De oejezd Letsjchoemi (Russisch: , ; Georgisch: , ) was een bestuurlijke eenheid in het gouvernement Koetais van het onderkoninkrijk van de Kaukasus van het Russische Rijk. De provincie lag in het noordwestelijk berggebied van het moderne Georgië en kwam overeen met de streken Letsjchoemi en Svanetië.
Geschiedenis Het Russische Rijk annexeerde vanaf 1810 het westen van Georgië, maar vond in met name de berggebieden weerstand. De vorstendommen Svanetië en Mingrelië (waar de streek Letsjchoemi onder viel) waren in de eerste helft van de 19e eeuw Russische protectoraten met vergaande autonomie. Na de Krimoorlog werd in Mingrelië en Svanetië lokaal verzet tegen het Russische gezag verslagen en werden de vorstendommen afgeschaft.
Met het einde van de Kaukasusoorlog in 1864 werden deze gebieden in 1867 omgevormd naar het Russische bestuursmodel en ondergeschikt gemaakt aan het gouvernement Koetais met een aantal nieuwe provincies: Letsjchoemi, Senaki en Zoegdidi.
Na de val van het tsaristische bewind hield het gouvernement Koetais op te bestaan, maar de provincies bleven bestaan tot de bestuurlijke hervorming van de Sovjet-Unie in 1929-1930, ook tijdens de Democratische Republiek Georgië (1918-1921). In 1928 werd Letjschoemi kortstonding samengevoegd met Ratsja onder de naam Ratsja-Letsjchoemi, maar in 1930 werd dit opgeheven toen de nieuwe Sovjet-districten werden opgericht.
Economie De belangrijkste economische activiteit in Letsjchoemi was destijds agrarisch van aard, met name landbouw en veeteelt. De voornaamste verbouwde gewassen waren maïs en tarwe en in minder mate gierst, gerst, rogge, bonen en erwten. Ongeveer 2,6% van het totale oppervlak van Letsjchoemi was in gebruik voor de landbouw. In de hoogste en meest onherbergzame gebieden kon alleen gerst en rogge in geringe mate verbouwd worden.
Tuinbouw en wijnbouw kwamen alleen voor in het zuidelijke deel van Letsjchoemi en de warmere delen van Svanetië. De wijnbouw was in sommige gebieden van groot belang voor de bevolking en was de belangrijkste economische activiteit na de graanproductie. De veeteelt vond vooral in het noorden van de provincie plaats, waar uitgestrekte weiden waren op de hellingen van de Grote Kaukasus en het Svanetigebergte. Er was een kleine ambachtelijke industrie, voor voornamelijk lokaal gebruik. De bevolking leefde daarnaast van seizoensgebonden arbeid in andere delen van het land, zoals in de steden Koetaisi, Tbilisi en Batoemi.
Infrastructuur De infrastructuur in de provincie was slecht ontwikkeld en bestond voor het grootste uit landwegen en voetpaden. De enige weg van belang liep door het zuidoosten van de provincie, met een aftakking naar het provinciecentrum Tsageri. Deze Osseetse Militaire Weg was in de tweede helft van de 19e eeuw gebouwd vanaf de stad Koetaisi stroomopwaarts langs de Rioni over de 2820 meter hoge Mamisonpas naar het Ossetisch district van het oblast Terek aan de noordkant van de Kaukasus. Dit werd een belangrijke route tussen de Noordelijke Kaukasus en West-Georgië.
Geografie miniatuur|Brug over de Tschenistskali bij Tsageri (Dmitri Jermakov, circa 1910). De oejezd Letsjchoemi lag in het noorden van het gouvernement Koetais. Heyt gebied grensde binnen het gouvernement in het westen aan het Okroeg Soechoemi (Abchazië), in het zuiden aan de oejezden Zoegdidi, Senaki en Koetais en in het oosten aan Ratsja. Ten noorden van Letsjchoemi lag het okroeg Naltsjik van de oblast Terek en aan de uiterste noordwestelijke punt grensde het district Batalpasji van het oblast Koeban. In 1912 was het gebied afgerond 4.282 vierkante werst groot (4.873 km²). Het gebied van de oejezd Letsjchoemi komt overeen met de historische cultuurgebieden Letsjchoemi en Svanetië, en valt grotendeels samen met de moderne Georgische gemeenten Tsageri, Lentechi en Mestia.
