Het Heribertschrijn is een twaalfde-eeuws reliekschrijn waarin de vermeende stoffelijke resten van Heribert van Keulen (ca. 970-1021) worden bewaard. Het schrijn werd voltooid in 1175, waarna de relieken van de heilige er plechtig in werden overgebracht. Het bevond zich oorspronkelijk in de abdijkerk van Deutz. Tegenwoordig staat het op een hoog podium in de parochiekerk St. Heribert van Deutz. Het Heribertschrijn geldt als een hoogtepunt van romaanse edelsmeedkunst.

Geschiedenis Voorgeschiedenis: verering van Heribert

thumb|Glas-in-loodraam in de Sint-Heribertkerk in Kreuzau: Heribert drijft een boze geest uit De verering van Heribert (Heribertus) als heilige begon kort na zijn dood in 1021. Tussen 1046 en 1060 schreef Lantbert van Deutz, scholaster van de abdij van Deutz, de eerste hagiografie van de stichter van zijn abdij. Heriberts bekendste wonder, het regenwonder, wordt in deze legende voor het eerst verhaald. Deze en andere legendes vergrootten de reputatie van Heribert als 'noodheilige' tot ver buiten de stad Keulen. De kerk van Deutz kreeg al snel betekenis als bedevaartsoord. Bijna honderd jaar na Lantbert schreef Rupert van Deutz, net als Lantbert een monnik afkomstig uit Luik, de Vita sancti Heriberti, deels gebaseerd op Lantberts werk. De teksten waren bedoeld om op te roepen tot een deugdzaam leven in dienst van God.

Het gebeente van de bisschop werd op 30 augustus 1147 opgegraven door abt Gerlach en plechtig bijgezet in een houten kist. Een dergelijke elevatio, een verheffing van het gebeente tot de "eer der altaren", gold in de middeleeuwen als een onofficiële heiligverklaring.

Totstandkoming van het schrijn De opdracht voor de vervaardiging van een nieuw schrijn werd rond 1160 door abt Hartbern gegeven. Volgens het oorspronkelijke plan zou alleen de voorkant worden versierd, de Mariazijde. De intentie was om het schrijn in een nis in de westelijke muur van de nieuw gebouwde crypte van de abdijkerk te plaatsen, waar alleen de voorkant zichtbaar zou zijn. Dat plan heeft men om onbekende redenen laten varen. Het idee om geëmailleerde ornamenten te gebruiken, was eveneens afkomstig van Hartbern. Vermoedelijk werden bestaande zilveren reliëfs aangepast en hergebruikt. Onderzoek in de jaren 1990 heeft bevestigd dat onderdelen van het schrijn geprefabriceerd waren en in één keer gemonteerd werden rond 1170-1175. Omstreeks 1175 werden de relieken ceremonieel overgeplaatst naar het voltooide schrijn (translatio). Dendrochronologisch onderzoek heeft aangetoond dat de houten kern van het Heribertschrijn en de daarin geplaatste houten reliekhouder uit de tijd van abt Gerlach stammen. Het levensverhaal van Heribert wordt afgebeeld in grote medaillons op het dak van het schrijn.

Niet bekend is of het ontwerp door één edelsmid is gemaakt of door meerdere. Een veelgehoorde theorie is dat er twee verschillende meesters betrokken waren bij de totstandkoming van het schrijn. Deze theorie werd door de Duitse kunsthistoricus Martin Seidler, na uitgebreid onderzoek (1988-1994), ter zijde geschoven. Eigentijdse bronnen, zoals verslagen of beschrijvingen uit het klooster, zijn waarschijnlijk bij branden en plunderingen verloren gegaan.

Het schrijn als middelpunt van de Heribertdevotie Mede vanwege het regenwonder was het heiligdom van Heribert een populaire bestemming tijdens een pelgrimstocht naar Keulen. Rond 1200 werd Heribert waarschijnlijk de nieuwe patroonheilige van de abdijkerk, die voorheen aan Christus en Maria was gewijd. Het schrijn was voor de monniken het symbool van hun verering voor de stichter van de abdij; door leken werd hij vooral vereerd vanwege zijn wonderen.

