Syd Jensen was een Nieuw-Zeelands motor- en autocoureur, ingenieur, piloot en vliegtuigbouwer.

Jeugd Syd Jensen was de zoon van Harold Jensen, een begaafd wielrenner. De familie woonde op een boerderij buiten Palmerston North in de regio Manawatu-Wanganui. Vader en zoon waren erg technisch en geïnteresseerd in gemechaniseerde sporten.

Piloot Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog meldde Syd zich aan bij het Nieuw-Zeelandse leger. Korte tijd later stapte hij over naar de Royal New Zealand Air Force, waar hij werd voorbereid op zijn vliegersopleiding in Canada. Door het einde van de oorlog in 1945 kwam het niet zover, maar in 1947 haalde Syd zijn burger-vliegbrevet. Hij werkte in een aantal technische beroepen, trouwde met Jeanette samen bouwden ze begin jaren vijftig op de boerderij een privé-startbaan en een hangar. Syd maakte zijn vlieguren met demonstratievluchten in Nieuw-Zeeland, maar ging zich ook toeleggen op het onderhoud van vliegtuigen. In 1956 had Jensen al zijn eigen kleine vliegmaatschappij Aerocraft (NZ) Ltd opgericht. Samen met voormalig RNZAF-piloot Alexander Brian Milne richtte hij in 1966 de Palmerston North Flying School op.

Motorcoureur Jensen kocht een Triumph Tiger 100-straatmachine uit 1939, waarmee hij in 1947 de eerste na-oorlogse race in Nieuw-Zeeland won, de Cust Motorcycle Grand Prix op het onverhardeHet circuit in Cust was niet verhard, maar tegen het stof werd het besproeid met bijna 14.000 liter afgewerkte olie stratencircuit in Cust ten noorden van Christchurch, waar hij met zijn oude straatmachine echte productieracers versloeg. Hij opende een motorzaak in Palmerston North, die tevens als werkplaats voor zijn racemotoren diende. In 1948 won hij met de oude Triumph de Cust Grand Prix opnieuw. Hij werd door de New Zealand Auto-Cycle Union geselecteerd om zijn land als coureur te vertegenwoordigen in Internationale races, als eerste in de TT van Man van 1949.

1949 In het seizoen 1949 startte Jensen met een 350cc-AJS 7R "Boy Racer" in de Junior TT van 1949, de eerste race om het wereldkampioenschap wegrace in de geschiedenis en werd daarin twaalfde. Dat was een opmerkelijke prestatie omdat hij nog nooit op het eiland Man gereden had. Het 60km-lange stratencircuit was niet alleen gevaarlijk (het had tot 1949 al 28 dodelijke slachtoffers geëist en tijdens deze race verongelukte Ben Drinkwater), maar ook heel moeilijk om te leren. Zijn tegenstanders hadden bijna allemaal ervaring op dit circuit. Nog opmerkelijker was zijn vijfde plaats in de 500cc-Senior TT, die hij met een geleende Triumph T100GP reed. Hoewel dit een echte productieracer was, was de machine lang niet zo snel als een Norton Manx of de AJS E90. Bovendien was de Triumph niet zo handelbaar als de concurrentie. Hij startte ook nog in de TT van Assen en de Belgische Grand Prix, maar scoorde geen punten meer. Hij sloot het seizoen af als elfde in de 500cc-klasse.

1950 In het seizoen 1950 deed Jensen een poging om de stuurkwaliteiten van zijn Triumph te verbeteren. Hij hing het motorblok in een AJS 7R-frame. Hij scoorde een punt door zesde te worden in de 500cc-race van de TT van Assen en sloot het seizoen af als zestiende in de 500cc-klasse.

In de Europese winters (de Nieuw-Zeelandse zomers) bleef hij in Nieuw-Zeeland racen, vaak vergezeld van zijn gezin en zijn vriend Rod Coleman. In 1951 won hij de Junior-race van de Cust Grand Prix.

Wereldkampioenschap wegrace resultaten Puntentelling 1949  1e  2e  3e  4e  5e  snelste rondePunten:1087651 Puntentelling 1950-1968  1e  2e  3e  4e  5e  6e Punten:864321 Jaar Klasse Team Motorfiets 1 2 3 4 5 6 Ptn Pos Wereldkampioen1949 350 ccPrivé AJS 7R IOM12e ZWI- NED- BEL- ULS- 0 - Freddie Frith, Velocette KTT Mk IV 500 cc Triumph T100GP IOM5e ZWI- NEDDNF BEL9e ULS- NAT- 5 11e Les Graham, AJS E901950 350 cc AJS 7R IOM16e BEL- NED- ZWI- ULS- NAT- 0 - Bob Foster, Velocette KTT Mk IV 500 cc Triumph T100GP-AJSJensen had een 500cc-Triumph-blok in een AJS 7R-frame gemonteerd IOMDNF BEL12e NED6e ZWIDNF ULS- NAT- 1 16e Umberto Masetti, Gilera 500 4C

