Het Hadelinusschrijn (Frans: châsse de saint Hadelin) is het middeleeuwse reliekschrijn van de heilige Hadelinus van Celles, dat bewaard wordt in de Sint-Martinus-en-Hadelinuskerk in de Belgische stad Wezet (Visé). Het met zilver beklede en rijk versierde schrijn dateert deels uit de elfde, deels uit de twaalfde eeuw. Het Hadelinusschrijn is een van de oudste grotere reliekschrijnen in West-Europa en behoort tot de topstukken van Maaslandse edelsmeedkunst.
Geschiedenis Voorgeschiedenis: relieken van Hadelinus De uit Aquitanië afkomstige Hadelinus was een leerling van de bisschop-missionaris Remaclus. Hij stierf in 690 in Celles, vlak bij Dinant, waar hij als kluizenaar leefde. Zijn gebeente werd al na veertien jaar in een schrijn geplaatst in of onder het altaar in de kapel van de kluizenarij. Deze elevatio (verheffing van het gebeente tot de "eer der altaren") stond in de middeleeuwen gelijk met een onofficiële heiligverklaring. Daaruit ontstond in de elfde eeuw de Sint-Hadelinuskerk, een kapittelkerk met aanvankelijk twaalf, later twintig seculiere kanunniken. De kanunniken hadden als hoofdtaak om de dagelijkse koorgebeden te bidden bij de relieken van de heilige. Het kapittel van Celles was afhankelijk van het Sint-Lambertuskapittel in Luik.
Totstandkoming van het schrijn Het Hadelinusschrijn is in twee fasen tot stand gekomen. Beide fasen vonden plaats in opdracht van de kanunniken van Celles. Een aantekening in een proostenregister vermeldt dat de beenderen van Hadelinus in 1046 door de Luikse bisschop Waso in een reliekschrijn waren geplaatst. De twee korte zijden van het huidige schrijn kunnen in deze periode worden geplaatst. Ze tonen Christus als overwinnaar van het kwaad en als beloner van een heilig leven.Bruyère (2010), p. 43.
Om onbekende redenen werd het schrijn in de twaalfde eeuw vernieuwd. De bestaande elfde-eeuwse puntgevels werden daarbij opgenomen in een nieuw ontwerp. Vermoed wordt dat de werkzaamheden plaatsvonden rond het midden van de twaalfde eeuw, de bloeitijd van de edelsmeedkunst in het bisdom Luik, toen veel Maaslandse schrijnen vernieuwd werden. De lange zijden van het schrijn werden gedecoreerd met reliëfs die het leven van Sint-Hadelinus uitbeelden.Bruyère (2010), p. 45.
In de kapittelkerk van Celles stond het schrijn in de crypte.Kroos (1985), p. 299. Mogelijk was het onderdeel van een altaarretabel en was het dak om die reden niet versierd.
Van Celles naar Wezet thumb|Schedula uit 1414, afkomstig uit het schrijn thumb|Plaquette op de kerk in Visé In de veertiende eeuw ontstond er onenigheid tussen het kapittel en de plaatselijke landsheer, Jacques de Beaufort. Op advies van de Luikse bisschop Adolf van der Mark kozen de kanunniken er voor om te verhuizen naar Wezet, een klein stadje tussen Luik en Maastricht. Op 11 (of 22) oktober 1338 werd het schrijn met de relieken van Hadelinus overgebracht naar de kerk van Wezet, die daarop werd ingericht als kapittelkerk.Bruyère (2010), p. 4.
In 1414 werd de schedel vanuit het schrijn overgeplaatst naar een reliekbuste, waarvan een schedula (reliekencertificaat) getuigt. In 1653, 1667 en 1788 werd het schrijn opnieuw geopend. In 1654 werd het gerestaureerd door de Luikse goudsmid Jean Goesin.
In 1788 verkreeg het kapittel van paus Pius VI een plenaire (algehele) aflaat voor eenieder die bij de relieken van Hadelinus zou komen bidden tijdens het octaaf van Maria-Geboorte (8 september) of tijdens het octaaf voorafgaand aan de naamdag van Hadelinus (3 februari). Vooral het feest in september werd groots opgezet, onder andere met het openen van het Hadelinusschrijn en het uitstallen van de relieken ter verering. Hoewel het de bedoeling was dat deze plechtigheid om de vijfentwintig jaar zou plaatsvinden, lijkt het erop dat dit in de negentiende eeuw slechts in 1845 en 1888 gebeurde. In 1913 werd een historiserende optocht toegevoegd aan de culturele evenementen tijdens het Hadelinusfeest. De volgende edities vonden plaats in 1938, 1963 en 1988. Voor zover bekend vond er in 2013 geen Hadelinusfeest plaats.Bruyère (2010), p. 34.
