De geschiedenis van België begint officieel in 1830, na de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, de oprichting van de zelfstandige constitutionele monarchie België en de erkenning van deze staat door diverse grote mogendheden.

Het ontstaan van een Belgische publieke discours en de kiemen van de negentiende-eeuwse politieke partijen situeerden echter reeds in de achttiende eeuw, met de Brabantse Omwenteling. Het duurde tot 1839 dat Nederland het verlies van de Zuidelijke Nederlanden erkende. Het koninkrijk België verwierf in 1908 de kolonie Congo, toen de Belgische regering zich de Congo-Vrijstaat toe-eigende; tot dan persoonlijk bezit van de Belgische koning Leopold II.

Tijdens beide wereldoorlogen verbleef België onder Duitse bezetting. In 1919, na de Eerste Wereldoorlog, werd het Belgisch grondgebied in het oosten vergroot met een klein stuk Duitsland, de Oostkantons ofwel Eupen-Malmédy-Sankt Vith, tegenwoordig Oost-België met ruim 70.000 Duitstalige Belgen. Vlaanderen kende na de Tweede Wereldoorlog een groeiende economische welvaart, terwijl de traditionele zware industrie in Wallonië teloorging, en de Europese eenwording tot stand kwam, met Brussel als een belangrijke zetel van Europese instellingen. Groeiende verschillen tussen Vlamingen en Franstaligen leidden tot steeds meer wettelijke hervormingen. Na de officiële vastlegging van de taalgrens in 1963 vielen de toenmalige politieke partijen (christendemocraten en liberalen, als laatsten de socialisten) uiteen in Vlaamse en Franstalige zusterpartijen. De unitaire staat werd in 1980 een federale staat, met drie gewesten en drie gemeenschappen. Voor elk van deze entiteiten werden er parlementen en regeringen gecreëerd.

Politieke meningsverschillen tussen de gewesten (Vlaanderen, Brussel, Wallonië) en conflicten op federaal niveau hebben geleid tot verreikende hervormingen van de oorspronkelijk unitaire Belgische staat tot een federaal land, een proces dat na diverse staatshervormingen nog niet voltooid is, wat op termijn zou kunnen leiden tot een vorm van confederalisme of zelfs tot de splitsing van het land. Met name het nationalistische deel van de Vlamingen streeft naar een onafhankelijke Vlaamse staat, een vorm van separatisme.

Prehistorie

thumb|Neanderthalerschedel gevonden in Spy

Paleolithicum Vroegpaleolithicum Vuurstenen werktuigen van jagers en vissers dateren van circa 500.000 v.Chr.Prehistorie, België.nl. Gearchiveerd op 15 juli 2023.

Middenpaleolithicum Archeologische vondsten bewijzen dat in het pleistoceen Noordwest-Europa werd bewoond door de neanderthalers. Deze leefden in een periode waarin warmere perioden werden afgewisseld met koudere perioden (glacialen). Tijdens deze glacialen breidden de poolkappen enorm uit, in die mate zelfs dat zij tijdens het hoogtepunten van deze ijstijden zelfs delen van de Lage Landen bedekten. In de warmere tussenperioden zoals het eemien werd de poolwoestijn vaak vervangen door bossen. De zeespiegel lag echter in deze warme periodes ook een stuk hoger, waardoor delen van de Lage Landen onder water lagen. De laatste van deze ijstijden was het weichselien (116.000 - 11.700 jaar BP). Tijdens deze periode zag het land eruit als een toendra, of poolwoestijn tijdens de koudste stadialen.

Laatpaleolithicum Tijdens de laatste ijstijd, vanaf 40.000 jaar BP, vestigde de moderne mens zich in Noordwest-Europa. Op verschillende plaatsen zijn vondsten van vuursteenindustrieën uit de periode 40.000 - 12.000 jaar BP gevonden. Naast onze soort zijn neanderthalers nog gedurende het grootste deel van het weichselien in Europa aanwezig geweest. Zij verdwenen grotendeels ongeveer 30.000 jaar geleden, tijdens de laatste ijstijd.

Het laatpleniglaciaal (ongeveer vanaf 29.000 jaar geleden) was een lange periode van extreme afkoeling, waarin op de breedtegraden rond de Noordzee nauwelijks meer vegetatie kon groeien. Uit het weichselien zijn menselijke skeletten gevonden. Tijdens het weichselien werd Centraal-Europa bevolkt door nomaden die achter de kuddes aantrokken voor hun voedsel.

