miniatuur|Bissau - brug van Caes - landing van troepen|350x350px De geschiedenis van Guinee-Bissau omvat de prekoloniale, koloniale en postkoloniale geschiedenis in het gebied van de huidige republiek Guinee-Bissau.
Voorkoloniale periode Hoewel de geschiedenis van de regio nog niet uitgebreid is gedocumenteerd door archeologische gegevens, woonde er rond 1000 n.Chr. een bevolking van West-Afrikaanse jagers-verzamelaars. Landbouwers die ijzeren werktuigen gebruikten, volgden al snel.
De oudste bewoners waren de Diola, Papel, Mandjak, Balanta en Biafada. Later migreerden de Mandinka en Fulbe naar de regio, waardoor de eerdere bewoners naar de kust werden verdreven. Er waren al in de 11e eeuw kleine aantallen Mandinka in de regio aanwezig, maar ze migreerden massaal in de 13e eeuw, toen Senegambië werd ingelijfd in het Mali-rijk door de stichter van Kaabu, Tiramakhan Traore. Een proces van "Mandinkisering" volgde. De Fulbe arriveerden al in de 12e eeuw als semi-nomadische herders, maar vormden pas vanaf de 15e eeuw een grote bevolkingsgroep.
De Balanta en Diola hadden zwakke (of niet-bestaande) koningsinstituties, met de nadruk op dorpshoofden en familiehoofden. De leiders van de Mandinka, Fula, Papel, Mandjak en Biafada waren vazallen van koningen met een verscheidenheid aan gebruiken, riten en ceremonies. Edelen bekleedden echter alle belangrijke posities, waaronder het rechtssysteem. Sociale stratificatie was zichtbaar in kleding en accessoires, bouwmaterialen en vervoersmogelijkheden.
Handel was wijdverbreid onder de etnische groepen. Verhandelde goederen waren onder andere peper en kolanoten uit de zuidelijke bossen, ijzer uit de savanne-boszone, zout en gedroogde vis van de kust, en katoentextiel van de Mandinka. Producten werden gewoonlijk verkocht op markten en jaarmarkten, die om de zeven of acht dagen werden gehouden en soms bezocht werden door duizenden kopers en verkopers van tot honderd kilometer ver. Wapens waren verboden op de markt, en er waren soldaten in de omgeving gestationeerd om de orde te handhaven. Marktgedeelten waren bestemd voor specifieke producten, met uitzondering van wijn, die overal verkocht mocht worden.
Koloniale periode
Het kleine West-Afrikaanse land, dat eerder deel uitmaakte van het Ghanese rijk en daarna van het Koninkrijk Mali, kreeg in de 15e eeuw voor het eerst te maken met Portugezen. De eerste versterkte handelsposten langs de kust, zoals Cacheu, werden door hen bestuurd vanuit de noordwestelijker gelegen Kaapverdische Eilanden; toen een strategisch Portugees koloniaal steunpunt. De inheemse bevolking verbouwde traditioneel rijst en won zout. Guinee-Bissau en omgeving werden belangrijk voor de handel in slaven en goud. Niet enkel voor de Portugezen overigens; er daagde ook Franse, Engelse, Nederlandse en zelfs Zweedse, Deense en Duitse concurrentie op.
De Portugezen drongen langs de vele rivieren een eind het continent in en stichtten handelsnederzettingen die uitgroeiden tot kleine lokale centra, zoals Farim en Ziguinchor, tegenwoordig een tamelijk grote stad in buurland Senegal. Langs de oevers van de rivieren Casamance, Cacheu, Geba en Buba ontstond een koloniaal gebied, rond 1700 bekend als Rios da Guiné. Vanaf 1753 werd de versterkte vesting van Bissau gebouwd door Kaapverdianen die speciaal hiervoor waren overgebracht.
Rond 1800 maakte Engeland aanspraak op het eiland Bolama en nabijgelegen kleinere eilanden voor de kust van Guinee-Bissau. De afschaffing van de slavernij in de 19e eeuw veroorzaakte een economische crisis die de introductie van nieuwe gewassen rond de handelsposten tot gevolg had, zoals aardnoten, palmolie en rubberplantages. In 1870 zag Groot-Brittannië af van zijn claims op Bolama en omgeving na bemiddeling van de Amerikaanse president Ulysses Grant.
