De geschiedenis van de Malediven begint bij de eerste bewoners en loopt tot de huidige republiek der Malediven.
De vroegste geschiedenis van de Malediven is grotendeels gebaseerd op overleveringen. De zuidelijke eilanden zouden rond 500 v.Chr. al bewoond zijn, terwijl de noordelijke en zuidelijke atollen vermoedelijk verschillende migratiegeschiedenissen kenden, met invloeden uit Zuid-India en Sri Lanka. Taalkundige en culturele kenmerken wijzen op nauwe verwantschap met het Singalees en het oudere Elu Prakrit. Vanaf de eerste eeuwen vóór Christus ontwikkelden de Malediven zich als een boeddhistisch koninkrijk, waarin taal, schrift, bestuurlijke structuren en religieuze architectuur tot bloei kwamen. Archeologische resten, zoals stoepa’s en kloosters, tonen invloeden van diverse boeddhistische stromingen.
In de 12e eeuw bekeerde de heerser zich tot de islam, waarmee het sultanaat van de Maldivische Eilanden werd gevestigd. De islamisering geldt als een belangrijk keerpunt in de nationale geschiedenis. In de daaropvolgende eeuwen speelden Arabische handelaren een belangrijke rol in de regio. De Malediven werden een knooppunt in de Indische Oceaanhandel, met name door de export van kauri-schelpen, die in delen van Azië en Afrika als betaalmiddel dienden, en kokosvezel voor scheepsbouw.
In de 16e eeuw kwamen de Malediven onder Portugese invloed, later gevolgd door Nederlandse en Britse overheersing. In 1887 werd het land een Brits protectoraat. Op 26 juli 1965 verkregen de Malediven hun onafhankelijkheid, waarna in 1968 de republiek werd uitgeroepen. In de moderne periode kende het land zowel langdurig autoritair bestuur als politieke hervormingen. In 2004 werden de eilanden zwaar getroffen door de tsunami in de Indische Oceaan, die aanzienlijke schade aanrichtte.
Eerste bewoners De vroegste geschiedenis van de Malediven is onzeker. Op basis van overleveringen kan echter worden afgeleid dat de zuidelijke eilanden van de Malediven omstreeks 500 v.Chr. bewoond waren.
Het is niet bekend dat de eerste Maldiviërs archeologische overblijfselen hebben achtergelaten. Men vermoedt dat hun gebouwen waarschijnlijk waren opgetrokken uit hout, palmbladeren en andere vergankelijke materialen die snel zouden zijn vergaan door het zout en de wind van het tropische klimaat. Bovendien woonden stamhoofden niet in uitgebreide stenen paleizen, en hun religie vereiste evenmin de bouw van grote tempels of complexen.
Tijdens de regeerperiode van sultan Ibrahim Iskandar I in de 17e eeuw schreef Allama Shihabuddine, van Meedhoo op het Addu-atol, het boek Kitab Fi al-Athari Midu al-Qadimiyyah (Arabisch: Over de oude ruïnes van Meedhoo) Het verslag komt opvallend overeen met de bekende geschiedenis van Zuid-Azië en verwijst naar de legendarische keizer Ashoka van India. Het ondersteunt ook fragmenten die gevonden zijn in oude Maldivische archieven en de koperen Loamaafaanu-platen. Oude inscripties op koraalstenen artefacten en mondelinge overleveringen droegen eveneens bij aan de reconstructie van de vroege geschiedenis van de Malediven.
De noordelijke eilanden hadden mogelijk een andere migratie- en vestigingsgeschiedenis dan de zuidelijke eilanden
Eerste kolonisten van de zuidelijke Malediven Volgens een in 362 AD gepubliceerde aantekening van Ammianus Marcellinus stuurde een delegatie van de Divi geschenken naar de Romeinse keizer Julianus. "Divi" lijkt opvallend veel op "Dheyvi", en daarom verwijzen ze mogelijk naar hetzelfde volk.
De Dheyvis vonden Suvadinmathi (het Huvadhu-atol) na hun eerste nederzetting in Isdhuva in Isduvammathi (het Laamu-atol). Deze mensen gaven de term "duva" aan elk eiland waar ze voor het eerst woonden en dat ze ontdekten. Ze stichtten vervolgens het koninkrijk Dheeva Mari. Sri Soorudasaruna Adeettiya was de eerste bekende vorst van de Dheyvis van Dheeva Maari.
