christoffel Columbus, dat nu is ingericht als museum en de historische waarde van het gebied benadrukt.
De inscripties op de poort thumb|upright=1|De inscriptie aan de rechterzijde van de poort (gezien van buitenaf) Aan de binnenzijde van de poort bevinden zich twee Latijnse inscripties in leonische hexameters. Deze verzen, gekenmerkt door een complex systeem van rijm en assonantie, eindigen met een lijst van de consuls die in het jaar 1155 aan de macht waren. In de teksten drukt de Genuese regering haar trots uit over de overwinningen in de Middellandse Zee en de grote macht die de stad had verworven.
In de inscriptie aan de linkerzijde (voor wie van buitenaf binnenkomt) spoort de stad Genua zelf de bezoeker aan om in vrede binnen te treden en de militaire macht van de stad niet uit te dagen. De tekst speelt met de middeleeuwse naam van de stad, Ianua, wat in het Latijn "poort" betekent.
De inscriptie aan de rechterzijde zet de tekst voort. Genua somt haar overwinningen op tegen de Saracenen en herinnert aan het jaar 1155, toen de bouw van de nieuwe muren begon.
De restauraties thumb|left|De Porta Soprana halverwege de 19e eeuw, op een aquarel van Domenico Cambiaso. Links is de ingang van het (nu verdwenen) klooster van Sant'Andrea te zien. Toen de poort haar verdedigende functie verloor en de stadsmuren werden uitgebreid, werd ze vanaf de 14e eeuw letterlijk "opgeslokt" door de stedelijke ontwikkeling, met name door de bouw van de wijk Ponticello. Boven de toegangsboog tussen de twee torens werd een huis gebouwd, dat in de 19e eeuw met een extra verdieping werd verhoogd. In dit huis woonde de zoon van Sanson, de beul die koning Lodewijk XVI had geguillotineerd tijdens de Franse Revolutie.
In de 19e eeuw werden de torens, net als het nabijgelegen klooster van Sant'Andrea, gebruikt als gevangenis ("de Gevangenis van de Toren"), waar ook de cipiers woonden.
Tegen het einde van de eeuw was het monument vervallen tot een reeks gebouwen en waren de kantelen verdwenen. Vanaf circa 1890 werd de poort gerestaureerd onder leiding van architect Alfredo d'Andrade, directeur van de Superintendentie voor Schone Kunsten. Het team van d'Andrade herstelde de noordelijke toren en de boog boven de ingang. Ook werden de beeldhouwwerken van de kapitelen (adelaars in romaans-Pisaanse stijl) opnieuw geïntegreerd.
De zuidelijke toren bleef tot de jaren 1930 onderdeel van een woonhuis. Na de sloop van de wijk Ponticello werd ook deze toren gerestaureerd onder leiding van Orlando Grosso.
Galerij
Categorie:Monument in Genua