In 1794 veroverden Franse revolutionaire troepen de Maastreek, waarna de Oostenrijkse Nederlanden en het Luikerland door Frankrijk werden ingelijfd. Het Hadelinuskapittel werd op bevel van de Franse overheid opgeheven en de kapittelkerk werd een gewone parochiekerk. Daarmee kwam een einde aan de dagelijkse getijdengebeden bij het schrijn.
Bij de Duitse inval aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werd de kerk op 10 augustus 1914 geheel verwoest. Slechts het koor uit 1524, waar zich ook het reliekschrijn bevond, bleef gespaard. Van 1921 tot 1924 werd de kerk herbouwd, waarbij op de plaats van de verwoeste sacristie een zijkapel voor het Hadelinusschrijn werd gebouwd in het verlengde van het noordertransept. De glas-in-loodramen in de kapel beelden episodes uit het leven van Hadelinus uit, corresponderend met de afbeeldingen op het schrijn.Bruyère (2010), p. 35.
thumb|Het schrijn vóór de restauratie in 1972 thumb|Het schrijn in een vitrine op een sokkel voor het hoofdaltaar in het koor (2018) Recente geschiedenis In 1972 maakte het schrijn deel uit van de grote tentoonstelling Rhein und Maas. Kunst und Kultur 800–1400 in de Kunsthalle in Keulen. Later dat jaar was de tentoonstelling te zien in Brussel als Rijn en Maas / Rhin-Meuse. Centraal in de tentoonstelling stonden zeven romaanse reliekschrijnen uit het Rijnland en de Maasstreek opgesteld.Zie foto op Wikimedia Commons. In de tentoonstellingscatalogus wordt het Hadelinusschrijn beknopt beschreven door de Duitse kunsthistoricus Dietrich Kötzsche.Kötzsche (1972), p. 242.
In hetzelfde jaar werd besloten het schrijn te laten restaureren door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK/IRPA), waarbij men zich beperkte tot minimale behandelingen om de historische waarde van het object niet teveel aan te tasten. Wel werden aan de lange zijden twee reliëfs (nr. 3 en 5) verwisseld. Verder werd roest verwijderd, werden scheuren gelast, gaten opgevuld met zwarte was en werden twee deuken in de reliëfs 4 en 8 uitgedeukt. In 1974 was de restauratie voltooid.Bruyère (2010), p. 42.
In 2009 voerde KIK/IRPA een kleinere restauratie uit, waarbij het schrijn alleen werd gereinigd. Omstreeks dezelfde tijd verhuisde het schrijn van de noordelijke zijkapel terug naar het koor, waar het vanouds had gestaan. De neoromaanse, hardstenen sokkel uit de kapel werd hergebruikt.
Jaarlijks vindt op de derde zondag van september een processie met het schrijn van Hadelinus plaats. Leden van de Broederschap van Onze Lieve Vrouw van Loreto en Sint Hadelinus, gekleed in liturgische gewaden, nemen dan de speciaal daarvoor gebouwde draagbaar met het reliekschrijn op hun schouders en dragen deze door de stad.
Beschrijving, iconografie Kunsthistorische beschrijving Het Hadelinusschrijn bestaat uit een eikenhouten kern die bekleed is met deels verguld zilveren platen. De vorm lijkt op een langwerpig bouwwerk met een zadeldak, een huis of een eenbeukige kerk, verwijzend naar het hemelhuis. Deze vorm is typerend voor die periode. De kist is 150,5 cm lang, 32,5 breed en 53,2 cm hoog.
De zilveren platen zijn bewerkt door middel van drijfwerk, pointilleerwerk, filigraan en bruinvernis. De korte en lange zijden zijn voorzien van reliëfs. De achtergronden van de reliëfs aan de korte zijden zijn vlak. De dakranden van de beide puntgevels zijn versierd met een gegoten kam (sierrand), waarvan enkele stukken beschadigd zijn. De beide dakhelften zijn vermoedelijk altijd onbewerkt geweest. Het dak wordt meestal afgedekt met een kleedje. Het Hadelinusschrijn is een opmerkelijk voorbeeld van Maaslands edelsmeedwerk en geldt als het oudste grotere schrijn uit die regio.