thumb|Het schrijn op een tekening uit 1855 De grote emailles met scènes uit het leven van Heribert op het dak van het schrijn, suggereren dat het schrijn niet in de eerste plaats bedoeld was voor eenvoudige pelgrims. De afbeeldingen zijn moeilijk te begrijpen voor leken en de Latijnse inscripties lastig te ontcijferen. Dit heeft geleid tot de veronderstelling dat het iconografisch programma ontworpen was met de monniken in gedachten. Lantbert is waarschijnlijk ook de auteur van een Heribert-officie met liturgische instructies voor het getijdengebed. Daarin worden dezelfde wonderen opgesomd die op het schrijn zijn afgebeeld. Deze verbinding tussen liturgie en schrijnprogramma was volgens kunsthistorici destijds de norm. Het schrijn was dan ook een object van devotie bedoeld voor de monniken. Voor de pelgrims lag de nadruk op de verering van de relieken zelf. Op feestdagen van Sint-Heribertus werd het schrijn gepresenteerd tijdens reliekentoningen en liturgische processies in de kerk. Daarnaast vonden er processies met het schrijn buiten de kerk plaats, zogenaamde 'noodprocessies', onder andere tijdens de pestepidemie van 1428 en driemaal tijdens de Dertigjarige Oorlog, in 1634, 1639 en 1644. Het is waarschijnlijk dat de verering van Heribert niet beperkt was tot enkele dagen per jaar, maar dat de abdijkerk van Deutz een regelmatige stroom van bezoekers kende, wat zeker ook bijdroeg aan het economisch welvaren van het klooster.

Restauraties thumb|Medaillon aan de Mariazijde, voor en na restauratie van 1858-1860 De eerste grote restauratie van het schrijn vond plaats in 1858-1860, in het tijdperk van het historisme. Voor de vervaardiging van liturgische objecten – en ook voor de restauratie van oude – heerste de opvatting dat een goede "neo-middeleeuwse" reproductie even waardevol was als het origineel. Deze "hervorming van de kunsten" werd in het Rijnland belichaamd door de Akense kanunnik en kunsthistoricus Franz Bock, die van 1854 tot 1875 conservator was van het nieuw opgerichte Bisschoppelijk Museum van Keulen (thans Kolumba). De eerste tentoonstelling van het museum omvatte het schrijn van Heribert, dat Bock uitvoerig beschreef in een tweedelig artikel in het tijdschrift Organ für Christliche Kunst.

Naar aanleiding daarvan werd in 1857 besloten het Heribertschrijn te restaureren. Er werd een commissie van toezicht ingesteld, bestaande uit Franz Bock, Vinzenz Statz, Johann Anton Ramboux en Friedrich Baudri. De restauratie werd toevertrouwd aan de edelsmid Franz Xaver Hellner, die bijna drie jaar nodig had om de omvangrijke werkzaamheden te voltooien. Hellner repareerde beschadigde delen en verving zonder schroom ontbrekende stukken. Verschillende apostelbeelden, grote delen van de vergulde dakvlakken met reliëf en veel edelstenen werden vernieuwd. Vooral de Mariazijde van het schrijn kreeg een totaal ander karakter. Een deel van de beschadigde en vervangen onderdelen is nu te vinden in diverse musea. Enkele delen zijn verwerkt in boekomslagen.

Van 1988 tot 1993 werd het schrijn gereinigd en de structuur ervan geconserveerd. Hierbij werden ingrijpende wijzigingen of stilistische aanpassingen vermeden.

Tentoonstellingen thumb|Tentoonstelling Rhin-Meuse / Rijn en Maas in Brussel (1972): het Heribertschrijn staat op de rechter arm van het kruisvormige podium In 1853 werd in Keulen de "Christliche Kunstverein der Erzdiözese Köln" (christelijke kunstvereniging van het aartsbisdom Keulen) opgericht die zich ten doel stelde een museum voor christelijke kunst op te richten, het huidige Kolumba. De eerste tentoonstelling vond plaats in 1854 in de Keulse Gürzenich in Keulen en toonde, zoals eerder vermeld, het schrijn van Heribert. In 1860 was het inmiddels gerestaureerde schrijn opnieuw te zien in Keulen, nu in het eigen gebouw van de Kunstverein. Voorafgaand werd het schrijn twee weken lang tentoongesteld in Kempen, de woonplaats van restaurator Hellner.