Autocoureur

In 1953 debuteerde Jensen met de renstal van Ron Frost in de autorace met een J.B.S.-Norton Manx in de 75-mijlsrace in Dunedin. Hij werd (nadat hij bij de start zijn motor had laten afslaan) vijfde. In 1954 startte hij met een J.B.S. voorzien van een JAP-V-twin in de New Zealand Grand Prix in Ardmore waarin hij uitviel. In 1955 was de autorace in Nieuw-Zeeland weliswaar professioneler geworden en Frost had zijn auto's ook gemoderniseerd, maar Jensen reed met een Norton Manx-motor uit 1953, dat ongeveer 50 pk leverde. In een race die werd gewonnen door Prins Bira met een Maserati 250 F (270 pk) en achter twee 3.000cc-Ferrari's werd hij met zijn kleine 500cc-auto zesde. Hij won de Leonard Lord Trophy als eerste Nieuw-Zeelander die de finish haalde. Dit waren races met een vrij "open" reglement. Jensen's Norton-motor mat slechts 500 cc, de JAP waarschijnlijk 1.100 cc, maar er moest tegen veel sterkere auto's gereden worden, zoals de 3.000cc-Alfa Romeo Typo B en de 4.000cc-Maybach Special. In 1956 werd het Levin Circuit bij het Horowhenuameer geopend. Syd Jensen finishte in de eerste race als derde. In januari 1957 werd hij tussen alle Formule 1-auto's met zijn 500cc-Cooper derde in Dunedin. Hij werd in een heuvelklim op Houghton Bay tweede achter Bob Gibbons met een 1.100cc-Cooper. Daarna kocht hij een Cooper T41 met 1.460cc-Climax-motor van Roy Salvadori. Daarmee werd hij in de Christchurch Festival Road Race tweede. Daarna stapte hij weer over op 500cc-motoren. Hij importeerde een Cooper T42 met een ex-fabrieks-Norton Manx motor. Op het Levin-circuit werd hij tweede achter de 2.500cc-Ferrari 555 Formule 1-auto van Tom Clark. In 1958 begonnen de kansen van de lichte 500cc-auto's te slinken. Lokale rijders schafte moderne en snellere fabriekswagens aan, maar Jensen bouwde een replica van zijn Cooper M42. Op de echte circuits (omgebouwde vliegvelden) maakte hij geen kans, maar op het stratencircuit van Dunedin moest hij alleen Ross Jensen (Maserati 250 F) en Bruce McLaren (Cooper-Climax) voor laten gaan. Daarna verkocht hij zijn Cooper aan Bruce Wood, die hem zijn Staride als aanbetaling gaf.

Hij reisde naar Engeland waar hij als gastrijder in de paasraces in de Formule 3 Junior op Brands Hatch derde werd. Hier kocht hij een Cooper T45, die hij zelf in de Cooper-fabriek in Surbiton in elkaar zette. In juli won hij de Anerley Trophy voor Formule 2-auto's op Crystal Palace in een sterk veld met onder andere Ivor Bueb, Jim Russell, Mike Parkes en Alan Stacey. In de BRSCC Trophy op Brands Hatch reed hij een ronderecord, dat later door Stirling Moss en Jack Brabham niet verbeterd kon worden. Daarop reisde hij met zijn 1.500cc-Cooper T45 naar huis, waar hij in 1959 een sterk seizoen reed en Bruce McLaren met diens 2.000cc-auto versloeg.

In 1960 vergrootte hij zijn Cooper T45 naar 2.000 cc, maar zijn concurrenten reden veelal met 2.500cc-auto's. Desondanks won hij races in Dunedin en Ohakea, werd op het Levin Circuit tweede achter Denny Hulme en behaalde derde plaatsen op Teretonga Park en Waimate. Dat leverde hem het Nieuw-Zeelandse Gold Star-kampioenschap op. Hierna beëindigde hij zijn carrière, maar halverwege de jaren zestig reed hij wel weer langeafstandsraces voor toerwagens. Eind 1964 reed hij met een Renault 8 samen met Ross Jensen in de Wills 6-uursrace in Pukehoke. In 1965 deden ze hetzelfde met een Alfa Romeo Giulia. Tussendoor had hij met Angus Hyslop een vijf-uursrace op Teretonga Park gewonnen met een Chrysler Valiant.

Vliegtuigbouwer Jensen vloog ook met de kleine Druine Turbulent, een eenvoudig eenpersoons vliegtuig dat door de Fransman Roger Druine was gebouwd. Mogelijk was dat de inspiratie om zelfbouwkits te gaan maken voor lichte vliegtuigjes met Volkswagenmotor.

Latere leven Naast zijn vliegschool werd hij ook dealer van motorfietsen en auto's en hij werd importeur voor BMW.

Seizoenen Australische, Nieuw-Zeelandse, Zuid-Afrikaanse en Rhodesische coureurs maakten veelal gebruik van de seizoenen op het Noordelijk- en het Zuidelijk halfrond. Tijdens de noordelijke winters reden ze in hun thuislanden, tijdens de noordelijke zomers in Europa. In het Continental Circus vormden deze coureurs, die maandenlang gescheiden van hun gezinnen leefden, een hechte groep. Om hogere startgelden in internationale wedstrijden te kunnen bedingen smeedden ze soms zelfs plannen om races spannender te maken, terwijl de winnaar (elke race een andere) al vooraf bekend was. Dat maakte het racen ook veiliger voor de coureurs, terwijl organisatoren gretig betaalden voor coureurs die voor zo veel "spanning" zorgden.

King of Levin Jensens prestaties in autoraces in Nieuw-Zeeland, met name op het Levin Circuit, leverden hem de bijnaam "King of Levin" op.

Overlijden Syd Jensen overleed op 22 juli 1999 aan de gevolgen van een beroerte.

Categorie:Nieuw-Zeelands motorcoureur Categorie:Nieuw-Zeelands autocoureur