Het iconografisch programma bestaat uit twee delen: het theocentrisch programma op de korte zijden (met Christus in het middelpunt) en het hagiografisch programma op de lange zijden (met het leven van de heilige).
Korte zijden: Christus centraal
Onderzoek heeft uitgewezen dat de korte zijden van het schrijn in het tweede kwart van de elfde eeuw gedateerd moeten worden. Beide puntgevels zijn omlijst door sierranden in bruinvernis en met gepointilleerde krullen. Op de puntgevel die als voorgevel van het schrijn wordt gezien, is Christus afgebeeld als strijder en overwinnaar (Christus Belliger en Christus Victor), triomferend over het kwaad, hier in de vorm van fabeldieren. Christus, met baard en gekleed in wat op een maliënkolder lijkt, houdt in zijn linkerhand het geopende boek van het begin en het einde (Alfa en Omega). Met zijn rechterhand houdt hij een lans vast met aan het uiteinde een lelie, mogelijk een latere toevoeging. Hij vertrapt onder zijn rechtervoet een ondefinieerbaar dier dat volgens het randschrift een leeuw moet voorstellen (de Antichrist), onder zijn linkervoet een basilisk (de dood). Een aspisadder (de zonde) kronkelt om de buik van de basilisk. De afbeelding is gebaseerd op Psalm 91:13 (Psalm 90 in de Vulgaat). Het Latijnse randschrift wijst Christus aan als overwinnaar, die door zijn kruisdood de zonde heeft overwonnen.
De andere puntgevel wordt wel de kroningszijde genoemd. Centraal afgebeeld is opnieuw Christus, geflankeerd door Remaclus en zijn discipel Hadelinus. Christus houdt twee kronen in zijn handen, die hij boven de hoofden van de veel kleiner afgebeelde heiligen houdt, een bekend thema in de Maaslandse kunst. Het in bruinvernis aangebrachte randschrift wijst Remaclus en Hadelinus aan als mede-overwinnaars met Christus, die de kroon verdiend hebben.
Lange zijden: legende van Hadelinus Op de lange zijden zijn acht scènes uit de legende van Hadelinus te zien, uitgebeeld in bas-reliëfs van gedreven, deels verguld zilver. De scènes zijn ontleend aan de elfde-eeuwse Vita van Hadelinus. Het Hadelinusschrijn is daarmee waarschijnlijk het oudst bewaard gebleven schrijn met een iconografisch programma gebaseerd op een heiligenleven. Over de maker is niets bekend. De bas-reliëfs zijn omgeven door afgeschuinde randen met stempelwerk en koperen stroken met inscripties in bruinvernis.
Het leven van de heilige is uitgebeeld in acht scènes, die twee fasen in zijn legende benadrukken: de roeping van Hadelinus en zijn missie. De betekenis van de scènes wordt verduidelijkt door de inscripties die boven en onder elk reliëf zijn aangebracht. De Latijnse tekst heeft telkens de vorm van een distichon (tweeregelig gedicht), geschreven in Leonijnse hexameters:Bruyère (2010), pp. 45-55. Scène 1: Remaclus en Hadelinus hebben zich tijdens hun reis te ruste gelegd. Hadelinus vertelt zijn metgezel dat hij in een visioen een duif uit de hemel heeft zien neerdalen, die zijn vleugels over hem uitspreidde. Remaclus had eveneens een visioen, waarbij de zon verduisterd werd door de schaduw van een engel. Er bestaat geen twijfel: de duif vertegenwoordigt de Heilige Geest, die Hadelinus roept. Scène 2: Het moment is aangebroken waarop de leerling de meester verlaat. Remaclus zegent Hadelinus. De geestelijke autoriteit van Remaclus wordt gesuggereerd doordat hij zittend op de abtszetel van Stavelot, voor de kerk, is afgebeeld. Scène 3: De hofmeier Pepijn van Herstal ("Pippinus rex"), wiens kroon en gevolg duidelijk zijn status aangeven, verzekert Hadelinus van zijn steun. Sterker nog: hij onderwerpt zijn wereldlijke macht aan Hadelinus' oordeel en vertrouwt op diens wijsheid. Scène 4: Hadelinus verwelkomt drie nieuwe discipelen in zijn kloostergemeenschap in Celles. Beon, die aanvankelijk aarzelend was maar wiens vrouw volgens de Vita door Hadelinus was genezen, onderwerpt zich ("subiectio"). Zijn twee broers lijken gefascineerd door Hadelinus' heiligheid.