Dasosaurus is een geslacht van plantenetende sauropode dinosauriërs, behorende tot de Titanosauriformes, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Brazilië. De enige benoemde soort is Dasosaurus tocantinensis.
Vondst en naamgeving In 2021 vonden de archeoloog Daniel Ribeiro da Silva en daarna in twee opgravingen de paleontoloog Amanda Almeida Cardoso bij Davinópolis in de Bacia do Parnaíba een skelet van een sauropode. Het werd geprepareerd door het Instituto de Estudos do Xingu. Het bleek een nog onbekende soort te vertegenwoordigen.
In 2026 werd de typesoort Dasosaurus tocantinensis benoemd en beschreven door Elver Luiz Mayer, Julian Cristian Gonçalves Silva Junior, Leonardo Rodrigo Kerber Tumeleiro, Bruno Albert Navarro, Kamila Luisa Nogueira Bandeira, Juan Carlos Cisneros, Eliane Pinheiro de Sousa, Agostinha Araújo Pereira, Manuel Alfredo Medeiros, Rafael Matos Lindoso, Francisco Pedro Cavalcanti Neto, Aline Marcele Ghilardi, Tito Aureliano, Pedro Lorena Godoy, Gabriel de Souza Ferreira en Max Cardoso Langer. De geslachtsnaam is afgeleid van het Grieks δάσος, dasos, "woud", een verwijzing naar het Amazonegebied waar de vondst gedaan is. Daarbij was het dier een bosbewoner en is Dasos ook een titaan. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst bij de Tocantins.
Het holotype, CPHNAM VT 1600, is gevonden in een laag van de Itapecuruformatie die dateert uit het Aptien. Het bestaat uit een skelet zonder schedel. Bewaard zijn gebleven: tien staartwervels, chevrons, vijf ribben, een linkerellepijp, een rechtermiddenhand, een linkerschaambeen, een linkerzitbeen, een rechterdijbeen, een rechteronderbeen, een linkerkuitbeen en een linkervoet. De resten lagen verspreid over een oppervlakte van zes vierkante meter.
Beschrijving De lengte van het holotype is geschat op ruim twintig meter.
Dasosaurus toont een unieke verzameling van zes kenmerken waarin hij zich onderscheidt van Garumbatitan. Bij de middelste tot achterste staartwervels staan de drie richels op de wervelboog op het niveau van de bovenrand in plaats van onderrand van het voorste gewrichtsuitsteeksel en de bovenste begrenzing vormt van een ondiepere ovale holte tussen de rib en wervellichaam. De doornuitsteeksels van de voorste staartwervels zijn schuin naar bezijden en boven verbreed, een rechthoekig bovenste plateau vormend. Een slanker dijbeen met een naar binnen gebogen schacht. De voorzijde van het dijbeen mist een linea intermuscularis cranialis, een richel tussen de spiergroepen. De zijbult op het dijbeen is minder ontwikkeld met ongeveer 40% van de minimale breedte overdwars van de schacht. De eerste en tweede voetklauw bezitten op de bovenste zijkant een bultje voor de aanhechting van de pees voor de strekkende spier.
Het holotype toont synapomorfieën gedeeld met Garumbatitan uit Spanje. De middelste en achterste staartwervels hebben drie horizontale richels met een groeve boven de onderste. Het dijbeen, tegen de twee meter lang, heeft een bult op de buitenste bovenzijde hoewel die niet zo extreem ontwikkeld is. De ribben zijn robuust. De chevrons zijn langwerpig.
De botstructuur lijkt op zowel die van vroege Neosauropoda en latere Titanosauria waarbij de buitenste botwand opgebouwd is uit primaire lagen en er een hoge mate van herwerking plaatsvindt. De wervellichamen zijn robuust, gebouwd om een sterke musculatuur te verankeren, wellicht nodig voor stabiliteit in een beboste omgeving. De voorste staartwervels zijn procoel, dus met een uitholling vooraan, net als bij de Titanosauria.
Fylogenie
Dasosaurus is basaal in de Somphospondyli geplaatst als zustersoort van Garumbatitan. Hun klade staat boven Ligabuesaurus in de stamboom. Aangenomen werd dat de Somphospondyli uit Europa via Afrika naar Zuid-Amerika trokken, indertijd mogelijk doordat Gondwana één continent vormde.
Levenswijze Het leefgebied was ook al in de tijd van Dasosaurus dichtbebost. Het klimaat was tropisch, warm en vochtig met veel rivieren en meren. Er viel tachtig tot honderd centimeter neerslag per jaar en de bodem was moerassig.
Van nek noch schedel is iets bekend. De beschrijvers zijn echter vurige aanhangers van de hypothese dat sauropoden in het Krijt hun nek vrijwel verticaal hielden om hoog in de boomtoppen te eten van hoogwaardige energierijke delen. Die bomen bestonden uit Araucariaceae en Podocarpaceae.
Literatuur
Categorie:Sauropoda