De Dagohoy-opstand was een opstand tegen het Spaanse koloniale bewind van 1744 tot 1829 op het Filipijnse eiland Bohol. De opstand onder leiding van Francisco Dagohoy was de langstdurende opstand uit de Spaans-koloniale geschiedenis van de Filipijnen.
Verloop van de opstand Aanleiding De directe aanleiding voor de opstand was de dood van Sagarino, de broer van Francisco Dagohoy. Zijn dood was het gevolg van een opdracht van de Jezuïtische priester Gaspar Morales, de kapelaan van Inabangan op Bohol. Volgens een relaas van de Franciscanen, de kloosterorde die dit gebied later overnamen van de Jezuïeten na hun verbanning uit de Filipijnen was de broer van Dagohoy gerechtsdienaar en werd hij er door Morales op uit gestuurd om een afvallige op te sporen en arresteren. Deze afvallige doodde uiteindelijk echter de broer. Francisco Dagohoy vond het lichaam van zijn broer en bracht het terug naar het dorp. Morales weigerde vervolgens om hem in heilige grond te begraven, omdat hij omgekomen was in een duel, hetgeen verboden was door de katholieke Kerk. Het lichaam lag vervolgens drie dagen lang weg te rotten.Blair, E. H., Robertson, J. A., Vol 48, p.147 Historicus Renato Constantino gaf een andere versie van de gebeurtenissen. Volgens hem was Dagohoy's broer Sagarino zelf een afvallige, die afstand had gedaan van het christendom. Daarop had de priester Morales een gerechtsdienaar opdracht gegeven Sagarino te arresteren, die de gerechtsdienaar uiteindelijk wist te doden voor hijzelf ook kwam te overlijden.Constantino, p.102-105
Opstand Francisco Dagohoy was zeer ontstemd over wat er gebeurd was en zwoor wraak op Jezuïeten. De misstanden en tyranie waarmee de lokale bevolking te maken hadden gehad zorgden ervoor dat hij in korte tijd zo'n 3.000 mensen wist te verzamelen, waarmee hij vervolgens een opstand begon. De opstand begon op 24 januari 1744 met de moord op Giuseppe Lamberti, de Jezuïtische priester van Hagna. Niet lang daarna werd ook priester Morales omgebracht. De opstandelingen plunderden het landgoed San Xavier dat toebehoorde aan de jezuïeten en vestigden zich in een afgelegen heuvelachtig gebied. Hier bouwden ze in de loop der jaren een bestaan op, waarbij ze onafhankelijk van de Spanjaarden konden voortleven. Een Spaanse expeditie die in 1747 naar Bohol werd gestuurd veroverde wel enkele dorpen, maar slaagde er niet in om Dagohoy of andere leiders gevangen te nemen in de heuvels.
De bisschop van Cebu Miguel Lino de Ezpeleta bood de opstandelingen aan om de Jezuïeten te vervangen door seculiere priesters. Zo wilde hij hen overtuigen om zich over te geven en zich weer onder het gezag van de Spanjaarden te laten plaatsen. De opstandelingen voelden zich door deze zachte aanpak door de Spaanse autoriteiten echter gesterkt in hun streven naar onafhankelijkheid en waren niet van plan de opstand op te geven. Nadat de jezuïeten in 1768 gedwongen werden om de Filipijnen te verlaten werden deze gebieden overgedragen aan de Franciscanen. Ook zij probeerden te onderhandelen met de opstandelingen. Een priester trok de heuvels in om met Dagohoy te onderhandelen om terug te keren onder Spaans bewind, maar uiteindelijk bleef de opstand voortduren.
Tientallen jaren wisten de opstandelingen daarna onafhankelijk te blijven van het Spaanse koloniale bewind. De relatief grote afstand tot Manilla droeg daar zeker aan bij. Daarnaast speelde het feit dat de opstandelingen zich hadden verschanst in een heuvelachtige afgelegen omgeving ook een rol. Hun uitvalsbasis werd omgeven werd door landerijen waardoor ze zelfvoorzienend waren. In deze nieuwe samenleving leefden de opstandelingen vrij, zonder belasting te hoeven te betalen en zonder gedwongen arbeid te hoeven te leveren voor de Spanjaarden. Het succes van de opstand deed hun aantallen groeien tot maximaal 20.000 mensen. Ondanks het feit dat de opstand begonnen was met afschuw over de misstanden van de katholieke jezuïtische priesters leefden de opstandelingen ook volgens de katholieke gebruiken, waarbij eigen mensen de taken van de Spaanse priesters overnamen. Twintig Spaanse gouverneur-generaals van Gasper de la Torre (1739–45) tot Juan Antonio Martínez (1822–25) slaagden er niet in om deze opstand te onderdrukken. Ook na de dood van Francisco Dagohoy bleef de opstand voortduren.
Einde van de opstand Het was uiteindelijk gouverneur-generaal Mariano Ricafort die een einde maakte aan de opstand, die al meer dan 80 jaar gaande was aan het begin van zijn termijn als gouverneur. In 1827 werd de dreiging voor de dorpen in Bohol die nog loyaal waren aan de Spanjaarden zo groot dat Ricafort zich gedwongen zag om in te grijpen. In 1827 stuurde hij een eerste expeditie van zo'n 2.200 mannen onder leiding van Jose Lazaro Cairo, de alcalde mayor (burgemeester) van Cebu. De expeditie trok op 7 mei van dat jaar Bohol binnen, maar wisten de opstandelingen niet definitief te verslaan. Na een treffen in Caylagan, in Danao trokken ze zich terug in de heuvels bij Boasa, waar ze zich wisten te verschansen. Een tweede en grotere expeditie van zo'n 6000 manschappen en artillerie vertrok in april 1828 onder leiding van kapitein Manuel Sanz. De manschappen die bij deze expedities werden ingezet waren deels Spaans, maar grotendeels waren het Filipijnse troepen uit Bohol en het naburige Cebu. Deze expeditie wist uiteindelijk op 31 augustus 2029 een einde te maken aan de opstand. Na afloop kregen 19.420 een algemeen pardon van Ricafort. Zij werden ondergebracht in de nieuwe nederzettingen Batuanan, Balilihan, Cabulao, Catigbian en Vilar in de laaggelegen gebieden van Bohol.
Bronnen (1894), Historia General Filipinas: desde el descubrimiento de dichas islas hasta nuestros días, Vol II, Madrid : Imprenta y Fundición de Manuel Tello / Est. Tip. de la Viuda é Hijos de Tello link (1903-1908), The Philippine Islands, 1493-1803, The Arthur H. Clark Company, Cleveland, Vol 1-55, link (1949), The Philippines Since Pre-Spanish Times, R.P. Garcia Publishing Co., Manilla, p. 424-425 (1975), The Philippines: A Past Revisited, Vol. 1, , Manila
Referenties
Categorie:Opstand in de Spaans koloniale Filipijnen