De oejezd Letsjchoemi lag in een bergachtig gebied, doorsneden door hoge bergkammen en diepe kloven. Het gebied was eind van de 19e eeuw voor ruim 53 procent bebost, dat in het noorden bestond uit voornamelijk naald- en berkenbossen. De laagste delen waren in het zuidoosten van de provincie langs de rivier de Rioni. Het noorden van de provincie was het hoogste deel van de Grote Kaukasus met sneeuwbedekte bergen. De provincie kon geografisch in drie delen worden onderverdeeld.
Drie gebieden Het zuidelijke en tevens laagste deel bestaat uit de doorgang van de Rioni en Tschenistskali naar het laagland. Dit gebied staat ook wel bekend als de streek Letsjchoemi. Naar het noorden, voorbij het beboste Letsjchoemigebergte, die het Rioni-bekken scheidt van de bovenloop van de Tschenistskali, ligt de langgerekte vallei van de bovenloop van de Tschenistskali. Dit deel staat bekend als Neder-Svanetië (of ook wel Dadiani-Svanetië, refererend aan de Dadiani-dynastie die hier heerste).
Het klimaat is hier kouder en in het oosten liggen tegen de Grote Kaukasus aan de meest onvruchtbare gebieden. Het grootste verschil is de bevolking. In Letjschoemi wonen voornamelijk Imeretianen, in Neder-Svanetië vooral Svaneten. In het noorden van dit dal bevindt zich het hoge met sneeuw bedekte Svanetigebergte dat tot 4000 meter hoogte reikt en bijna parallel loopt aan de Grote Kaukasus. Dit gebergte scheidt Neder-Svanetië scheidt van het derde gebied, Opper-Svanetië, verdeeld in Vrij-Svanetië en Vorstelijk-Svanetië. Hier bevindt zich de bovenloop van de Engoeri, ingeklemd tussen het Svanetigebergte en de Grote Kaukasus.
Bestuurlijke indeling miniatuur|Het dorp Mazeri van de dorpsgemeenschap Betsjo, de bestuurszetel van het district Svaneti (Vittorio Sella, circa 1890). De provincie Letsjchoemi was ingedeeld in drie gemeentelijke districten (oetsjastok), ook wel politiedistricten genoemd, namelijk Alpani, Svaneti en Tsageri. De nummers I tot en met III in de tabel verwijzen naar de nummers op de etnografische kaart in de infobox en de bijbehorende census van 1886.
Bestuurlijke onderverdeling oejezd Letsjchoemi District Centrum Opp.(werst²) Inwoners 1886 1912 I Alpani Alpana 449 19.164 22.791 II Tsageri Tsageri 1.449 17.609 23.264 III Svaneti Betsjo 2.383 9.527 12.184 Totaal 4.282 46.300 58.239Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886; Kaukasische kalender 1913;
Demografie Volgens de Russische volkstelling van 1897 woonden er op dat moment 47.165 mensen in Letsjchoemi. In 1912 waren dat er 58.239. Demografie van de oejezd Letsjchoemi Jaar Totaal Georgiërs Armeniërs Osseten Joden Russen 1886 46.300 45.673(98,6%) 140(0,3%) - 487(1,1%) - 1897 47.779 47.165(98,7%) 91(0,2%) 9(0%) 441(0,9%) 28(0,1%)Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886; Russische volkstelling van 1897; Kaukasische kalender 1913;
Etniciteit en religie In het oejezd Letsjchoemi woonden vrijwel alleen maar etnische Georgiërs (bijna 99 procent). Hiervan was bijna twee derde Imeretiaan (66,0 procent) en bijna een derde Svaneet (32 procent). De laatste groep woonde voornamelijk in het district Svaneti in het noorden van de provincie. Een Georgisch Joodse gemeenschap van ruim vierhonderd woonde in het dorp Lailasji in het district Alpani. Hier woonden ook alle Armeniërs in de provincie.
In lijn met de bevolkingssamenstelling gaf bijna 99 procent in de volkstelling van 1897 aan tot een Oosters-orthodoxe kerk te behoren. Het merendeel van de rest was Joods en Armeens-Apostolisch. De Svaneten waren nominaal orthodox-christelijk, maar hingen een mengeling aan van heidense en christelijke overtuigingen.
Zie ook Onderkoninkrijk van de Kaukasus (1801-1917)
Referenties
Categorie:Onderkoninkrijk van de Kaukasus (1801-1917)