Mesolithicum Rond 12.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd en begon het huidige geologische tijdvak, het holoceen. Als gevolg van de temperatuurstijging smolten de ijskappen en steeg ook de zeespiegel opnieuw. In het boreaal vormden zich grote moerassen in de Lage Landen. Het atlanticum (9220 tot 5660 jaar geleden) vormde een lange warme periode.

Late steentijd

In het neolithicum (ca. 4000 v.Chr.) verschenen de eerste landbouwdorpen met ongeveer 100 inwoners. Door het warmer klimaat en het smelten van de ijskap vestigen rondtrekkende groepen in gemeenschappen. Zo vestigt de "Omaliengroep", bekend voor hun bandkeramiek, zich in Haspengouw. Door het ontstaan van deze "dorpen" ontstaat er een landbouweconomie. Anderen specialiseren zich in bijvoorbeeld handwerknijverheid (de Michelsberggroep) en steenindustrie (Spiennes). Vanaf 3500 tot 2000 v.Chr. leefden onder andere in de Kempen, de Leemstreek en de Maasvallei culturen van het middenneolithicum.

Metaaltijden In de middenbronstijd van circa 1500 tot 1100 v.Chr. was onder andere in Vlaanderen en de Kempen onder meer de Famennegroep gevestigd. Aan de hand van verschillende grafvormen worden de verschillende andere groepen onderscheiden.

Tijdens de ijzertijd waren de Hallstattcultuur (700-500 v.Chr.) en de Keltische La Tène-periode de belangrijkste. In deze tijd ontstonden ook enkele versterkte markt- en handelsplaatsen en heuvelforten. Bovendien ontstond er een onderscheid tussen krijgers en de gewone bevolking, waarschijnlijk onder invloed van binnenvallende Kelten. Tussen de Rijn en de Seine, in Noord-Gallië vestigden de Belgae zich, een groep Keltische stammen.

thumb|Het Kolenwoud (groen gekleurd) Het Kolenwoud overdekte het grootste deel van Midden-België. Het Zoniënwoud, Hallerbos, Buggenhoutbos, het Kravaalbos en het Meerdaalwoud, Heverleebos en Egenhovenboscomplex zijn nog overblijfselen van dit woud. Voedsel werd verkregen door jacht en het verzamelen van kruiden en vruchten en een primitieve akkerbouw en veeteelt.

Romeinse tijd thumb|Belgica vlak vóór de inlijving (52 v.Chr.). thumb|Belgica I en Belgica II

Caesar beschouwde de Belgae als sterke tegenstanders bij de verovering van Gallië. Om zijn verliezen te rechtvaardigen schreef hij dat ze de dapperste van alle Galliërs waren: "Horum omnium fortissimi sunt Belgæ". De deels Keltische, deels Germaanse Belgae, waarvan de Morini, de Nervii en de Eburones de grootste bevolking hadden, werden van 57 tot 51 v.Chr. onderworpen door Julius Caesar. Wel vonden er nog enkele opstanden tegen de Romeinse overheersing plaats tot de eerste eeuw na Chr. Onder keizer Augustus werd Belgica (zo genoemd sinds 16-13 v.Chr.) een Romeinse provincia. Pas onder keizer Claudius trad de eigenlijke romanisering op en begon de collaboratie van de inheemse elite met Rome.

Er kwam een geleidelijke vermenging van de inheemse cultuur met Romeinse invloeden op het vlak van taal, wegen- en huizenbouw, stadsaanleg, scheepvaart, kleding en religie. De culturele omschakeling werd ook bevorderd door de aanleg van een aantal heerwegen, waarvan de voornaamste de heirbaan Boulogne-Keulen was, en door de hulptroepen voor het Romeinse leger, die de onderworpen stammen moesten leveren.

Er ontstonden veel nieuwe plaatsen, waaronder Trier, Keulen, Tongeren en Doornik. Vaak hadden deze het achtervoegsel '(i)acum' of 'domein' (vb. in Cortoriacum), 'castra' of 'kamp' (vb. in Kester), of 'castellum' of 'kasteel' (vb. in Kassel). Deze plaatsen maar ook kleinere gemeenschappen (vici) werden een afzetgebied voor de producten van de Noord-Gallische landbouw en de inheemse ambachten. Zo ontstond er een bloeiende handel met Italië en de rest van Gallia, die steeds intensiever werd. Ook ontstonden er in Haspengouw grote landbouwbedrijven (villae) en aan de kust vissersdorpen en zoutwinningsbedrijven. Ook de textielnijverheid kwam sterk opzetten en er werden grote kuddes schapen gehouden voor de wol. Paarden werden gefokt en verkocht door de Trevieren. Andere economische activiteiten waren houthakken, kolenbranden, ijzer-, zink-, en kalksteenwinning.

