Dina (Dien) Post-Salomons (Gasselternijveen, 3 juli 1903 – Rijnsburg, 26 februari 1991) was een Nederlandse leerling-verpleegster en verzetsstrijdster tijdens de Tweede Wereldoorlog. Levensloop Post-Salomons werd op 3 juli 1903 geboren in Gasselternijveen (Gasselte) als de middelste dochter van het gereformeerde schippersechtpaar Geert Salomons (1865-1918) en Hilligje Huisingh (1875-1950). De vroedvrouw en veldwachter deden aangifte van haar geboorte bij de burgerlijke stand, omdat haar vader op dat moment op zee was. Tijdens de schoolvakanties voeren Post-Salomons en haar zussen met hun ouders op het ijzeren tjalkschip De Onderneming naar Scandinavië en Oost-Europa. Post-Salomons zat enige tijd in Hamburg (Duitsland) op school toen hun schip er tijdens de Eerste Wereldoorlog noodgedwongen aan de ketting lag. Door het beroep van hun ouders zagen de dochters in hun jeugd meer van de wereld dan veel van hun dorpsgenoten. Toen hun vader in 1918 overleed, trok Post-Salomons met haar moeder en zussen in bij haar grootmoeder Huisingh in Nieuw-Buinen. Post-Salomons werkte van 1923 tot 1924 in Ermelo en Hoogeveen als leerling-verpleegster.
Alle drie de zussen Salomons trouwden met een zoon van Jan Wolters Post (1863-1942) en Trijntje Tempen (1865-1937) uit Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen. Annie (1901-1982) trouwde met Marinus Post (1902-1944) en Mien (1904-1969) met Henk Post (1900-1982).
Op 19 mei 1925, op de bruiloft van Annie, ontmoette Post-Salomons voor het eerst Johannes Post (1906-1944). Op 29 juli 1929 verloofde Post-Salomons zich met Post. Vier maanden later, op 26 november 1929, trouwde de 26-jarige Post-Salomons in Nieuw-Buinen met haar 23-jarige verloofde. In datzelfde jaar vestigde het kersverse echtpaar zich in een pachtboerderij aan de Scheidsche Dijk (later Nieuwlander Straatweg) in Nieuwlande, een relatief jong dorp in een veenkolonie. Het echtpaar werkte op hun boerderij en handelde in pluimvee, eieren en paarden. Ook zette Post een vrachtdienst voor de kleine pluimveehouders uit de omgeving op.
In 1930 werd de eerste zoon van het echtpaar geboren, die tot groot verdriet van zijn ouders een week na de geboorte overleed. Hierna kregen Post-Salomons en haar echtgenoot nog drie zoons en vijf dochters. Terwijl het gezin groeide en Post-Salomons haar handen vol had aan het huishouden, maakte Post carrière als lokaal politicus en wethouder voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) in de gemeente Oosterhesselen. Post-Salomons ondersteunde hem daarbij. Zo regelde zij samen met hem tijdens de economische crisis in de jaren 1930 de benodigde documenten voor werkloze arbeiders.
Oorlog en verzet
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog beperkten Post-Salomons en haar echtgenoot zich tot kleine daden van verzet. Zo weigerden ze om inkomstenbelasting aan de Duitsers te betalen en om hun vee te registreren. Maar in 1942 raakten ze betrokken bij het ondergrondse verzet toen ze de door de Sicherheitsdienst (SD) gezochte tuinarchitect Arnold Douwes onderdak in hun boerderij boden. Het echtpaar maakte onder de vloer van de voorkamer een schuilplaats voor Douwes. In ruil legde Douwes een tuin voor Post-Salomons en haar man aan. Daarnaast hoorde het echtpaar in die tijd van een Joodse vluchteling, die op de boerderij van zus Annie en zwager Marinus in Kampen ondergedoken zat, over de verschrikkelijke activiteiten van de bezetters.