Portugees-Guinea
miniatuur|Bolama (1930s) In 1879 werd het land officieel een Portugese kolonie. In mei 1886 werd de grens vastgelegd met Frans-West-Afrika, waardoor het gebied rond Casamance definitief Frans werd en Portugees-Guinea in het zuiden een kleine compensatie kreeg. De onderwerping van het binnenland verliep moeizaam en ging vaak gepaard met geweld. Er waren bloedige veldtochten tegen strijdlustige Afrikaanse opperhoofden. Bij het begin van de 20e eeuw startte de Portugese bezetter een campagne tegen stammen in het binnenland, met de hulp van de moslimbevolking langs de kust. Pas in 1915 was er effectieve controle over het hele grondgebied, maar nog geregeld waren er opstanden op verschillende plaatsen. Het zou tot 1936 duren voor de Bissagoseilanden, een groep kleine eilanden in de Atlantische Oceaan, definitief onder koloniale controle kwam.
Tussen de twee wereldoorlogen werd er in en tussen de productiecentra geïnvesteerd in infrastructuurwerken en elektriciteit, wegen en vooral bruggen. Koloniale firma's legden zich toe op de verwerking van pinda's, het voornaamste exportproduct, en op de distributie van consumptiegoederen over het territorium.
De Portugese koloniale wetgeving onderscheidde de bevolking in "ontwikkeld" en "inheems", legaliseerde onder dwang opgelegde arbeid, regelde de bewegingsvrijheid door middel van pasjes en opgelegde routes, en de betrekkingen tussen ambtenaren en de traditionele lokale gezagsdragers. Aan de top van de koloniale maatschappij stond een kleine kern van Portugese leidinggevenden en kaderleden; de ambtenaren waren voor 75 % Kaapverdianen. Ook in de commerciële sector waren de bedrijfseigenaars en bedienden overwegend Kaapverdianen. Op het laagste niveau kwam de grote massa Guineeërs: huisknechten, arbeiders en landbouwarbeiders, ambachtslui en kleine boeren.
In 1942 werd Bissau naast de economische ook officieel de politieke hoofdstad van Portugees-Guinea. In 1950 werden van de ruim een half miljoen inwoners van Guinee slechts 8230 beschouwd als "geciviliseerd": 2273 blanken, 4568 halfbloeden, 1478 zwarten en 11 Indiërs. Van hen waren er 3824 geregistreerd als analfabeet (541 blanken, 2311 halfbloeden en 772 zwarten).
In 1951 hervormde Portugal zijn koloniale systeem en werd Portugees-Guinea een "overzeese provincie". De jaren 1950 worden gekenmerkt door economische en politieke bewustwording. De staking van arbeiders en zeelieden in de haven van Bissau werd op 3 augustus 1959 bloedig neergeslagen en staat bekend als de Slachting van Pindjiguiti.
Onafhankelijkheidsstrijd miniatuur|Amílcar Cabral met Fidel Castro in Cuba (1966) miniatuur|Demonstratie voor Portugese Ambassade te Den Haag i.v.m moord op Amilcar Cabral In 1956 richtte Amilcar Cabral de PAIGC (Partido Africano para a Independência da Guiné e Cabo Verde – Afrikaanse Partij voor de Onafhankelijkheid van Guinee en Kaapverdië) op, die vanaf 1963 tot 1974 de gewapende strijd voor onafhankelijkheid voerde in Guinee-Bissau en Kaapverdië, waar de strijd wegens de omstandigheden clandestien gevoerd moest worden. De opstand in Guinee begon met een aanval op de kazerne van Tite. In 1968 was twee derde van Portugees-Guinea bevrijd door de goed georganiseerde linkse bevrijdingsbeweging, die op sympathie en daadwerkelijke steun kon rekenen in Oost en West, uit de Derde Wereld, de buurlanden (met name Guinee) en bij jongeren van over heel de wereld. Mede daardoor kon Amílcar Cabral diplomatieke successen oogsten met zijn optreden voor de VN-dekolonisatiecommissie en een audiëntie bij paus Paulus VI, samen met zijn strijdgenoten uit Angola en Mozambique.