De Redi en de Kunibee, afkomstig uit het Maharashtra-gebied in India, behoorden tot de latere kolonisten. Deze mensen uit Noord-India arriveerden rond de 6e tot 5e eeuw v.Chr. op de Malediven, drie eeuwen voordat Ashoka zijn staat in India stichtte. Volgens de overlevering waren ze niet inheems in India maar kwamen ze uit een ander land. Ook het hindoeïsme werd in deze periode naar de Malediven gebracht.
Ooit kwam een groep uit Bairat naar Dheeva Mahal (Dheeva Maari) om de leerstellingen en werken van Gautama Boeddha te verkondigen.
Eerste kolonisten van de noordelijke Malediven Volksverhalen geven aan dat de noordelijke atollen van de Malediven bewoond werden door andere uit Zuid-India afkomstige stammen met een donkerdere huidskleur. Volgens legendes werden de eilanden die zij bewoonden Nolhivaram, Kuruhinnavaram en Giravaram (nu Nolhivaran, Hinnavaru en Giraavaru) genoemd.
Vergelijkende studies van de culturele tradities wijzen erop dat enkele van de eerste kolonisten van de noordelijke Malediven afstammelingen waren van vissers van de Malabarkust van het huidige India en de noordwestkust van Sri Lanka. Een van die gemeenschappen zijn de Giraavaru. Zij worden genoemd in oude legendes en lokale folklore, met name met betrekking tot de stichting en heerschappij van de hoofdstad Malé.
Andere invloeden Op basis van de aanwezigheid van Jat Gujjar-titels en Gotra-namen beweren sommigen dat ook de Sindhi's voor een vroege instroom van migranten verantwoordelijk waren. De zeevaart vanuit Debal begon al tijdens de Indusvallei-beschaving, en de Jataka's en Purana's tonen overvloedig bewijs van hun maritieme handel; het gebruik van vergelijkbare traditionele scheepsbouwtechnieken in Noordwest-Zuid-Azië en de Malediven, evenals de aanwezigheid van zilveren munten met stempelafdrukken uit beide regio's, versterkt dit standpunt. Bovendien zijn er aanwijzingen dat Austronesische zeevaarders uit Zuidoost-Azië via de Malediven uiteindelijk in Madagaskar terechtkwamen.
De Noor Thor Heyerdahl onderzocht de zogenaamde Havitta-heuvels die op sommige eilanden worden gevonden. Deze worden over het algemeen gedateerd in de boeddhistische periode, maar Heyerdahl verklaarde dat hij er onder de overblijfselen van oudere bouwwerken had gevonden. Hij trof op de zon georiënteerde funderingen en binnenplaatsen aan, evenals beelden met langwerpige oorlellen. Heyerdahl geloofde dat deze vondsten aansloten bij zijn theorie van een zeevarende beschaving die haar oorsprong vond in wat nu Sri Lanka is, de Malediven koloniseerde en de culturen van het oude Zuid-Amerika en Paaseiland beïnvloedde of stichtte. Zijn theorieën vonden echter geen algemene erkenning.
Vroegste geschreven geschiedenis De vroegste geschreven geschiedenis van de Malediven begon met de komst van de Singalezen. Zij waren afstammelingen van de verbannen Vanga-prins Vijaya uit de oude stad Sinhapura in Noordoost-India. Hij en zijn gezelschap van enkele honderden mensen landden in Sri Lanka, en sommigen belandden rond 543-483 v.Chr. uiteindelijk op de Malediven. Volgens de Maapanansa raakte rond 500 v.Chr. een van de schepen die met Vijaya naar Sri Lanka meevoeren verdwaald, en kwam terecht op een eiland genaamd Mahiladvipika, sindsdien geïdentificeerd als de Malediven. Er werd ook gezegd dat de mensen van Mahiladvipika in die tijd naar Sri Lanka reisden.
De vestiging van Singalezen in Sri Lanka en de Malediven markeerde een belangrijke demografische verandering, en de ontwikkeling van de Indo-Arische taal Divehi, die qua grammatica, fonologie en structuur het meest lijkt op het Singalees en vooral op het oudere Elu Prakrit, en minder invloeden van het Pali kent.
Er wordt aangenomen dat Vijaya en zijn clan uit West-India kwamen. Dit wordt ondersteund door taalkundige en culturele kenmerken, evenals specifieke beschrijvingen in de epische gedichten zelf, bijvoorbeeld het detail dat Vijaya met zijn schip tijdens een reis naar het zuiden Bharukaccha (Bharuch in Gujarat) bezocht.