Rond de familie Post vormde zich hierop een verzetsgroep, die Joodse onderduikers vanuit verschillende delen van Nederland, waaronder Amsterdam, naar Nieuwlande begeleidde, waar Douwes geschikte onderduikadressen voor hen zocht. Post-Salomons wachtte de nieuwkomers op bij station Hoogeveen. Vanaf daar bracht ze hen op de fiets naar haar huis, dat dienstdeed als tussenstop. Vervolgens werden de onderduikers naar meer permanente adressen in de omgeving gebracht. De boerderij van Post-Salomons, waar regelmatig meerdere onderduikers tegelijk verbleven, groeide uit tot het centrum van het verzet in Nieuwlande. Enkele van de onderduikers, zoals Douwes en Lien Kuijper, sloten zich aan bij de verzetsgroep.
De op 6 mei 1943 door de bezetters afgekondigde algemene arbeidseinsatz was voor veel Nederlandse mannen reden om onder te duiken. Daarmee nam de vraag naar distributiebonnen en onderduikadressen toe. De verzetsgroep van de familie Post besloot daarop meer samen te gaan werken met de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en om een van de eerste knokploegen (KP) van Nederland op te zetten. De groep vervalste persoonsbewijzen, drukte illegale krantjes en het vernietigde administraties, die ze bij overvallen op instanties bemachtigden. Post-Salomons en haar man creëerden uit voorzorg een onderduikplek voor hun onderduikers en KP-leden in de bossen, die door de tochtige omstandigheden De Bronchitiskeet werd genoemd.
In juli 1943 werd Post voor het eerst gearresteerd. Hierop zocht Post-Salomons hals over kop adressen voor haar kinderen en de aanwezige onderduikers. Andere leden van de familie Post verwijderden alle bezwarende materialen van de boerderij. Het lukte om iedereen te evacueren voordat de boerderij op 19 juli 1943 door twee agenten werd doorzocht. De kinderen van Post-Salomons werden bij verschillende familieleden en vrienden ondergebracht en zaten de rest van de oorlog gescheiden van hun ouders, broers en zussen ondergedoken. Post-Salomons en haar echtgenoot gingen af en toe op de fiets bij hun kinderen langs, maar ze konden nooit lang blijven.
Met de hulp van een bevriende predikant en een behulpzame politieagent, ontsnapte Post in 1943 uit de gevangenis. Post-Salomons voegde zich bij hem in Hoogeveen waar hij tijdelijk was ondergedoken. De daaropvolgende maanden bracht het echtpaar op verschillende adressen door. Omdat Drenthe te gevaarlijk werd, doken ze in oktober 1943 onder in de pastorie van zwager Henk en zus Mien in het Zuid-Hollandse Rijnsburg. Ze sliepen af en toe op de zolder van de oude zondagsschool naar de pastorie en maakten gebruik van vervalste persoonsbewijzen, waarbij ze zich Hemke van der Zwaag en Frederika van der Zwaag-de Graaf noemden.
Post zette in Rijnsburg een nieuwe knokploeg op waarmee overvallen op distributiekantoren voor de Trouwgroep werden uitgevoerd. De groep bestond uit elf mannen en vier vrouwen. Naast Post-Salomons maakten Hilde Dekker, Jaan Jiskoot en Martha van Huessen-Pikaar deel uit van de knokploeg. Zelfs haar zwangerschappen weerhielden Post-Salomons er niet van om deel te nemen. De vrouwen hielden zich niet alleen bezig met huishoudelijke taken en morele ondersteuning, maar waren ook actief als koerierster. Ze voerden activiteiten uit, die de mannen om veiligheidsredenen niet konden doen. Zo zochten de vrouwen adressen voor onderduikers, gaven ze berichten door, legden ze contacten, brachten ze de buit van overvallen weg en vervoerden ze wapens. De vrouwen naaiden kledingstukken met verborgen zakken waarin ze spullen verstopten waardoor zij zwanger leken. Vrouwen waren geschikter voor deze activiteiten dan mannen, omdat de bezetters hen minder snel verdachten en controleerden. Daarom ging vanaf eind 1943 bij de acties van de groep altijd minstens een vrouw mee om de wapens de vervoeren. De vier vrouwen wisselden elkaar af bij de overvallen. Twee van hen leverden de wapens af en namen na de actie de buit in ontvangst. De twee andere vrouwen wachtten hen op, verborgen de buit en verbrandden de papieren.