De gouverneur van Portugees-Guinea, generaal António de Spínola (1968-1973), antwoordde daarop te laat, zo zou blijken, met een strategie die de PAIGC intern in verwarring moest brengen. Zijn programma Por uma Guiné Melhor (voor een beter Guinee) organiseerde een dynamischer bestuur, maar mikte tegelijk op meer rivaliteit tussen diverse bevolkingsgroepen, vaak op raciale gronden. Zo zou de (overwegend uit halfbloeden bestaande) kleine burgerij geplaatst worden tegenover een gelijkaardige nieuwe klasse van lokale évolués ("de échte zonen van het land"). Dit als legitimering naar de buitenwereld toe van de aanwezigheid van Portugal als "stabiliserende factor". In het zicht van de definitieve mislukking van dit beleid pleegden leden van de Portugese geheime dienst PIDE op 20 januari 1973 een dodelijke aanslag op Amilcar Cabral in Conakry. Cabral zou de geschiedenis ingaan als een van de toonaangevende leiders van de koloniale bevrijdingsstrijd.
Onafhankelijkheid alt=Gedenkplaat op het gebouw waar de uitroeping van de onafhankelijkheid in 1973 plaatsvond, Madina de Boé.|miniatuur|Gedenkplaat op het gebouw waar de uitroeping van de onafhankelijkheid in 1973 plaatsvond, Madina de Boé.
Cabral's dood verhinderde geenszins verder succes van de PAIGC in de gewapende strijd. Op 24 september 1973 vergaderde de Nationale Volksvergadering voor het eerst in Madina do Boé, in het zuidoosten van het land en riep daar de soevereine Republiek Guinee-Bissau uit, die vrijwel onmiddellijk door 63 landen werd erkend. De eerste, door de Volksvergadering verkozen president van het land werd Luis Cabral, halfbroer van de vermoorde Amilcar. Geen jaar later, op 25 april 1974, brak in Portugal de Anjerrevolutie los, die het einde inluidde van bijna 50 jaar dictatuur evenals het vertrek van de koloniale troepen uit alle kolonies. Portugal erkende de onafhankelijkheid van zijn voormalige kolonie op 10 september 1974.
In 1980 werd Luis Cabral door een staatsgreep afgezet. De verslechterde economische situatie, waarbij de droogte een rol speelde, maar ook het zwakke beleid van Cabral werden verantwoordelijk gehouden. João Bernardo Vieira werd voor de eerste maal president. Deze staatsgreep maakte ook een eind aan de gemeenschappelijke plannen met Kaapverdië.
Tot in 1984 werd Guinee-Bissau geregeerd door een Revolutionaire Raad van militairen met een PAIGC-stempel. Er werden dat jaar verkiezingen gehouden met door de PAIGC voorgeselecteerde kandidaten voor een parlement dat een grondwet goedkeurde. Onder druk van in Portugal verblijvende oppositie werden in 1989 de eerste wetten geratificeerd waardoor meerdere partijen mogelijk werden, en vakverenigingen, persvrijheid en stakingsrecht gegarandeerd zijn. In 1991 begon een democratiseringsproces. De eerste meerpartijenverkiezingen voor president en parlement werden gehouden op 3 juli 1994 en gewonnen door de PAIGC, voornamelijk door de onderlinge verdeeldheid van de oppositie.
Vanaf 1995 groeide de kritiek op de regering, die verantwoordelijk gehouden werd voor het slechte economische beleid, corruptie, stijgende prijzen en de achteruitgang van de sociale omstandigheden. In 1997 sloot Guinee-Bissau aan bij een groep overwegend Franstalige Afrikaanse landen die de CFA-frank als munt hanteren. De sociale onrust nam hand over hand toe en op 7 juni 1998 brak een militaire opstand uit, geleid door de ontslagen opperbevelhebber van de strijdkrachten, Asumane Mané. Deze opstand werd breed door de bevolking gesteund. Elf maanden lang bevond het land zich in een staat van burgeroorlog, mensen vluchtten naar het binnenland en naar de buurlanden. De PAIGC bestuurde het land tot 7 mei 1999, toen een militaire junta de macht overnam.