Petrus Theodorus Hendricus (Piet) Bohncke (Amsterdam, 7 mei 1873 – Blaricum, 9 november 1949) was een Nederlands beeldhouwer.P.A. Scheen (1970), Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950. 's Gravenhage: Kunsthandel Pieter A. Scheen.P.M.J.E. Jacobs (2000) Beeldend Benelux : biografisch handboek. Tilburg: Stichting Studiecentrum voor Beeldende Kunst. . Vol. 1, p. 384. Hij wordt ook vermeld als Piet Böhncke.Onder meer bij Van Praag (1926), Jacobs (2000) en het RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis.

Leven en werk Piet Bohncke was een zoon van bakker Theodorus Gerardus Bohncke (1840-1909) en Anna Maria Catharina Storck (1840-1917) en een oudere broer van de kunst- en decoratieschilder Joop Bohncke. Hoewel hij al jong beeldhouwer wilde worden en een korte tijd bij een beeldhouwer in de leer was, koos hij voor een baan bij Artis om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bohncke begon als hulpoppasser bij de vogels en werd uiteindelijk hoofdoppasser in het reptielenhuis. Hij werkte tweeëndertig jaar in de Amsterdamse dierentuin.C. Hekker, "Kunstenaars in Artis rond 1900. De portefeuille aangeboden aan dr. C. Kerbert bij zijn 25-jarig jubileum als directeur van Artis", Holland, regionaal-historisch tijdschrift, jrg 20, 1988 (4/5), p. 261-270. Hij trouwde in 1898 met Maria Alexandrina Johanna Bergfeld (1872-1945).

Bohncke zal in Artis de kunstenares Marie Kelting (1886-1969) hebben leren kennen. Zij kwam er dagelijks om te schilderen en tekenen. In 1911 werkten zij beiden aan het nieuwe 'kruipdierenhuis' in Artis. Hij was verantwoordelijk voor de inrichting van het reptielenhuis, de stoffering van kasten, terraria en de kruipdierensalon, zij maakte afbeeldingen van de verschillende dieren, die bij de hokken werden aangebracht."Het nieuwe kruipdierenhuis in Artis", De Telegraaf, 13 juni 1911.

In zijn vrije tijd ontwikkelde Bohncke zich alsnog tot beeldhouwer. Hij was grotendeels autodidact, wel kon hij zich, gesteund door C.L. Dake, Antoon Derkinderen en anderen, een jaar lang aan de studie wijden."P.T.H. Böhncke overleden", De Gooi- en Eemlander, 10 november 1949. In de zomer van 1913 kreeg Artis een orang-oetan, een geschenk van de sultan van Serdang. Marie Kelting maakte een affiche met het dier, dat Sultan werd genoemd.Reuzen- Orang oetan in "Artis" Amsterdam, affiche. Bohncke boetseerde de kop van de mensaap. Er werd een plaquette in reliëf van gemaakt, die een plek in het apenhuis kreeg.

In 1915 kreeg Artis-directeur Coenraad Kerbert -op initiatief van Kelting- voor zijn zilveren jubileum een liber amicorum aangeboden. De losbladige portefeuille bevat werken van ruim vijftig kunstenaars, van Bohncke zitten er twee foto's in: van de gemodelleerde kop van Sultan en van de plaquette, beide met zijn signatuur "P. Bohncke".Album Kerbert, Stadsarchief Amsterdam; Kerbert album, RKD. Het bleef niet bij de orang-oetan, N.H. Wolf, hoofdredacteur en recensent van het weekblad De Kunst, noteerde in de loop van de jaren over Bohnckes beeldhouwwerk onder andere: "Zeer verdienstelijk en stijlvol boetseerwerk; met liefde heeft hij zijne modellen bestudeerd : kaketoes en ander gedierte. Ook in dit werk schuilt humor, maar van een anderen aard dan in dat van De Boer." (1917); "weer goede, van het leven afgeziene, fraai geboetseerde Artis-vogels : kakatoes, uil, fazant, en een mooie groep „Strijd” (1918); "P. Böhncke, de specialiteit in papegaaien, die ook hier weer zijn typische, karakteristieke boetseersels inzond : zij beginnen aan het virtuoze te grenzen." (1919); "P. Böhncke, de knappe modelleur, met zijn bekende plastieken „Leguaan”, „Papegaaien” en „Kerkuil”, behoeft geen nadere bespreking. Zij zijn onzen lezers voldoende bekend." (1920) en "P. Bohncke een zijner bekende groepen „Kakatoes”, in marmer gehouwen, prachtig van uitdrukking en van techniek." (1932).N.H. Wolf, "De Onafhankelijken", De Kunst, jrg 10, 1917/1918, no 511, 10 november 1917; "De Bauer-Tentoonstelling", De Kunst, jrg 10, 1917/1918, no 541, 8 juni 1918; "De Bauer-Tentoonstelling", De Kunst, jrg 11, 1918/1919, no 591, 24 mei 1919; "De Onafhankelijken", De Kunst, jrg 12, 1919/1920, no 646, 12 juni 1920; "Levende Nederlandsche Meesters in het Stedelijk Museum te Amsterdam", De Kunst, jrg 24, no 1270, 20 augustus 1932.Zie voor een voorbeeld van zijn kaketoes: Piet Bohncke, Invaluable.com.