In 1972 maakte het Heribertschrijn deel uit van de grote tentoonstelling Rhein und Maas. Kunst und Kultur 800–1400 in de Kunsthalle van Keulen (later dat jaar te zien in Brussel). Centraal in de tentoonstelling stonden zeven 12e-eeuwse reliekschrijnen uit de Rijn-Maasstreek opgesteld. In de tentoonstellingscatalogus wordt het schrijn door Dietrich Kötzsche vrij uitgebreid beschreven. (1972): Rijn en Maas. Kunst en Cultuur 800-1400 (tentoonstellingscatalogus), pp. 277-278. Schnütgen-Museum & Belgische Ministeries van Nederlandse en Franse Cultuur, Keulen/Brussel. Dat het schrijn door twee meesters zou zijn vervaardigd, een uit de Maasstreek en een uit de Rijnstreek, is een opvatting die tegenwoordig (door o.a. Martin SeidlerAuteur van een monografie over het Heribertschrijn: (2016): Der Schrein des Heiligen Heribert. Schnell & Steiner, Regensburg.) niet meer wordt gedeeld.

In 1985 was het schrijn te zien in de tentoonstelling Ornamenta Ecclesiae – Kunst und Künstler der Romanik in Köln, een tentoonstelling georganiseerd door het Museum Schnütgen, waarmee veertig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog de reconstructie van de romaanse kerken van Keulen werd gemarkeerd. Naast het schrijn van Heribert werden ook zijn ivoren kam, zijn staf, zijn drinkkom en diverse zijden doeken uit het schrijn tentoongesteld.

Recente geschiedenis Tot 1944 stond het schrijn in de oostelijke zijkapel van het koor van de parochiekerk van Deutz, die in 1891 was ontworpen door Caspar Clemens Pickel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte de Sint-Heribertuskerk zo zwaar beschadigd dat alleen de buitenmuren overeind stonden. Het schrijn was elders opgeslagen (locatie onbekend) en bleef daardoor behouden.

Van 1949 tot 1951 werd de Heribertuskerk herbouwd door de stadsarchitect van Keulen, Rudolf Schwarz. Het Heribertschrijn werd daarna verplaatst van de zijkapel naar het nieuw ontworpen reliekenaltaar onder de viering.

In 1996 werd in de parochiekerk een kerkelijke schatkamer ingericht. Hier zijn enkele aan Heribert toegeschreven voorwerpen (secundaire relieken)) te zien: zijn drinkbeker (uit de vroege 11e eeuw, later in zilver gevat), zijn staf (begin 11e eeuw) en zijn kazuifel (Byzantijnse zijde, ca. 1000). Ook wordt er een primaire relikwie van Sint-Heribert bewaard in een stralenmonstrans.

Beschrijving thumb|160px|Het schrijn op een hoge sokkel in de parochiekerk van Deutz (2021) Anno 2026 staat het schrijn in een glazen vitrine achter het moderne altaar van de parochiekerk van Deutz. De kist is geplaatst op een groene marmeren plaat, die ondersteund wordt door vier hoge zuilen, zodat het mogelijk is onder het schrijn door te lopen (net zoals bij het Driekoningenschrijn in de Dom van Keulen).

Het Heribertschrijn bestaat uit een eikenhouten kern die bedekt is met verguld koperen en zilveren reliëfs,filigraanwerk, email en edelstenen. De kist is 153 cm lang, 66 cm hoog en 42 cm breed. De vorm lijkt op een langwerpig bouwwerk met een zadeldak. Deze vorm is typerend voor die periode en duidt stilistisch op een datering van vóór 1170. De indeling van de zijgevels is volgens het zogenaamde Nederrijns-Keulse schema, dat voor het eerst werd gebruikt in het midden van de 12e eeuw bij het Victorschrijn in de Dom van Xanten. Het Heribertschrijn is een van de vroegst bewaard gebleven grote schrijnen en een opmerkelijk voorbeeld van vroeg Rijnlands edelsmeedwerk uit de 12e eeuw.De Duitse kunsthistorica Renate Kroos benadrukte juist het "Mosaanse" (Maaslandse) karakter. Volgens haar speelde nationalisme een rol bij de indeling van het Heribertschrijn bij de Rijnlandse edelsmeedkunst. (1985): Der Schrein des heiligen Servatius in Maastricht und die vier zugehörigen Reliquiare in Brüssel, pp. 103-104. Zentralinstitut für Kunstgeschichte, München, . Het is tevens een van de eerste schrijnen waarop scènes uit het leven van een heilige worden afgebeeld.