Vanaf 256 staken Frankische krijgers de Rijn over, werd geheel Gallia geplunderd en werden vele steden en dorpen verwoest. Verschillende Romeinse overwinningen van de keizers Gallienus, Postumus en Probus waren niet effectief genoeg. Keizer Constantius I Chlorus versloeg hen definitief, maar krachtens een verbond dat hij in 296 sloot met een deel van de Franken, de Saliërs, werden ze als verdedigers van de rijksgrens tussen Nijmegen en de zee aangesteld.

Vanaf circa 297 werd Belgica door keizer Diocletianus gesplitst in Belgica Prima (met hoofdstad Trier) in het zuidoosten en Belgica Secunda (met hoofdstad Reims) in het westen. Het in het noordoosten gelegen Germania Inferior (met hoofdstad Keulen) was al aan het einde van de eerste eeuw van Belgica losgemaakt.

Onder druk van de Hunnen bleven de Germaanse stammen echter binnentrekken in de 3e eeuw. Daarom begonnen de Romeinen de bouw van nieuwe limes, namelijk de Litus Saxonicum langs de kust en de fortengordel langs de belangrijkste wegen tussen de kust en de Rijn. Zo kwamen er forten in voornamelijk Oudenburg, Bavay, Kortrijk, Velzeke, Asse, Elewijt, Tienen, Tongeren, Maastricht en Keulen. Toen het gebied ten noorden van deze laatste linie opgegeven moest worden, kon deze limes nog enige tijd weerstand bieden en het gebied ten zuiden ervan bezet blijven. Daaraan zou de taalgrens haar ontstaan te danken hebben.

Merovingische en Karolingische periode

Aanvankelijk vormden de Salische Franken geen eenheid. Ze werden pas verenigd onder de dynastie der Merovingers, genoemd naar koning Merovech. De belangrijkste uit deze familie was wellicht Chlodovech I, die de hoofdstad Doornik verplaatste naar Parijs en zich liet bekeren tot het christendom. Zijn belangrijkste opvolgers, Chlotarius I en Dagobert I, brachten verdere eenheid in het Frankische Rijk. In 639 werd het rijk echter verdeeld in Austrasië en Neustrië, waarvan de grens dwars door het huidige België liep.

In 496, na de strijd tussen de Merovingers en de Allemannen, bij de slag om Zülpich, bekeerde Clovis zich en liet zich dopen, dit leidde de kerstening van West-Europa in de Lage Landen in, door voornamelijk de missionarissen Willibrordus en Amandus. Alle dorpen hadden als centrum een kerk. Soms waren deze kerken erg groot of basilieken, zoals de Sint-Gertrudiskerk van Nijvel en de Sint-Baafs en Sint-Pieters te Gent, beide in 676 gesticht door Amandus. In 675 werd de abdij van Stavelot-Malmédy opgericht door Remaclus. Zo worden er tussen 630 en 740 circa 50 abdijen opgericht in Romaans-België.

thumb|Het zuiden van de Lage Landen met bisschopszetels en abdijen circa 7e eeuw. De abdijen vormden de aanzet tot grotere nederzettingen. De macht van de koningen nam zienderogen af en de hofmeiers, de beheerders van de koninklijke goederen, begonnen hun machtspositie te verstevigen. In 719 liet Karel Martel zich uitroepen tot hofmeier van het hele Frankische rijk. Hij breidde het rijk uit en is bekend vanwege zijn overwinning op de islamieten bij de slag bij Poitiers. Na de dood van koning Theuderik IV oefende hij in eigen naam de koninklijke macht uit. Zijn zoon Peppijn de Korte zette in 751 de laatste Merovingische vorst af. Zo kwam de dynastie van de Karolingen aan de macht. Deze dynastie werd naar Karel Martel genoemd, als eer voor zijn triomf bij de slag van Poitiers. De zoon van Pepijn de Korte, Karel de Grote, was de machtigste vorst van het Frankische rijk, maakte hiervan Aken de hoofdstad, breidde het nog verder uit tussen de Pyreneeën en de Elbe en werd hiervan op 25 december 800 gekroond tot keizer door paus Leo III.