De knokploeg van het echtpaar Post-Salomons pleegde van oktober 1943 tot maart 1944 vijftien overvallen. De meest succesvolle overval, bedacht door Gezina van der Molen, vond plaats op het politiebureau op de Archimedesstraat in Den Haag waarbij documenten en zo'n 60 wapens buit werden gemaakt. Post-Salomons en Dekker waren tijdens de overval verantwoordelijk voor het vervoer van de wapens en de documenten. De spullen werden door de mannen van de ploeg bij een treinstation aan de twee vrouwen overgedragen. Zij namen plaats in verschillende treincoupés en brachten de wapens naar Jiskoot, die vervolgens zou hebben geroepen: "Stop de revolvers maar onder de klep van het orgel en neem een kom soep!".
Begin 1944 trad Post toe tot de top van de Landelijke Knokploegen (LKP) en werd daarmee verantwoordelijk voor het noorden van het land, waardoor hij veel moest reizen. Hij droeg de leiding van de eigen knokploeg over aan Jan Wildschut, een Brabantse ex-militair die in Nieuwlande bij Post-Salomon en Post ondergedoken had gezeten.
In de zomer van 1944 werd Wildschut na een mislukte overval op een Haarlems distributiekantoor gearresteerd. In de nacht van 14 op 15 juli 1944 organiseerde Post een overval op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam met als doel Wildschut en zeventig andere gevangenen te bevrijden. Door verraad mislukte de actie. Post werd gearresteerd en op 16 juli 1944 in de duinen bij Overveen geëxecuteerd. Dekker en Huessen-Pikaar brachten de familie op de hoogte van het verlies.
Op de vlucht voor de SD vertrokken Post-Salomons, haar zus en zwager vanuit Rijnsburg naar Overijssel. Terwijl Post-Salomons haar ondergedoken kinderen af en toe probeerde te bezoeken, verplaatste ze zich tot het einde van de oorlog van adres naar adres.
Na de oorlog alt=Aankomst mevrouw Post-Salomons en A.J. Andrée Wiltens, Bestanddeelnr 902-4041.jpg|miniatuur|Post-Salomons komt aan bij doop Prinses Christina (9 oktober 1947) Op 13 april 1945 werd Drenthe bevrijd. Post-Salomons werd herenigd met haar zeven kinderen. Ze was op dat moment zwanger van haar jongste zoon, die vijf dagen na de bevrijding werd geboren. Het gezin werd door het voormalig Rijnsburgse verzet opgevangen en ontving financiële steun van Stichting 1940-1945. Zwager Henk bracht het gezin onder in een villa aan de Sandtlaan in Rijnsburg dat was gevorderd door de Rijnsburgse Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Maar het grote gezin had hoge kosten waardoor ze moeite hadden om rond te komen. Daarnaast sliep Post-Salomons door de oorlogstrauma's slecht en was ze altijd nerveus en moe. Uiteindelijk werd ze invalide verklaard en kreeg ze een pensioen.
In november 1945 werd Post samen met honderden andere verzetsstrijders herbegraven op de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Post-Salomons en haar kinderen waren daarbij aanwezig. Post-Salomons werd er voorgesteld aan de koninklijke familie met wie ze daarna contact bleef houden. Op 17 januari 1946 ontving ze een condoleancebrief van de toenmalige koningin Wilhelmina. En op 9 oktober 1947, tijdens de doop van Prinses Marijke (later Christina), de vierde dochter van Prinses Juliana en Prins Bernhard, in de Dom in Utrecht vertegenwoordigde Post-Salomons als peetouder de verzetsstrijders.