In een artikelserie over de relatie tussen Artis en kunst schreef Siegfried van Praag in 1926 over Bohncke dat hij opging "in z'n mooie, dagelijksche werk, het omgaan met dieren. Veel studie maakte hij van ze, en zijn volkomen genegenheid schonk hij hun." Maar op een gegeven moment "werd de behoefte tot schepping van nieuwe dingen zoo sterk in Böhncke, dat hij, na eerst in vrijen tijd de beeldhouwkunst beoefend te hebben, Artis vaarwel zei, om zich als beeldhouwer verder te ontwikkelen. (...) In zijn werk, dat nog jong is, en dat hij nog niet in dure en duurzame materie kan uitvoeren, bewonder ik den droom, die erin leeft en de gedachte. Een diep-gevoelig man, en iemand, die over leven en natuur heeft nagedacht, uit zich in dat werk."S.E. van Praag, "Artis in de kunst", in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, jrg 36 (1926), deel 72, p. 155-162; p. 225-234 en p. 304-310.

Over het werk als kunstenaar zei Bohncke zelf:De Onafhankelijken 1912-1937, jubileumtentoonstelling. Catalogus tentoonstelling Stedelijk Museum Amsterdam 6 februari tot 28 februari 1937. p. 46. thumb|Advertentie in de Nieuwe Haarlemsche courant, 1 maart 1941 Blaricum Bohncke verhuisde in juni 1922 naar Blaricum, waar hij introk bij Marie Kelting, die er een jaar eerder was gaan wonen. Het paar werd er lid van de Kunstenaarsvereniging Laren-Blaricum. In 1931 bood de vereniging een aantal kunstwerken van leden aan de gemeente Blaricum aan, waaronder een beeldhouwwerk van Bohncke."Aanvaarding van kunstwerken door de gemeente Blaricum", Het Vaderland, 4 augustus 1931. Kelting werd in de loop van de jaren diverse keren vermeld als Bohncke-Kelting en bij hun expositie in het Frans Hals Museum in Haarlem (1941) worden ze een kunstenaarsechtpaar genoemd."Echtpaar Böhncke-Kelting exposeert voor de eerste maal in Haarlem", Nieuwe Haarlemsche courant, 2 maart 1941; K. de H., "Een Kunstenaarsechtpaar : P. Böhncke-Marie Kelting in 't Frans Hals", Nieuwe Haarlemsche courant, 5 maart 1941; J.H. de Bois, "Schilderijen door Maria Kelting : Beeldhouwwerk door T. Böhncke in het Frans Hals Museum", Haarlem's Dagblad, 5 maart 1941. Ze trouwden echter pas in december 1945, na het overlijden van Bohnckes eerste vrouw.

Piet Bohncke overleed op 76-jarige leeftijd, hij werd begraven op de Algemene Begraafplaats in Blaricum. Op zijn graf werd een door hem gemaakt beeld geplaatst."De schoonheid van vogels : Een Larense schilderes", De Maasbode, 21 juni 1958. Het jaar na zijn overlijden werd tijdens een tentoonstelling van de Kunstenaarsvereniging Laren-Blaricum in Kunstzaal Hamdorff een deel van zijn werk tentoongesteld."Vereniging van Beeldende Kunstenaars Laren-Blaricum", De Gooi- en Eemlander, 31 mei 1950.

Enkele werken 1915: Sultan, reliëfplaquette in het apenhuis, collectie Artis. 1926: Drie boefjes, beeld voor Jan Klootsema, directeur van het Rijksopvoedingsgesticht in Doetinchem.Foto, Soester Courant, 21 mei 1926. voor 1932: Biddende boer, getoond bij De Onafhankelijken. Vechtende kakatoes, exemplaren in de collecties van Singer LarenFoto's Vechtende kakatoes bij RKD. en van de gemeente Blaricum."Vechtende kakatoes (1)", Kunstwerken in Blaricum. Rustende kakatoes, houten sculptuur in de collectie van de gemeente Blaricum."Rustende kakatoes (2)", Kunstwerken in Blaricum. Aardappelrooiende boer, collectie gemeente Blaricum."Aardappelrooiende boer", Kunstwerken in Blaricum. Reliëfportret P.E. van den Bossche (1849-1921), gegoten bij Becht & Dyserinck.Foto bij RKD.

Tentoonstellingen Bohncke en Kelting exposeerden samen met haar leermeester D.B. Nanninga bij Unger & Van Mens in Rotterdam (1916),A.O., "Bij Unger en Van Mens te Rotterdam", Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, jrg 26 (1916), deel 52, p. 491-495., bij Biesing in Den Haag (1918)"Bij Biesing, Den Haag", Het Vaderland, 6 december 1918. en in de kunstzaal van de bibliotheek in Laren (1939)."Tentoonstelling P. Böhncke, Marie Ketting en D.B. Nanninga te Laren", De Gooi- en Eemlander, 29 juli 1939. Het paar had duo-exposities in kunstzaal Willem Brok in Hilversum (1929), de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in Laren (1934), in Zomerlust in Santpoort (1934)"Tentoonstelling van schilder- en beeldhouwkunst", Haarlem's Dagblad, 1 oktober 1934. en het Frans Hals Museum in Haarlem (1941).

Bohncke exposeerde daarnaast meerdere keren als lid van de Kunstenaarsvereniging Sint Lucas, De OnafhankelijkenZie onder andere "De Jubileums-tentoonstelling der Onafhankelijken", Het leven. jrg 17 (1922), no. 37, 11 september 1922 en Arti et Amicitiae. Hij was vanaf de oprichting in 1926, naast onder anderen Chris Hassoldt, Geertruida van Hettinga Tromp, D.B. Nanninga, Anton Rädecker en Charley Toorop, lid van de Vereeniging van Nederlandsche Beeldende Kunstenaren "De Brug", die het contact tussen kunstenaar en publiek tot stand wilde brengen."De Ver. van Nederl. Beeldende Kunstenaren", De Tijd, 15 februari 1926; "De Vereeniging van Nederlandsche Beeldende Kunstenaren „De Brug"", De Tijd, 10 juli 1926.

Categorie:Nederlands beeldhouwer