Klassieke bronnen Er bestaan geen inlandse bronnen van vóór de 12e-eeuwse islamisering, maar wel Europese klassieke verwijzingen naar de Malediven. De Periplus van de Erythreïsche Zee (circa 90) vermeldt handel in schildpadschilden "zoals van het eiland tegenover Limurike" (Malabar), wat zou kunnen verwijzen naar de Malediven en de Laccadiven. Claudius Ptolemaeus (2e eeuw) heeft de duidelijkste verwijzing en noemt sommige van de eilanden bij naam. Ammianus Marcellinus (4e eeuw) vertelt over bezoekers van keizer Julianus die uit "Divi" en "Serendivi" komen; Serendivi is Sri Lanka, en waarschijnlijk verwijst Divi naar de Malediven.Bruce Dwayne Cain, "Dhivehi (Maldivian): A Synchronic and Diachronic Study," doctoraatsthesis Cornell University, januari 2000.
De Griekse historicus Philostorgius schreef over een gijzelaar onder de Romeinen genaamd Theophilus, die afkomstig was van het eiland Diva, vermoedelijk de Malediven. Theophilus werd rond het jaar 350 uitgezonden om de Himyarieten tot het christendom te bekeren. Vanuit Arabië ging hij naar zijn thuisland. Hij keerde terug naar Arabië, bezocht Aksum en vestigde zich uiteindelijk in Antiochië.
Boeddhistische periode rechts|miniatuur|De boeddhistische stoepa bij Kuruhinna op het eiland Gan (Haddhunmathi-atol) rechts|miniatuur|Isdhoo Lōmāfānu, het oudste koperplatenboek dat tot nu toe op de Malediven is ontdekt, geschreven in 1194 na Christus Vanaf de 1e eeuw vóór Christus waren de Maldiven boeddhistisch.
Het was tijdens de boeddhistische periode dat een groot deel van de cultuur van de Malediven zich ontwikkelde en tot bloei kwam. De Maldivische taal, de eerste Maldivische schriften, de architectuur, de bestuurlijke instellingen en de gebruiken en gewoonten van de Maldiviërs vinden hun oorsprong in de tijd dat de Malediven een boeddhistisch koninkrijk waren.
Voordat de Maldiviërs het boeddhisme aannamen beoefenden ze een oude vorm van het hindoeïsme, met name rituele tradities die bekendstaan als Shrauta, in de vorm van de verering van Surya.
Het boeddhisme verspreidde zich waarschijnlijk in de 3e eeuw v.Chr. naar de Malediven, ten tijde van Ashoka. Bijna alle archeologische overblijfselen op de Malediven zijn afkomstig van boeddhistische stoepa's en kloosters, en alle tot nu toe gevonden artefacten vertonen karakteristieke boeddhistische iconografie. Archeologisch bewijsmateriaal van een oud boeddhistisch klooster in Kaashidhoo is gedateerd tussen 205 en 560 na Christus, op basis van radiokoolstofdatering van schelpen die zijn opgegraven uit de fundamenten van stoepa's en andere bouwwerken in het klooster.
De boeddhistische en hindoeïstische tempels van de Malediven hadden de vorm van mandala's en waren georiënteerd volgens de vier windrichtingen, met de hoofdingang naar het oosten gericht. Oude boeddhistische stoepa's worden lokaal "havitta", "hatteli" of "ustubu" genoemd, afhankelijk van het atol. Deze stoepa's en andere archeologische overblijfselen, zoals funderingen van Vihāra's, met ommuurde terreinen en stenen baden, zijn te vinden op vele eilanden van de Malediven. Ze liggen meestal begraven onder zandhopen en zijn bedekt met vegetatie. De lokale historicus Hassan Ahmed Maniku telde maar liefst 59 eilanden met boeddhistische archeologische vindplaatsen in een voorlopige lijst die hij in 1990 publiceerde. De grootste monumenten uit het boeddhistische tijdperk bevinden zich op de eilanden aan de oostkant van het Laamu-atol.
In het begin van de 11e eeuw werden Minicoy en Thiladhunmathi, en mogelijk andere noordelijke atollen, veroverd door de Tamil-keizer RajaRaja Chola I, waarna ze deel gingen uitmaken van het Chola-rijk.
De eenwording van de archipel wordt traditioneel toegeschreven aan koning Koimala. Volgens een legende zeilde in het begin van de 12e eeuw na Christus een prins genaamd Koimala, een edelman uit Sri Lanka, naar het eiland Rasgetheemu ("Stad van het Koninklijk Huis" of "Koningsstad") in het Maalhosmadulhu-atol. Vandaar zeilde hij naar Malé en stichtte een koninkrijk genaamd Dheeva Mari.